Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2171

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
15/02141
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:449, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1065, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Uitleg van algemeen verbindend verklaarde cao. Recht in de zin van art. 79 RO. Betekenis van begrip ‘onderneming’ in werkingssfeerbepaling. Moet ingeval vier vennootschappen deel uitmaken van een groep, de toepasselijkheid van de cao voor elke vennootschap afzonderlijk bezien worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1058
JAR 2016/249 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
AR 2016/2762
NJB 2016/1762
NJ 2016/427
JWB 2016/335
RvdW 2016/1007
TRA 2016/108 met annotatie van mr. J.N. Stamhuis
JAR 2016/249 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
RAR 2017/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 september 2016

Eerste Kamer

15/02141

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1] ,

2. [eiseres 2] ,

3. [eiseres 3] ,

4. [eiseres 4] ,
alle gevestigd te [plaats] ,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VERENIGING FNV BONDGENOTEN,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel.

Eiseressen zullen hierna ook gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres] en afzonderlijk als [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] en verweerster als FNV.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 839305/141 van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 14 februari 2013;

b. de arresten in de zaak HD 200.129.191/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2015 en 24 maart 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 3 februari 2015 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

FNV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) FNV is partij bij de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie vanaf in ieder geval 1 juli 2007. De opvolgende versies van deze cao hebben gegolden tot in ieder geval 30 juni 2013 en zijn algemeen verbindend verklaard voor de periode 6 oktober 2007 tot en met 30 juni 2009 en voor de periode van 16 juli 2011 tot en met 30 juni 2013.

(ii) [eiseres 2] is lid van Algemene Kokswaren en Snackproducenten Vereniging, die eveneens partij is bij de cao in de hiervoor bedoelde periode(s).

(iii) [eiseres 1] maakt gebruik van een geconsolideerde jaarrekening, waarin de resultaten van dochtermaatschappijen en deelnemingen zijn
verwerkt, waaronder [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] Al deze vennootschappen worden tezamen in de jaarrekening geduid als “groep”. Blijkens een door FNV overgelegd organogram wordt (de groep) [eiseres] centraal geleid door het bestuur van [eiseres 1]

(iv) De werkzaamheden binnen [eiseres 1] hebben betrekking op de staf of zijn ondersteunend van aard ten behoeve van de andere [eiseres] B.V.’s ( [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] ). [eiseres 2] houdt zich bezig met de productie van het assortiment gemaksvoeding als omschreven in de cao. [eiseres 3] houdt zich voornamelijk bezig met inkoop, opslag, verkoop en transport van het complete assortiment binnen [eiseres] , terwijl ook gehandeld wordt in gemaksvoeding afkomstig van andere producenten en een aantal non-foodartikelen voornamelijk gerelateerd aan de consumptie van gemaksvoeding.

( v) Eind 2012 is een overeenkomst van koop en verkoop van activa en passiva gesloten tussen [eiseres 1] , [eiseres 4] en [eiseres 3] enerzijds en Sligro Food Group Nederland B.V. anderzijds. Met ingang van 1 januari 2013 zijn indirecte werknemers van [eiseres 3] en een deel van de werknemers van [eiseres 1] overgegaan naar Sligro, terwijl een aantal van de directe werknemers (chauffeurs en orderpickers) in de loop van 2013 naar Sligro zijn overgegaan. [eiseres 1] , [eiseres 4] en [eiseres 3] zijn hierdoor inmiddels lege vennootschappen.

(vi) De werkingssfeer van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie wordt bepaald in de art. 1.1-1.3 daarvan. Deze luidden in de hier relevante periode als volgt.

“1.1 Welke ondernemingen?

Deze CAO is van toepassing op ondernemingen in Nederland in de gemaksvoedingindustrie, inclusief de kokswaren- en snackindustrie. Dit zijn (onderdelen van) ondernemingen die etenswaren klaarmaken zoals omschreven in artikel 1.2.

De (onderdelen van) ondernemingen doen dit

• fabrieksmatig

• in groot- of kleinbedrijf en

• geheel of grotendeels. Dit betekent dat (het onderdeel van) de onderneming 50% of meer van de verloonde arbeid aan de productie of groothandel van deze etenswaren besteedt, of dat de omzet van deze etenswaren 50% of meer van de totale omzet bedraagt.

Ook op ondernemingen die etenswaren maken of samenstellen die als gemaksvoeding kunnen worden aangemerkt, is deze CAO van toepassing.

1.2

Wat is gemaksvoeding?

[volgt omschrijving van verschillende producten, zoals kroketten, bitterballen enz.]

1.3

Een andere CAO?

“Als minder dan 50% van de verloonde arbeid wordt besteed aan de productie of groothandel van gemaksvoeding en er in (het onderdeel van) de onderneming geen andere CAO geldt, dan is deze CAO van toepassing.

(…)”

3.2

FNV vordert in dit geding, kort gezegd, naleving van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie door [eiseres] vanaf 1 juli 2007. Volgens FNV vormden [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] in de in deze zaak relevante periode één onderneming in de zin van de hiervoor in 3.1 onder (vi) aangehaalde werkingssfeerbepaling van de cao en voldeed die onderneming aan de omschrijving van die bepaling.

3.3.1

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Daartoe overwoog hij dat het bij ‘onderneming’ in de werkingssfeerbepaling van de cao gaat om het complex van bedrijfsactiviteiten dat wordt uitgeoefend door de natuurlijke of rechtspersoon die als werkgever optreedt. Daarom dient voor iedere rechtspersoon afzonderlijk te worden bezien of aan de omschrijving van die bepaling is voldaan. Naar de kantonrechter vaststelde, heeft FNV niet aangevoerd dat ten aanzien van [eiseres 1] , [eiseres 3] en [eiseres 4] afzonderlijk aan die omschrijving is voldaan. (rov. 9-12)

3.3.2

Het hof heeft in zijn eerste tussenarrest overwogen dat de activiteiten van de vier [eiseres] vennootschappen wel kunnen worden aangemerkt als één onderneming in de zin van de werkingssfeerbepaling van de cao. Volgens het hof is deze onderneming gericht op de productie en groothandel in gemaksvoeding. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de activiteiten van [eiseres 1] een afhankelijk karakter hebben in die zin dat bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium (50% of meer) ook behoren te worden betrokken de arbeidsuren die in de onderneming worden gemaakt door anderen dan de werknemers die de in de werkingssfeerbepaling genoemde werkzaamheden verrichten, teneinde deze werknemers daartoe in staat te stellen of hun daartoe de noodzakelijke ondersteuning te bieden. (rov. 3.5.2)

In zijn tweede tussenarrest heeft het hof tussentijds cassatieberoep opengesteld.

3.4.1

Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de activiteiten van de vier [eiseres] vennootschappen kunnen worden aangemerkt als één onderneming in de zin van de werkingssfeerbepaling van de cao.

3.4.2

Uit hetgeen hiervoor in 3.1 onder (i) is overwogen, volgt dat de in deze zaak relevante versies van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie moeten worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO. De door het middel aan de orde gestelde uitleg van de werkingssfeerbepaling van die cao’s is dan ook een rechtsoordeel (vgl. o.m. HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142, rov. 3.5.1 (Vector)).

3.4.3

Uit de tekst en systematiek van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie volgt dat ook indien sprake is van samenwerking in een groep of concern door meerdere rechtspersonen zoals voor dit geval door het hof is vastgesteld, voor iedere rechtspersoon afzonderlijk dient te worden bezien of de cao van toepassing is. De omschrijving in de werkingssfeerbepaling “(onderdelen van) ondernemingen” zou anders geen begrijpelijke betekenis hebben, nu deze naar objectieve maatstaven uitgelegd, betrekking heeft op het geval dat onderdelen van ondernemingen zijn ondergebracht in verschillende rechtspersonen.

3.4.4

De uitleg dat voor iedere rechtspersoon afzonderlijk dient te worden bezien of de cao van toepassing is, strookt met de omschrijving van het begrip ‘werkgever’ in art. 2.1 van de cao, luidende “een (natuurlijke of rechts-) persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst één of meer werknemers in dienst heeft in zijn onderneming”. Opmerking verdient dat zij ook strookt met de latere versie van de cao, die eveneens algemeen verbindend is verklaard (besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2014, Stcrt. 20 maart 2014, nr. 1049) en dus recht is in de zin van art. 79 RO. In die versie is bepaald dat de cao ziet op “iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap in Nederland die in hoofdzaak, dat wil zeggen gebruikelijk minimaal 50% van de verloonde arbeid, besteden aan het fabrieksmatig produceren van gemaksvoeding, koks- en snackwaren en die deze etenswaren niet ter onmiddellijke consumptie levert.” Deze wijziging is door de minister in de preambule van zijn besluit toegelicht met de volgende passage:

“Ten aanzien van de (gestelde) werkingssfeeruitbreiding hebben cao-partijen in reactie op de bedenkingen verklaard dat met het aanpassen van de werkingssfeer een verduidelijking van de bestendige praktijk van toetsing op basis van verloonde arbeid is beoogd. Van een uitbreiding van de werkingssfeer is derhalve geen sprake.”

3.4.5

Het oordeel van het hof dat de toepasselijkheid van de cao in dit geval moet worden bezien voor de vier [eiseres] vennootschappen tezamen, is dus onjuist.
De hierop gerichte klacht van het middel slaagt derhalve. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt FNV in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 952,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 september 2016.