Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:219

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
14/00925
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2656, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Geneesmiddelen? Middelen zonder “therapeutische” werking kunnen niet worden gekwalificeerd als geneesmiddel. Art. 1.1 onder b en 40.2 (oud) Geneesmiddelenwet (Gmw). 2. Pseudo-efedrine. Geregistreerde stof van cat. 1 van bijlage 1 a.b.i. art. 3.2 Verordening nr. 273/2004 jo art. 2 aanhef onder a Wet voorkoming misbruik chemicaliën? Ad 1. In het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaken Markus D. en G. (C-358/13 en C-181/14, ECLI:EU:C:2014:2060) en op gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG behoeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat t.a.v. de in de bewezenverklaring van de feiten 1,2,6 en 8 genoemde stof mCPP (metachlorophenylpiperazine) en t.a.v. de in de bewezenverklaring van feit 10 genoemde stof efedrine sprake is van een geneesmiddel a.b.i. art. 1.1 onder b Gmw, nadere motivering. Ad 2. Het middel is terecht voorgesteld op de grond die is vermeld in de conclusie van de AG.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 1
Geneesmiddelenwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/291
NBSTRAF 2016/63 met annotatie van mr. T.J. Kelder
SR-Updates.nl 2016-0105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 februari 2016

Strafkamer

nr. S 14/00925

MD/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 januari 2014, nummer 22/004119-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de feiten 1, 2, 6, 8, 10 en 11 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 1, 2, 6 en 8 vermelde stof mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) en de in de bewezenverklaring onder 10 vermelde stof efedrine geneesmiddelen zijn als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet.

2.2.

Ten laste van de verdachte is onder 1, 2, 6, 8 en 10 bewezenverklaard dat:

"1. hij op 2 juli 2009 te Delft en/of te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten ongeveer 107.000 pillen, bevattende een hoeveelheid mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) in voorraad heeft gehad en afgeleverd en ter hand heeft gesteld;

2. hij op 2 juli 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten ongeveer 160.000 pillen, bevattende mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) in voorraad heeft gehad;

6. hij, in de periode van 11 december 2008 tot en met 2 juli 2009, te Delft en 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten de bereiding en de aflevering in pillen bevattende het geneesmiddel mCPP en/of MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine;

8. hij op 2 juli 2009 te Delft opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten ongeveer 6.591 pillen bevattende een hoeveelheid mCPP (meta-chlorophenylpiperazine), in voorraad heeft gehad;

10. hij op 2 juli 2009 te Delft opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten ongeveer 4.080 pillen, bevattende een hoeveelheid efedrine, in voorraad heeft gehad."

2.3.

Het Hof heeft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd" en het onder 8 en 10 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd".

2.4.1.

Op 1 juli 2007 is de Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet (Stb. 2007, 93) in werking getreden. De nieuwe Geneesmiddelenwet voorziet in de implementatie van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004.

2.4.2.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 40, tweede lid (oud), Geneesmiddelenwet:

"Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen of in te voeren."

- art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:

1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,

2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of

3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen;

(...)"

2.4.3.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de nieuwe Geneesmiddelenwet houdt onder meer in:

"Artikel 1

Eerste lid, onder b (geneesmiddel)

Uitgangspunt voor de definitie van geneesmiddel is uiteraard de definitie van geneesmiddel, zoals opgenomen in richtlijn 2001/83/EG. Voorts is gekeken naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ) met betrekking tot het begrip geneesmiddel en naar de huidige definitie van geneesmiddel in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG).

Bovendien is artikel 1 van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PbEG L 169) - hierna te noemen: richtlijn 93/42/EEG - alsmede artikel 1 van de Wet medische hulpmiddelen (WMH) in de beschouwing betrokken.

(...)

De definitie van geneesmiddel in artikel 1 van richtlijn 2001/83/EG bestaat uit twee delen en luidt als volgt:

Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens.

Elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan de mens kan worden toegediend teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.

Deze tweedeling komt er op neer dat een product een geneesmiddel is op grond van zijn presentatie of op grond van zijn werking en dus ook op grond van beide aspecten. Deze twee aspecten zijn uiteraard ook in de onderhavige begripsbepaling opgenomen. Materieel is er ter zake van deze twee aspecten dus geen verschil met de richtlijnbepaling." (Kamerstukken II, 2003/04, 29 359, nr. 3, p. 24-25)

2.5.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn uitspraak van 10 juli 2014 (C-358/13 en C-181/14, ECLI:EU:C:2014:2060) in de zaken Markus D. en G., dat is gewezen na het bestreden arrest van 21 januari 2014, met betrekking tot het begrip 'geneesmiddel' in art. 1, punt 2, sub b, van Richtlijn 2001/83, zoals hiervoor onder 2.4.3 is weergegeven, voor recht verklaard:

"Artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat daaronder niet vallen substanties zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarvan de effecten beperkt zijn tot louter een wijziging van de fysiologische functies, zonder dat zij direct of indirect een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid, en die alleen maar worden geconsumeerd om een roes op te wekken en bij consumptie schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid."

2.6.

In het licht van voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie en op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 behoeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 6 en 8 genoemde stof mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) en ten aanzien van de in de bewezenverklaring van feit 10 genoemde stof efedrine sprake is van een geneesmiddel als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet, nadere motivering.

2.7.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 11 vermelde stof pseudo-efedrine "een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement" in verbinding met art. 2, aanhef en onder a, Wet voorkoming misbruik chemicaliën is.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder 11 bewezenverklaard dat:

"hij, als marktdeelnemer, op 2 juli 2009 te Delft, opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr 273/2004 van het Europees Parlement, te weten pseudo-efedrine en piperonal, zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit heeft gehad."

3.3.

Op de grond die is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 22 is het middel, voor zover het hierover klaagt, terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1, 2, 6, 8, 10 en 11 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2016.