Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
15/01895
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2648, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:689, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De kennelijke opvatting van het middel dat omstandigheden die worden gebruikt ter motivering van de straf moeten kunnen worden ontleend aan de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsmiddelen dan wel aan nader aangeduide bewijsmiddelen stelt een eis die het recht niet kent. Voldoende is dat van die omstandigheden ter terechtzitting is gebleken (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AU7119).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/412
RvdW 2016/302
SR-Updates.nl 2016-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 februari 2016

Strafkamer

nr. S 15/01895

ABO/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2015, nummer 23/003444-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E. de Jong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt over de strafmotivering.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging tegen personen en goederen veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de strafmotivering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met een groep Ajax-supporters openlijk geweld gepleegd tegen personen en goederen. De verdachte is op 1 oktober 2013, de dag van de voetbalwedstrijd tussen Ajax en AC Milan, betrokken geweest bij ongeregeldheden op het metrostation Van der Madeweg. Daarbij heeft een grote groep Ajax-'supporters' een metro, waarin supporters van AC Milan en andere mensen zaten, aangevallen. Personen uit de groep van verdachte hebben met voorwerpen, waaronder riemen, naar de metro en inzittenden geslagen. Verdachte zelf heeft een supporter met zijn vuist tegen het hoofd geslagen en met zijn riem geslagen tegen het metrotoestel. Dergelijke gebeurtenissen maken een diepe en beangstigende indruk op diegenen die daarvan slachtoffer of rechtstreeks getuige zijn. Ook zorgen dergelijke gebeurtenissen voor grote onrust in de samenleving.

Openlijk geweld van deze orde en ernst moet in beginsel worden bestraft met een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiƫle Documentatie van 5 februari 2015 is de verdachte eerder veelvuldig ter zake van geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld. Het hof ziet hierin aanleiding om in opwaartse zin van de oriƫntatiepunten af te wijken. Het hof is van oordeel dat een aanzienlijk hogere taakstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd op zijn plaats is, gelet op de ernst en agressieve aard van het bewezen verklaarde en de rol daarin van de verdachte, mede gelet op diens leeftijd. Het hof zal afzien van een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden."

2.3.

Het middel berust kennelijk op de opvatting dat omstandigheden die worden gebruikt ter motivering van de straf moeten kunnen worden ontleend aan de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsmiddelen dan wel aan nader aangeduide bewijsmiddelen, maar daarmee stelt het een eis die het recht niet kent. Voldoende is dat van die omstandigheden ter terechtzitting is gebleken (vgl. HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119).

2.4.

Het middel faalt derhalve.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2016.