Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2066

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
15/01639
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:799, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:679, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Slagend middel m.b.t. het vaststellen van w.v.v. Het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld, is niet begrijpelijk, nu uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt van enige aanwijzing dat door de betrokkene een strafbaar feit is begaan, afgezien van het feit ter zake waarvan de betrokkene bij arrest van het hof van 27 februari 2015 is veroordeeld (kort gezegd: het medeplegen van witwassen), welk feit volgens het hof uitdrukkelijk niet aan de opgelegde betalingsverplichting ten grondslag ligt. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0348
RvdW 2016/987
NJB 2016/1720
JOW 2016/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2016

Strafkamer

nr. S 15/01639 P

CB/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015, nummer 23/005640-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Mesland, advocaat te Haarlem, en N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen "door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld".

2.2.1.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 52.250,- en de betrokkene de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen.

2.2.2.

Deze schatting is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van verhoor van 10 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte/veroordeelde:

De Audi Q7 is bij [A] in Amstelveen gekocht voor € 46.650 door [betrokkene 1], de dochter van mijn vrouw. Ik was bij de aankoop van de auto. De auto werd op haar naam gezet maar het was de auto voor mij en mijn vrouw. Ik heb de garage gevraagd de auto op naam te zetten van [betrokkene 1]. Ik ben 2 à 3 keer bij de garage geweest en heb zelf contant betaald.

De auto is verscheept van Amsterdam naar Ghana in een container waarin ik ook andere goederen had zitten. Het verschepen kostte ongeveer € 1.600. De container heeft in Ghana ongeveer € 4.000 à 5.000 aan invoerrechten gekost.

2. Een geschrift, zijnde een factuur van [A] BV d.d. 16 november 2007 welke als bijlage 1 aan deze aanvulling is gehecht.

3. Het overzichtsproces-verbaal van 12 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Bankrekeningen ABN AMRO:

Door het onderzoeksteam zijn de rekeningnummers van [betrokkene 2] en [betrokkene] en overige administratieve kenmerken gevorderd bij de ABN AMRO bank. Het antwoord van de ABN AMRO Bank hield in dat [betrokkene 2] en [betrokkene] gezamenlijk beschikken over twee rekeningen: een betaalrekening en een spaarrekening.

Uit de bankafschriften bleek dat er geen opname van een groot geldbedrag op of rond de datum van de aankoop van de Audi Q7 is geweest.

Belastingdienst

Door het onderzoeksteam zijn inkomensgegevens van [betrokkene 2] en [betrokkene] gevorderd bij de belastingdienst. Het antwoord van de belastingdienst hield het volgende in:

Inkomen per jaar van [betrokkene]

Jaartal Netto inkomen

2006 € 7.512

2007 € 21.774

2008 € 16.815

2009 € 15.026

2010 € 11.886

Inkomen per jaar van [betrokkene 2]

Jaartal Netto inkomen

2006 € 17.170

2007 € 17.019

2008 € 17.575

2009 € 17.062

2010 € 12.754

Bewijsoverwegingen:

Nu de veroordeelde heeft verklaard dat de container waarin de auto is verscheept naar Ghana ook andere goederen bevatte en dat de invoerrechten € 4.000 à € 5.000 bedroegen schat het hof de aan de auto toe te rekenen invoerrechten in het voordeel van de veroordeelde op € 4.000 Euro.

De veroordeelde heeft een auto aangeschaft met een waarde van € 46.650 en kosten gemaakt voor de verscheping daarvan naar Ghana, terwijl het gelet op zijn financiële positie niet verklaarbaar is hoe hij over de gelden daarvoor kon beschikken."

2.2.3.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak - voor zover in cassatie van belang - voorts het volgende overwogen:

"De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 december 2012 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van medeplegen van, witwassen.
Voorts heeft de rechtbank Haarlem bij vonnis van 20 december 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.125,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van witwassen.

(...)

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 52.250,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat nu de medeverdachte, [betrokkene 2], is vrijgesproken voor witwassen er geen mogelijkheid meer bestaat tot een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 52.250,00, heeft verkregen door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld.

Het hof komt tot de volgende berekening:

Aankoop auto € 46.650,00

Verscheping auto € 1.600,00

Invoerrechten Ghana € 4.000,00

Totaal € 52.250,00."

2.3.

Het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld, is niet begrijpelijk, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt van enige aanwijzing dat door de betrokkene een strafbaar feit is begaan, afgezien van het feit ter zake waarvan de betrokkene bij arrest van het Hof van 27 februari 2015 is veroordeeld (kort gezegd: het medeplegen van witwassen), welk feit volgens het Hof uitdrukkelijk niet aan de opgelegde betalingsverplichting ten grondslag ligt.

2.4.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2016.