Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2093

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
15/01036
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:445, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Caribische zaak. Erfgenamen verwijten gedaagde het opzettelijk wegsluizen van gelden van de erflater. Slagende motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/324
NJB 2016/1714
RvdW 2016/957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 september 2016

Eerste Kamer

15/01036

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [verzoekster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoekster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [verzoekster 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [verzoeker 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [verzoekster 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers] en [verweerder] .

1 Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het arrest in de zaak 13/00491, ECLI:NL:HR:2014:272, van de Hoge Raad van 7 februari 2014;

b. de vonnissen in de zaak AR 30603/11-H 219/11 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 september 2014 en 2 december 2014.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 2 december 2014 hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [betrokkene] c.s. toegelicht door hun advocaat en mede door mr. M.H.K. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het vonnis van het Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 2 december 2014 en tot terugwijzing.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 10 juni 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verzoekers] zijn gerechtigd tot de nalatenschap van hun vader [betrokkene] , overleden op 20 december 2005 (hierna: erflater).

  • -

    ii) Erflater heeft op 27 augustus 2004 ten titel van koop voor een totale koopprijs van USD 2.400.000,-- twee percelen grond met daarop een in aanbouw zijnd hotel alsmede een recht van erfpacht, geleverd aan Zorg en Hoop Investments N.V. (hierna: Zorg en Hoop), waarvan [verweerder] beneficial owner is.

  • -

    iii) Daaraan voorafgaand, te weten op 18 juni 2004, was ten laste van de rekening van erflater bij Bank of New York een cheque aan erflater uitgeschreven voor een bedrag van USD 1.000.000,--. Die cheque is vervolgens geëndosseerd ter storting op een rekening met nummer [001] bij RBTT Bank N.V. ten name van Cashtra N.V. (hierna: Cashtra).

  • -

    iv) [verweerder] heeft op of omstreeks 19 augustus 2004 aan RBTT Bank N.V. opdracht gegeven ten laste van de hiervoor onder (iii) genoemde rekening met nummer [001] een cheque op te maken voor een bedrag van USD 1.400.000,-- ten name van erflater. Deze cheque met nummer [002] is ten tijde van het passeren van de akte van levering op 27 augustus 2004 aan erflater overhandigd als deelbetaling van de hiervoor onder (ii) vermelde koopprijs. Daarna is de cheque geëndosseerd aan Cashtra en op 29 september 2004 afgeschreven van de rekening van RBTT Bank N.V. bij Wachovia Bank. Het bedrag van deze cheque is op 29 september 2004 bijgeschreven op de rekening van Cashtra met nummer [003] bij Merrill Lynch. [verweerder] is zonder beperkingen bevoegd over deze rekening van Cashtra te beschikken.

  • -

    v) Op vordering van [verzoekers] heeft het gerecht bij vonnis van 11 april 2011 de koopovereenkomst tussen erflater en Zorg en Hoop vernietigd zonder dat [verzoekers] zijn gehouden de koopprijs terug te betalen.
    Het gerecht heeft Zorg en Hoop veroordeeld tot teruglevering van het door erflater verkochte en geleverde onroerend goed. Bij vonnis van 30 oktober 2012 heeft het hof dat vonnis van het gerecht bevestigd en bepaald dat, nadat Zorg en Hoop aan haar verplichting tot levering van de onroerende goederen en het erfpachtsrecht heeft voldaan en nadat Cashtra aan de haar bij vonnis van dezelfde datum in de samenhangende zaak tussen [verzoekers] en Cashtra bevestigde veroordeling tot betaling van USD 1.400.000,-- aan [verzoekers] heeft voldaan, [verzoekers] verplicht zijn USD 400.000,-- aan Zorg en Hoop te betalen.

3.2.1

In dit geding hebben [verzoekers] het gerecht verzocht Cashtra en [verweerder] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van USD 1.400.000,-- met rente en kosten.
Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat dit bedrag onverschuldigd aan Cashtra is betaald en dat [verweerder] op grond van onrechtmatige daad mede aansprakelijk is voor de terugbetaling ervan.

3.2.2

Het gerecht heeft Cashtra bij vonnis van 18 oktober 2010 veroordeeld tot terugbetaling aan [verzoekers] van het door erflater betaalde bedrag van USD 1.400.000,-- en heeft het meer of anders gevorderde, waaronder de tegen [verweerder] ingestelde vordering, afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis waarvan beroep bevestigd. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

“2.5 Het Hof heeft in het hoger beroep dat door Cashtra werd ingesteld tegen het bestreden vonnis, bij vonnis van 18 oktober 2010 geoordeeld dat het hoger beroep van Cashtra tevergeefs werd voorgesteld en het Hof heeft het bestreden vonnis ten aanzien van Cashtra bevestigd.

(…)

2.8

[verweerder] heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat er sprake is van vereenzelviging. Hij heeft voorts betwist dat [verzoekers] aanspraak kunnen maken op de betaalde koopsom van USD 1.400.000,00 omdat de koop inmiddels is vernietigd. Door de vernietiging zijn de aanvankelijk verkochte percelen in de boedel teruggevloeid en kan geen aanspraak gemaakt worden op de betaalde koopsom, aldus [verweerder] . [verweerder] betwist daarom ook dat [verzoekers] schade hebben geleden. [verzoekers] hebben naar aanleiding van dit verweer volstaan met de stelling dat zij door toedoen van [verweerder] niet de beschikking hebben over het bedrag van USD 1.400.000,00 dat zij eventueel zouden moeten terugbetalen aan Zorg en Hoop wegens de vernietiging van de koopovereenkomst. Deze stelling mist feitelijke onderbouwing. Het bedrag van USD 1.400.000,00 is immers niet door Zorg en Hoop, maar door Cashtra (met grotendeels van [betrokkene] afkomstige gelden) betaald, waarna wijlen [betrokkene] dit bedrag weer heeft terugbetaald aan Cashtra. Van enig vorderingsrecht van Zorg en Hoop jegens [verzoekers] wegens vernietiging van de koopovereenkomst is niet gebleken. [verzoekers] hebben derhalve niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij schade hebben geleden. Gelet op de vernietiging van de koopovereenkomst is evenmin gebleken dat de (terug)betaling van het bedrag van USD 1.400.000 aan Cashtra nog een onverschuldigd karakter draagt. [verzoekers] hebben daarvoor in het kader van dit hoger beroep en in het licht van de vernietiging van de koopovereenkomst onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of sprake is van vereenzelviging van [verweerder] met Cashtra.”

3.3.1

Onderdeel 1 bevat geen klachten. Onderdeel 2.1 klaagt onder meer over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [verzoekers] hun stelling dat zij schade hebben geleden, onvoldoende hebben onderbouwd. In de klacht wordt erop gewezen dat [verzoekers] die stelling in de memorie van grieven op p. 4 en in de pleitnota in hoger beroep onder 7 hebben onderbouwd.

3.3.2

De klacht slaagt. [verzoekers] hebben op de in de klacht aangehaalde vindplaatsen in de memorie van grieven en de pleitnota in hoger beroep uiteengezet dat zij schade lijden doordat [verweerder] , misbruik makend van zijn zeggenschap in de rechtspersonen Zorg en Hoop en Cashtra, aan [betrokkene] zonder enige aanwijsbare reden of rechtsgrond het grootste deel van zijn vermogen heeft ontfutseld, waaronder USD 1.000.000,-- in contanten, dat Cashtra geen verhaal biedt en dat het bedrag van USD 1.400.000,-- aan [verweerder] ten goede is gekomen.
Niet valt in te zien dat zij hiermee hun stelling dat zij schade hebben geleden, onvoldoende hebben onderbouwd.
Het andersluidende oordeel van het hof is onbegrijpelijk. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.4.1

Onderdeel 2.2 klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de (terug)betaling van USD 1.400.000,-- aan Cashtra nog een onverschuldigd karakter draagt, onbegrijpelijk is, aangezien het hof in rov. 2.5 van het bestreden vonnis heeft vermeld dat het vonnis van het gerecht in de zaak van Cashtra in hoger beroep is bevestigd en gesteld noch gebleken is dat Cashtra van dat vonnis in cassatie is gegaan.

3.4.2

De klacht slaagt. Het gerecht heeft in de zaak van [verzoekers] tegen Cashtra en [verweerder] als vaststaand aangenomen dat erflater een bedrag van USD 1.400.000,-- onverschuldigd aan Cashtra heeft voldaan (rov. 3) en Cashtra veroordeeld dit bedrag aan [verzoekers] te betalen. In aanmerking genomen dat het hof bij de beoordeling van het onderhavige beroep heeft betrokken dat het vonnis in de zaak van [verzoekers] tegen Cashtra in hoger beroep was bevestigd (zie hiervoor in 3.2.3), is zijn oordeel dat niet is gebleken dat de (terug)betaling van USD 1.400.000 door erflater aan Cashtra nog een onverschuldigd karakter draagt (rov. 2.8), onbegrijpelijk. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.5

De klachten van de onderdelen 2.3 en 2.4 richten zich tegen overwegingen die voortbouwen op de overwegingen waartegen de hiervoor gegrond bevonden klachten zijn gericht, en slagen daarom eveneens.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 2 december 2014;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] begroot op € 403,18 aan verschotten, € 2.080,-- voor salaris aan de zijde van verzoekers sub 1 tot en met 4 en € 520,-- aan salaris aan de zijde van verzoeker sub 5.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 september 2016.