Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2135

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
15/05738
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4875, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 21, lid 8, SW, art. 10a Uitv.besl. SW. Waarde economisch verkeer van verhuurde woningen. Leegwaarderatio onverbindend als uitkomst in betekenende mate afwijkt van werkelijke waarde op WOZ-waardepeildatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2293 met annotatie van Fiscaal up to Date
ERF-Updates.nl 2016-0182
NLF 2016/0347 met annotatie van Reinier Kooiman
V-N Vandaag 2016/2006
Belastingadvies 2016/20.9
V-N 2016/51.14
RN 2016/102
BNB 2016/234
FED 2017/2
mr. E. Alink RB annotatie in NTFR 2016/2378

Uitspraak

23 september 2016

nr. 15/05738

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 november 2015, nr. 13/00765, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3936) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de erfbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Op 11 augustus 2010 is overleden [A] (hierna: erflaatster). Belanghebbende is de zoon van erflaatster en enig erfgenaam.

2.1.2.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoren vijf onroerende zaken. De onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] werd door erflaatster zelf bewoond. De overige onroerende zaken, gelegen in [Q], werden verhuurd.

2.1.3.

In de aangifte erfbelasting is voor de verhuurde onroerende zaken de waarde in het economische verkeer aangegeven overeenkomstig een taxatie naar de waarde op 12 juli 2011. Deze taxatie heeft plaatsgevonden op verzoek van belanghebbende en de Belastingdienst [Q] om de marktwaarde in verhuurde staat per die datum vast te stellen voor een overdracht/schenking in de familiesfeer.

2.1.4.

De waarde van de verhuurde onroerende zaken is als volgt in de aangifte erfbelasting vermeld:

[b-straat] 9-11 parterre bedrijfsruimte € 350.000

[b-straat] 9-1e etage € 165.000

[c-straat] 24-26 € 800.000

[d-straat] 127-139 € 2.850.000

totaal € 4.165.000

2.1.5.

In de bijlage ‘W.O.Z.-fictie’ bij de aangifte erfbelasting is voor de waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2010 een totaalbedrag vermeld van € 9.814.500 voor alle verhuurde onroerende zaken. Met inachtneming van artikel 21, lid 8, van de Successiewet 1956 (tekst 2010; hierna: SW) in samenhang met de zogenoemde leegwaarderatio van artikel 10a Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (hierna: UBSW) is voor de verhuurde onroerende zaken in deze bijlage onder het kopje ‘fictieve waarde fiscus’ een totaalbedrag van € 5.945.214 vermeld.

2.1.6.

In een ander taxatierapport zijn voor de verhuurde onroerende zaken de volgende waarden per waardepeildatum 1 januari 2009 vermeld:

[b-straat] 9-11 parterre bedrijfsruimte € 350.000

[b-straat] 9-1e etage € 165.000

[c-straat] 24-26 € 750.000

[d-straat] 127-139 € 2.740.000

totaal € 4.005.000

2.1.7.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur, in afwijking van de aangifte, de verhuurde onroerende zaken in aanmerking genomen voor een waarde van € 5.945.214.

2.2.

Voor het Hof was onder meer in geschil of hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174 (hierna: het arrest BNB 2015/174) ook met betrekking tot de berekening van de erfbelasting tot gevolg kan hebben dat de in een uitvoeringsbesluit neergelegde wijze van waardebepaling buiten toepassing blijft indien aannemelijk is dat die aldus vastgestelde waarde in betekenende mate afwijkt van de waarde in het economische verkeer ten tijde van het belastbare feit.

2.3.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het heeft vastgesteld dat de waarde per 1 januari 2009 van de verhuurde onroerende zaken [c-straat] 24 en 26 en [d-straat] 127 tot en met 139 volgens een door belanghebbende in het geding gebracht – door de Inspecteur niet bestreden – taxatierapport meer dan tien percent afwijkt van de waarde op basis van de WOZ-waarde met toepassing van de in artikel 10a UBSW geregelde leegwaarderatio. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich daarom op de onverbindendheid van deze regeling kan beroepen. Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de aanslag verminderd overeenkomstig de in het taxatierapport genoemde waarden van voormelde verhuurde onroerende zaken.

2.4.

Tegen dit oordeel en deze beslissing keert zich het middel met de klacht dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat bij het vaststellen van de waarde van verhuurde onroerende zaken met toepassing van artikel 10a UBSW, als grondslag voor een aanslag erfbelasting, sprake is van eenzelfde “stapeling van forfaits” als die in het arrest BNB 2015/174 is onderkend ten aanzien van de berekening van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

2.5.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de in artikel 21, lid 8, SW opgenomen regeling heeft willen voorkomen dat het gebruik van de WOZ-waarde bij de heffing van schenk- en erfbelasting ertoe leidt dat verhuurde woningen in aanmerking worden genomen voor een waarde die te ver afwijkt van de werkelijke waarde daarvan in het economische verkeer (vgl. Kamerstukken II 2008/2009, 31 930, nr. 3, blz. 36). In overeenstemming daarmee is opgemerkt dat het ter uitvoering van artikel 21, lid 8, SW strekkende artikel 10a UBSW zal verzekeren dat de heffingsgrondslag marktconform zal zijn (vgl. Kamerstukken II 2008/2009, 31 930, nr. 9, blz. 91).

2.6.

Artikel 10a UBSW (bezien in samenhang met artikel 21, lid 8, SW) heeft derhalve met artikel 17a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (beschouwd tegen de achtergrond van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001) gemeen dat de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid beperkt is tot het treffen van een regeling waardoor de grondslag van de belastingheffing bij benadering overeenkomt met de waarde in het economische verkeer van verhuurde onroerende zaken.

2.7.

Daarom kan niet worden gezegd dat het Hof aan het arrest BNB 2015/174 een onjuiste of te vergaande betekenis heeft toegekend. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat het bij de beoordeling van de nu in geschil zijnde aanslag erfbelasting niet gaat om een forfaitair rendement van de onroerende zaken waarop die aanslag (mede) betrekking heeft.

Het middel is daarom tevergeefs voorgesteld.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2016.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.