Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2222

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2016
Datum publicatie
30-09-2016
Zaaknummer
15/01943
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:473, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5411, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid van advocaat. Verzuim om verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraak (art. 3:324 BW) te stuiten? Rechtsgevolg van stuiting door daad van tenuitvoerlegging in de zin van art. 3:325 lid 2, onder c, BW: nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:319 BW) of voortdurende stuiting (art. 3:316 BW)?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 316
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Burgerlijk Wetboek Boek 3 319
Burgerlijk Wetboek Boek 3 323
Burgerlijk Wetboek Boek 3 324
Burgerlijk Wetboek Boek 3 325
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/168 met annotatie van mr. drs. P.A. Fruytier
NTHR 2017, afl. 1, p. 19
JOR 2017/74 met annotatie van prof. mr. J.E. Jansen
Ars Aequi AA20170316 met annotatie van A.W. Jongbloed
NJB 2016/1834
JWB 2016/343
RvdW 2016/1006
RAV 2017/2
RCR 2017/2
NJ 2017/189

Uitspraak

30 september 2016

Eerste Kamer

15/01943

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PEGROAM B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. G.C. Nieuwland.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Pegroam en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 518690/HA ZA 12-686 van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2012 en 6 maart 2013;

b. het arrest in de zaak 200.130.234/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Pegroam beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Pegroam mede door mr. G.J. Harryvan.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 17 juni 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] is tot november 2007 als advocaat opgetreden van [betrokkene 1] en diens vennootschappen Bouwplan B.V. (hierna: Bouwplan) en Pegroam in een geschil dat deze vennootschappen hadden met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en aan [betrokkene 2] gelieerde vennootschappen.

(ii) Bij verstekvonnis in kort geding van 17 juni 1982 (hierna: het verstekvonnis) zijn [betrokkene 2] en een aan hem gelieerde vennootschap veroordeeld tot betaling aan Bouwplan van ƒ 110.025,62, vermeerderd met rente en kosten (hierna: de vordering). Op 7 mei 1985 heeft Bouwplan de vordering aan Pegroam gecedeerd.

(iii) Tussen 1982 en 2002 zijn er door of namens Bouwplan dan wel Pegroam geen op tenuitvoerlegging van het verstekvonnis gerichte handelingen verricht.

(iv) Op 28 mei 2002 heeft [verweerder] op verzoek van Pegroam tot verhaal van de vordering – onder meer – executoriaal derdenbeslag laten leggen onder Nemaco B.V. (hierna: Nemaco) op vorderingen van [betrokkene 2] op Nemaco.

(v) Nadat Pegroam in 2008 een verklaringsprocedure had ingesteld tegen Nemaco, heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 februari 2009 Nemaco veroordeeld om aan Pegroam te betalen een bedrag van € 95.457,88, vermeerderd met rente en kosten.

(vi) [betrokkene 2] heeft in 2009 diverse vorderingen tegen Pegroam ingesteld die alle als inzet hadden dat Pegroam geen rechten aan het verstekvonnis kon ontlenen (hierna: het executiegeschil).

(vii) Op 8 oktober 2009 hebben Pegroam en [betrokkene 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij [betrokkene 2] – kort gezegd – een bedrag van € 150.000,-- in depot heeft gesteld tegen opheffing van de gelegde beslagen en waarbij voorts uitbetaling van dat bedrag afhankelijk is gesteld van de uitkomst van het executiegeschil.

(viii) Bij eindarrest van 10 april 2012 in het executiegeschil heeft het gerechtshof Amsterdam voor recht verklaard dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is verjaard, en Pegroam veroordeeld de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te staken. In overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst is medio april 2012 het bedrag van € 150.000,-- aan [betrokkene 2] uitgekeerd.

(ix) Pegroam heeft [verweerder] aansprakelijk gesteld voor haar schade die het gevolg is van het laten verjaren van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.

3.2.1

Pegroam heeft veroordeling gevorderd van [verweerder] tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 358.450,55. Aan haar vordering heeft Pegroam ten grondslag gelegd dat [verweerder] een beroepsfout heeft gemaakt door de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet tijdig te stuiten waardoor, zoals bij het hiervoor in 3.1 onder (viii) genoemde arrest is beslist, dat verstekvonnis niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.2.2

De rechtbank heeft de vordering van Pegroam tot een bedrag in hoofdsom van € 121.875,82 toegewezen.

3.2.3

Het hof heeft de vordering van Pegroam afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft [verweerder] geen beroepsfout gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten (rov. 3.9) en is hij dan ook niet aansprakelijk voor de door Pegroam gestelde schade (rov. 3.10). Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen:

“3.7 Tussen partijen is niet in geschil dat het gelegde executoriaal derdenbeslag onder Nemaco ten laste van [betrokkene 2] als zodanig een handeling is die de verjaring van de vordering heeft gestuit. Evenmin is in geschil dat het beslagexploot op een juiste wijze is betekend. Uit oude jurisprudentie (HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276) en uit de parlementaire geschiedenis op artikel 3:316 en 3:325 BW (zie pag. 933 en 945) blijkt ook dat het leggen van beslag, mits in de vereiste vorm gedaan, zowel onder oud als onder nieuw recht wordt beschouwd als een daad uit de categorie “iedere andere daad van rechtsvervolging” die de verjaring van een rechtsvordering stuit.

3.7.1 (…)

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:319 BW (zie pag. 936-937) volgt dat op de hoofdregel dat na stuiting een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen, in beginsel twee uitzonderingen zijn gemaakt. In dit geval is de eerste genoemde uitzondering van belang te weten, dat van het aanvangen van een nieuwe termijn is uitgesloten, het geval dat verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd. In dat geval blijft, aldus de toelichting, gedurende de procedure die volgt op die eis de verjaring gestuit. Daarbij wordt (weer) verwezen naar voormeld arrest van de Hoge Raad uit 1935. Uit dat arrest van Hoge Raad volgt dat, hoewel de voortduring van de werking van de stuiting (van een executoriaal derdenbeslag, opm hof) niet uitdrukkelijk in de wet is bepaald, deze “voortvloeit uit den aard van de betrokken regeling, die bezwaarlijk kan medebrengen dat gedurende het geding, dat de schuldeischer ter doorzetting van de door hem ondernomen vervolging voert, de verjaringstermijn weder zou aanvangen te loopen en de verjaring zelfs zou kunnen intreden.” (…) Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:325 BW blijkt dat het leggen van executoriaal (derden)beslag een daad van tenuitvoerlegging is die de verjaring van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak stuit.

3.7.2

Het hof leidt uit de samenhang van de artikelen 3:316 BW, 3:319 BW, 3:324 BW en 3:325 BW en de memorie van toelichting op artikel 3:319 BW af dat de stuiting van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak als sequeel van een toegewezen eis ook valt onder de uitzondering van de hoofdregel van 3:319 BW waardoor er een van artikel 3:319 afwijkende nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en wel een die voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt. Uit die toelichting op artikel 3:319 BW, waarin staat vermeld dat behoudens een aantal technische verbeteringen het instituut van de stuiting wordt behouden en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1935, blijkt voorts dat met de invoering van het NBW in 1992 geen afwijking van of een breuk met het verleden is beoogd. Zowel uit genoemd arrest van 1935 als uit de relevante literatuur (zie (…)) en recentere jurisprudentie (zie (…)) die ten tijde van het behandelen van de zaak door [verweerder] bekend was volgt dat algemeen werd aangenomen dat de stuiting van de verjaring voortduurt totdat de executie is voltooid. Ook in nog recentere literatuur en jurisprudentie is de opvatting bevestigd dat de stuiting voortduurt zolang het beslag blijft gehandhaafd (zie (…)). (…).

3.8

Gelet op het hiervoor onder 3.7 overwogene komt het hof tot de conclusie dat, ofschoon de letterlijke tekst van artikel 3:319 BW daarover wellicht vragen openlaat, uit de parlementaire geschiedenis van dat artikel, de relevante literatuur en jurisprudentie in 2007 eensluidend bleek dat het leggen van executoriaal beslag voortdurende stuitende (blokkerende) werking heeft. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mocht er dan ook vanuit gaan dat met het leggen van een executoriaal derdenbeslag de verjaring van die vordering gestuit blijft tot aan de afloop van die daad van rechtsvervolging. Van hem behoeft dan ook niet te worden verlangd dat hij na het leggen van executoriaal derdenbeslag (veiligheidshalve) nog andere of nadere stuitingshandelingen verricht ter voorkoming van het verjaren van de vordering waarvoor beslag was gelegd. Dat betekent dat [verweerder], nadat hij op 28 mei 2002 op verzoek van Pegroam tot verhaal van de vordering executoriaal derdenbeslag had laten leggen onder Nemaco, geen beroepsfout heeft gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten. Immers, hij mocht ervan uitgaan dat het gelegde beslag een voortdurende stuitende werking zou hebben. (…)”

3.3

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof in de rov. 3.7-3.7.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (middel onder 2). Uit het slot van rov. 3.7 blijkt dat het hof heeft miskend dat het in deze zaak niet gaat om stuiting van de verjaring van een rechtsvordering als bedoeld in art. 3:319 in verbinding met art. 3:316 BW, maar om stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in art. 3:324 in verbinding met de art. 3:325 en 3:319 BW (middel onder 3). Voorts heeft het hof in de rov. 3.7.1-3.7.2 miskend (i) dat executoriaal derdenbeslag is aan te merken als daad van tenuitvoerlegging in de zin van art. 3:325 lid 2, aanhef en onder c, BW, (ii) dat volgens de aanhef van art. 3:325 BW de art. 3:319-323 BW van overeenkomstige toepassing zijn, (iii) dat uit art. 3:319 lid 1 in verbinding met lid 2 BW volgt dat door stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen die niet langer is dan vijf jaar, en (iv) dat in dit geval geen sprake is van het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, welke handeling op de voet van art. 3:319 lid 1 in verbinding met art. 3:316 BW voortdurend stuitende werking heeft tot – kort gezegd – zes maanden na het definitieve einde van de op die eis volgende procedure (middel onder 4). Er bestaat noch in de regeling van de verjaring van boek 3 BW noch elders een grondslag of een rechtvaardiging voor een gelijkstelling van het leggen van executoriaal derdenbeslag op basis van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak met het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd (middel onder 5). Gegrondbevinding van deze klacht brengt mee dat ook de daarop voortbouwende oordelen in de rov. 3.8-3.11 niet in stand kunnen blijven (middel onder 6).

3.4.1

Het middel treft doel.

Indien een op grond van art. 3:324 BW lopende verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak wordt gestuit op een van de wijzen voorzien in art. 3:325 lid 2 BW, begint op grond van art. 3:325 lid 1 in verbinding met art. 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn te lopen die in beginsel gelijk is aan de oorspronkelijke termijn (dat wil zeggen de termijn van art. 3:324 lid 1 dan wel lid 3 BW), doch niet langer dan vijf jaren.

Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak door een daad van tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 3:325 lid 2, aanhef en onder c, BW – zoals het in de onderhavige zaak gelegde executoriaal derdenbeslag op basis van het verstekvonnis – niet worden beschouwd als, of op een lijn worden gesteld met, stuiting van een rechtsvordering door het instellen van een eis als bedoeld in art. 3:316 lid 1 BW, welke stuiting op de voet van art. 3:316 lid 2 BW voortduurt tot – kort gezegd – het tijdstip waarop die eis definitief wordt toegewezen.

3.4.2

Het vorenstaande strookt met het stelsel van de verjaringsregeling van Boek 3 BW. Dat stelsel onderscheidt de verjaring van rechtsvorderingen (art. 3:306-315 BW) van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken (art. 3:324-325 BW).

3.4.3

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:319 BW (MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 937) blijkt dat de wetgever slechts twee uitzonderingen heeft toegelaten op de in art. 3:319 lid 1 BW neergelegde hoofdregel dat door stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
De eerste uitzondering betreft het geval dat de verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, en is neergelegd in art. 3:319 lid 1, eerste volzin, in verbinding met art. 3:316 BW. Over deze regeling merkt de MvA II op:

“In dat geval blijft dus de verjaring gestuit, ook al zou sedert het instellen van de eis een nieuwe verjaringstermijn zijn verstreken.”

De tweede uitzondering betreft het geval dat een bindend advies wordt gevraagd en verkregen, en is neergelegd in art. 3:319 lid 1, tweede volzin, BW.

In dit verband wordt in de MvA II opgemerkt dat de “afronding” van de eerste hiervoor genoemde uitzondering – dat wil zeggen stuiting van de verjaring door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd – is te vinden in art. 3:324 BW, waarbij ter toelichting wordt vermeld:

“Is eenmaal een toewijzende uitspraak verkregen dan begint, zodra aan de verdere eisen van dat artikel [art. 3:324 BW] is voldaan, een nieuwe verjaring te lopen, nu van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van deze uitspraak.”

Uit een en ander volgt dat met de woorden “anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd” in art. 3:319 lid 1, eerste volzin, BW louter is beoogd te verwijzen naar hetgeen art. 3:316 BW bepaalt met betrekking tot de mogelijkheid van stuiting van een rechtsvordering door het instellen van een eis en het aan die wijze van stuiting verbonden rechtsgevolg van voortdurende stuiting tot het tijdstip waarop die eis definitief wordt toegewezen. Met die in art. 3:319 lid 1, eerste volzin, BW opgenomen woorden is niet beoogd om aan de stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak op de voet van art. 3:325 lid 2 BW een ander rechtsgevolg te verbinden dan volgt uit de in art. 3:319 lid 1 BW (in verbinding met art. 3:325 lid 1 BW) neergelegde hoofdregel, te weten dat met die stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.

In dit verband verdient opmerking dat het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 1935, NJ 1935/1276 – dat het hof in rov. 3.7, 3.7.1 en 3.7.2 noemt en dat ook in de toelichting op art. 3:319 BW (Parl. Gesch. Boek 3, p. 937) wordt vermeld – geen betrekking heeft op stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, maar op stuiting van de verjaring van een (belasting)vordering waarover een procedure liep waarin nog niet was beslist.

3.4.4

Ten slotte verdient opmerking dat van de partij die een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke of arbitrale uitspraak heeft verkregen en binnen de termijn van art. 3:324 BW tot tenuitvoerlegging daarvan overgaat, in beginsel kan worden gevergd dat zij de door haar aangevangen tenuitvoerlegging voortzet en voltooit binnen de (nieuwe) verjaringstermijn van art. 3:319 lid 2 BW (in verbinding met art. 3:324 BW). Bovendien kan die partij in voorkomend geval die (nieuwe) verjaringstermijn op eenvoudige wijze andermaal stuiten, bijvoorbeeld door een schriftelijke aanmaning dan wel door een nieuwe daad van tenuitvoerlegging te verrichten, een en ander als bedoeld in art. 3:325 lid 2, aanhef en onder a respectievelijk c, BW.

3.4.5

Nu het oordeel van het hof dat [verweerder] geen beroepsfout heeft gemaakt, berust op zijn hiervoor onjuist bevonden rechtsopvatting, zal na verwijzing, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.4.1-3.4.4 is overwogen, opnieuw dienen te worden beoordeeld of het handelen van [verweerder] als zodanige fout moet worden aangemerkt.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Pegroam begroot op € 6.612,02 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.