Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
15/05237
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:493, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:9195, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:6074, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie; wijze waarop kindgebonden budget in aanmerking moet worden genomen. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0259
NJB 2016/1836
JWB 2016/347
RvdW 2016/1008
NJ 2016/428

Uitspraak

30 september 2016

Eerste Kamer

15/05237

LZ/JS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. F.I. van Dorsser,

t e g e n

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/08/150524/FA RK 14-118 van de rechtbank Overijssel van 23 juli 2014;

b. de beschikkingen in de zaak 200.156.207/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014 en 11 augustus 2015.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 11 augustus 2015 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn in 1992 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, een zoon op [geboortedatum] 1997 en een dochter op [geboortedatum] 2001.

(ii) Het huwelijk van partijen is op 17 augustus 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 juli 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op € 144,-- per maand per kind. Bij het echtscheidingsconvenant van 26 maart 2010, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking, zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, naast genoemd bedrag van € 144,--, ten behoeve van de kinderen maandelijks een bedrag van € 359,-- zal storten op een gezamenlijke en/of-rekening, en dat hij € 500,-- per maand zal voldoen aan partneralimentatie.

3.2.1

De vrouw heeft de rechtbank verzocht met ingang van 1 oktober 2013 de kinderalimentatie te bepalen op € 582,50 per maand per kind en de partneralimentatie op € 1.000,-- per maand. De rechtbank heeft de hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde beschikking aldus gewijzigd dat de man met ingang van 20 januari 2014 een bedrag van € 495,-- per maand per kind dient te betalen aan kinderalimentatie en een bedrag van € 809,-- aan partneralimentatie.

3.2.2

Het hof heeft, voor zover thans van belang, de door de man te betalen kinderalimentatie over de periode van 20 januari 2014 tot 1 januari 2015 bepaald op € 317,-- per maand per kind en over de periode vanaf 1 januari 2015 op € 212,-- per maand per kind.

3.3.1

Onderdeel II komt met een rechtsklacht op tegen rov. 5.7, waarin het hof onder meer het volgende heeft overwogen:

“Voorts dient op de behoefte van de kinderen het voor hen ontvangen kindgebonden budget in mindering te worden gebracht (…).”

Volgens het onderdeel had het hof het kindgebonden budget niet in aanmerking moeten nemen bij het bepalen van de behoefte van de kinderen, maar bij de berekening van de draagkracht van de verzorgende ouder.

3.3.2

In zijn prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465 heeft de Hoge Raad in antwoord op aan hem gestelde prejudiciële vragen het volgende antwoord gegeven:

“4.1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

4.2.

Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.”

Dit oordeel heeft niet alleen betrekking op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen, maar ook op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold.

3.3.3

Gelet op het hiervoor overwogene, geeft het oordeel van het hof dat over zowel 2014 als 2015 het kindgebonden budget in mindering moet worden gebracht op de behoefte van de kinderen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel II is dus gegrond. De overige onderdelen
behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 augustus 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.