Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2118

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
15/03346
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:475, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7891, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:1332, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

IPR; goederenrecht. Toepasselijk recht op eigendom van auto’s die zich in Nederland bevinden; betekenis van eerdere verkrijging van de auto’s in het buitenland (art. 10:127 leden 4 en 5 BW). Is voor bezitsverkrijging voor een ander (art. 3:110 BW) vereist dat die ander ten tijde van de verkrijging bepaald, althans bepaalbaar is? Reactie op betwisting van echtheid van handtekening toereikend?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 110
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 127
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/325
RvdW 2016/953
NJB 2016/1715
JOR 2016/323 met annotatie van prof. mr. H.L.E. Verhagen
NJ 2018/177 met annotatie van Th.M. de Boer
INS-Updates.nl 2016-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 september 2016

Eerste Kamer

15/03346

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur,

t e g e n

Evelyne KORN, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar buitenlands recht Daytona Investments S.A.,
gevestigd te Luxembourg, Luxemburg,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], Daytona en respectievelijk de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 364666/HA ZA 07-704 van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008 en 13 juli 2011, hersteld bij vonnis van 3 augustus 2011;

b. het arrest in de zaak 200.093.246/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 december 2011 en het arrest in de zaken 200.093.246/01 en 200.093.405/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 7 april 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Daytona heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 17 juni 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Daytona is een door Trust International Luxemburg in trust gehouden rechtspersoon, waarvan J. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) tot zijn overlijden op 1 januari 2006 enig begunstigde was. Na het overlijden van [betrokkene 1] is zijn voormalig partner [betrokkene 2] enig begunstigde geworden.

(ii) [eiser] – de zoon uit een eerder huwelijk van [betrokkene 1] – is directeur tevens enig aandeelhouder van Texag Amsterdam B.V. (hierna: Texag).

(iii) Texag houdt in haar bedrijfspand in Nederland een aantal klassieke auto’s, waaronder de auto’s die als nummers 1 tot en met 39 worden vermeld op de in rov. 3.2 van het bestreden arrest weergegeven lijst. De waarde van deze collectie bedraagt circa € 20.000.000,--.

(iv) Nadat [eiser] het onderhavige cassatieberoep had ingesteld, is Daytona bij vonnis van het Tribunal d’Arrondissement de et à Luxembourg van 27 november 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig. De curator heeft verklaard de onderhavige procedure over te nemen.

3.2.1

Voor zover in cassatie van belang ziet het geschil tussen partijen op de vraag of [eiser] dan wel Daytona eigenaar is van de hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde auto’s met de nummers 1, 3, 5, 6, 10, 13-18, 20, 21, 23-25, 29 en 30 (hierna: de auto’s).

3.2.2

De rechtbank heeft in haar eindvonnis in conventie onder meer geoordeeld – kort gezegd – dat de auto’s eigendom van Daytona zijn.

Ook het hof heeft geoordeeld dat de auto’s eigendom van Daytona zijn (rov. 3.26) en heeft het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. De overwegingen van het hof zullen voor zover nodig hieronder worden weergegeven.

3.3.1

Onderdeel 1 komt op tegen rov. 3.8, waar het hof heeft overwogen:

“Aan de orde bij de vraag naar de eigendom van de auto’s is dan, in welke hoedanigheid [eiser] ten opzichte van (de rechtsvoorganger van) Daytona de auto’s in zijn macht heeft gekregen: voor zichzelf, dan wel in enigerlei hoedanigheid als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona. Deze vraag wordt krachtens art. 10:127 BW beheerst door Nederlands recht, nu (daargelaten een enkele tijdelijke verplaatsing naar het buitenland voor revisie) alle auto’s zich in Nederland bevinden.”

Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat uit art. 10:127 leden 1, 4 en 5 BW volgt dat de vraag in welke hoedanigheid een persoon een roerende zaak verkrijgt – en daarmee ook de vraag wie door de overdracht eigenaar is geworden – in beginsel dient te worden beantwoord naar het recht van het land waar die zaak zich bevond op het moment van de verkrijging, terwijl de latere verplaatsing van die zaak (in dit geval de verplaatsing van de auto’s naar Nederland) in die eigendomspositie in beginsel geen verandering brengt. Mocht het hof een en ander niet hebben miskend, dan is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van de onbestreden stellingen van [eiser] dat hij de auto’s (met uitzondering van de auto met nummer 1) heeft verworven terwijl zij zich in het buitenland bevonden, dat de koopcontracten op zijn naam staan en dat de auto’s in het buitenland aan hem zijn geleverd, aldus het onderdeel.

3.3.2

Het onderdeel treft doel. Het hof heeft terecht onderkend dat het in dit geding gaat om de vraag in welke hoedanigheid [eiser] (dan wel Texag) elk van de auto’s heeft verkregen – voor zichzelf dan wel in enigerlei hoedanigheid als houder voor (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona – en welke gevolgen die hoedanigheid heeft voor de eigendomsverkrijging van elk van die auto’s door [eiser] (dan wel Texag) respectievelijk Daytona. Het hof heeft echter uit het oog verloren dat beantwoording van laatstgenoemde vraag ingevolge art. 10:127 lid 5 in verbinding met lid 4 BW – overeenstemmend met art. 2 lid 5 respectievelijk lid 4 Wet conflictenrecht goederenrecht (oud) – voor elk van de auto’s moet geschieden aan de hand van het recht van de staat op welks grondgebied de desbetreffende auto zich bevond op het tijdstip van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling. Daarbij is van belang dat [eiser] heeft aangevoerd dat hij elk van de auto’s (met uitzondering van de auto met nummer 1) heeft verkregen op een moment dat deze zich in het buitenland bevond en het hof deze stelling niet heeft verworpen.

3.3.3

Opmerking verdient dat bij de vaststelling van het ingevolge art. 10:127 lid 5 in verbinding met lid 4 BW ten aanzien van elk van de auto’s toepasselijke goederenrecht, niet van belang is door welk recht de koopovereenkomst met betrekking tot elk van die auto’s wordt beheerst, en evenmin welk recht van toepassing is op de verbintenissen tussen [eiser] (dan wel Texag) (als vertegenwoordiger) enerzijds en (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona (als vertegenwoordigde) anderzijds.

3.4.1

Onderdeel 3.1 klaagt onder meer dat het hof (in de rov. 3.22, 3.23 en 3.25) heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 3:110 BW, door te miskennen dat voor de verkrijging van een zaak voor een derde op de voet van art. 3:110 BW is vereist dat er uiterlijk bij de overdracht een rechtsverhouding bestaat die ertoe strekt dat de (veronderstelde) houder de zaak houdt voor een of meer bepaalde, althans bepaalbare derden.

3.4.2

Art. 3:110 BW – dat slechts van belang is voor de auto’s die zich op het tijdstip van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling in Nederland bevinden (zie hiervoor in 3.3.2) – bepaalt dat indien tussen twee personen een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat hetgeen de ene op bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden gehouden, de ene het ter uitvoering van die rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander houdt.

Het hof heeft in rov. 3.23 geoordeeld dat [eiser] bij de overdracht van de auto’s noch voor zichzelf, noch voor Texag heeft gehandeld, maar – krachtens overeenkomst – voor de rechtspersoon die [betrokkene 1] daarvoor aanwees en die uiteindelijk Daytona is geworden. Hierin ligt besloten dat het hof voldoende bepaalbaar achtte voor wie [eiser] (dan wel Texag) ten tijde van de eigendomsoverdracht de auto’s hield, kennelijk op grond van een rechtsverhouding uit overeenkomst. Het onderdeel, wat daarvan verder zij, mist dus feitelijke grondslag.

3.5.1

Onderdeel 4.1 keert zich tegen rov. 3.24, waar het hof heeft overwogen:

“Voor zover [eiser] zich nog heeft beroepen op de verklaring van erflater d.d. 26 februari 2004 heeft te gelden dat Daytona de echtheid van de handtekening onder deze verklaring gemotiveerd heeft betwist en deze betwisting door overlegging van een verklaring van een deskundige heeft onderbouwd. Daarop heeft [eiser] niet (voldoende) gereageerd, zodat het beroep op dat document [eiser] niet meer kan baten.”

Het onderdeel klaagt dat [eiser] inhoudelijk heeft gereageerd op de betwisting door Daytona van de echtheid van handtekening onder de verklaring van [betrokkene 1], en dat [eiser] daarbij heeft verwezen naar een door hem overgelegd rapport van handschriftdeskundige J. Vlecken dat zijn standpunt onderschrijft, en naar een onderzoek door Niehoff en De Jong waarvan de resultaten bij Daytona bekend (moeten) zijn, maar die laatstgenoemde niet heeft geopenbaard. Ook heeft [eiser] toegelicht waarom de originele verklaring van [betrokkene 1] ontbreekt. Ten slotte is van belang dat Daytona de echtheid van de handtekening eerst bij memorie van antwoord heeft betwist, zodat [eiser] niet eerder dan bij pleidooi in hoger beroep op die betwisting heeft kunnen reageren, aldus het onderdeel.

3.5.2

Deze klacht is gegrond. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom de inhoudelijke en met behulp van een deskundigenrapport onderbouwde reactie van [eiser] op de betwisting door Daytona van de echtheid van de handtekening onder de verklaring van [betrokkene 1] ontoereikend zou zijn. In dit verband verdient opmerking dat Daytona de echtheid van de handtekening eerst bij memorie van antwoord heeft betwist, zodat [eiser] niet eerder dan bij pleidooi in hoger beroep op die betwisting kon reageren.

3.6

Onderdeel 5, dat is gericht tegen de rov. 3.26, 3.27 en 3.42, die voortbouwen op de in de onderdelen 1 en 4.1 met succes bestreden oordelen in de rov. 3.8 en 3.24, slaagt eveneens.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.8

Na verwijzing zal voor elk van de auto’s moeten worden onderzocht of naar het recht van de staat op welks grondgebied de desbetreffende auto zich bevond op het tijdstip van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling, een soortgelijke regel bestaat als art. 3:110 BW die leidt tot een directe eigendomsverkrijging door de (rechts)persoon voor wie [eiser] (dan wel Texag) de desbetreffende auto verkreeg. Voor zover, al dan niet veronderstellenderwijs, tot uitgangspunt moet dienen dat de eigendom van een auto, ingevolge het recht van de staat op welks grondgebied de desbetreffende auto zich bevond op het tijdstip van de op eigendomsoverdracht gerichte rechtshandeling, is verkregen door [eiser] (dan wel Texag), zal onderzocht moeten worden of die eigendom op enig moment nadien – al dan niet na overbrenging van de auto naar Nederland – is overgedragen aan (de rechtsvoorganger dan wel de economisch belanghebbende van) Daytona, zulks overeenkomstig de door het hof (in rov. 3.23) vastgestelde rechtsverhouding die [eiser] (dan wel Texag) daartoe verplichtte.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 497,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 september 2016.