Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:2047

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2016
Datum publicatie
09-09-2016
Zaaknummer
15/01321
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:143, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2807, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht, procesrecht. Vordering tot vernietiging testament. Geestelijke stoornis erflater? Stelplicht en bewijslast; bewijsaanbod in hoger beroep met verwijzing naar stellingen eerste aanleg.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/956
NJB 2016/1658
JWB 2016/320
NJ 2016/408
2017/3
FJR 2018/43.8
JBPR 2016/65 met annotatie van mr. F.J.P. Lock
JERF 2018/62
TvPP 2016, afl. 6, p. 162
PFR-Updates.nl 2016-0250
ERF-Updates.nl 2016-0176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 2016

Eerste Kamer

15/01321

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiseres 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de dochters en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 328404/HA ZA 09-201 van de rechtbank te 's-Gravenhage van 25 maart 2009 en 8 juni 2011;

b. de arresten in de zaak 200.095.685 van het gerechtshof Den Haag van 6 december 2011 en 24 juni 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 24 juni 2014 hebben de dochters beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de dochters heeft bij brief van 1 april 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 28 juli 2008 is overleden [betrokkene 1] (hierna: erflater of [betrokkene 1] ), geboren op [geboortedatum] 1930. Ten tijde van zijn overlijden was erflater weduwnaar en had hij drie dochters (hierna: de dochters).

(ii) Erflater was tandarts. Tot aan zijn overlijden woonde hij zelfstandig in een hem toebehorende woning te [plaats]. Hij oefende in de aan zijn woning grenzende praktijkruimte de tandartsenpraktijk uit.

(iii) [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1951 en gehuwd met [betrokkene 2] , heeft in de jaren 1970-1980 als tandartsassistent in de praktijk van erflater gewerkt. Vanaf 2001 is zij weer in de praktijk komen werken.

(iv) Erflater heeft in een op 23 mei 2008 ten overstaan van notaris [betrokkene 3] verleden akte (hierna: het testament) zijn eerdere wilsbeschikkingen gedeeltelijk herroepen, [verweerster] tot zijn enige erfgenaam benoemd en de dochters als verwachters van [verweerster] , en aan de dochters een geldbedrag gelegateerd.

(v) Op 22 juli 2008 is erflater opgenomen in het ziekenhuis Reinier de Graaf groep, locatie Reinier de Graaf Gasthuis, alwaar hij in aanwezigheid van de dochters is overleden.

(vi) In het ziekenhuisverslag is onder meer opgenomen:

“(…)

23/7/’08:

Al jaren cardiale klachten. (…)

(…)

CT-schedel: forse atrofie van het brein, geen bloeding of (voorlopig verslag) infarct.

(…)

Tijdens gesprek patiënt: weet niet waarom opgenomen – gaf aan dat hij van dochters moest, maar geen klachten had. Later zij hij dat hij door benauwdheid hier op de afdeling is gekomen. Laatste tijd slecht gegeten en gedronken. Kookt zelf niet, nooit. Loopt de laatste tijd slechter. Merkt zelf wel verward is geweest. Er is volgens hem nu niets aan de hand. Heeft ernstig facade gedrag + confabuleert over bijna alles. Heeft goed contact volgens hem met dochters, regelmatig contact. Vindt dit prettig. Wordt verzorgd door [verweerster] . Geeft aan dat zij geen liefdesrelatie hebben maar dat zij assistente is en een goede vriendin.

(…)”

(vii) In een brief van dr. H.J. Gilhuis, neuroloog, van 28 augustus 2008 aan de huisarts van erflater is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Bovengenoemde patiënt werd op 23-7-2008 op de CCU van de Reinier de Graaf Groep, locatie Delft gezien i.v.m. cognitieve functiestoornissen.

(…)

Conclusie: Multi-infarct dementie bij gegeneraliseerd vaatlijden en atriumfibrilleren.

Bespreking: (…) Gezien de ernst van de afwijkingen bij neurologisch onderzoek en op de ct scan cerebrum, zijn de afwijkingen minstens 2-3 jaar aanwezig.

(…)”

(viii) In een brief van dr. H.J. Gilhuis van 8 oktober 2008 aan de advocaat van de dochters is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Antwoord vraag 1:

Compos mentis betekent helder. Patiënt was helder, doch dementieel. Zoals reeds in ons schrijven staat aangegeven kan er gezien de anamnese en afwijking bij aanvullend onderzoek er vanuit gegaan worden dat deze afwijkingen al enige jaren bestonden. Gezien de ernst van de geheugenstoornissen, het gebrek aan ziekte inzicht, het gebrek aan oordelingsvermogen, het gebrek aan visueel-spatieel inzicht, allemaal passend bij een matig dementieel syndroom, kom ik tot de conclusie dat patiënt niet handelingsbekwaam was begin 2008.

(…)”

(ix) In een brief van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van 28 mei 2009 aan de advocaat van [verweerster] is onder meer opgenomen:

“(…)

In totaal zijn er met [betrokkene 1] drie besprekingen bij ons op kantoor gevoerd.

Deze besprekingen zijn gedaan in aanwezigheid van een kandidaat-notaris, maar overigens zonder aanwezigheid van anderen.

(…)

De eerste bespreking werd gevoerd door [betrokkene 4] , de beide andere besprekingen door [betrokkene 3] . Dat [betrokkene 4] niet alle gesprekken heeft gevoerd is gelegen in het feit dat hij [betrokkene 1] via de plaatselijke Rotary ook in de persoonlijke sfeer goed kende en ook zelf maar de schijn van professioneel onvoldoende afstand of onafhankelijkheid wilde voorkomen.

(…)

De persoon, zijn situatie, motieven en inhoudelijke wensen voor het testament waren voor ons reden om de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten bij het maken van het nieuwe testament. Dit heeft, naast het voorgaande, met name vorm gekregen in het tegen het “doorzagen” aan door te spreken en te vragen op deze punten. In alle gesprekken toonde [betrokkene 1] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties. Verder gaf hij in zijn antwoorden en reacties er blijk van de gevolgen van het nieuwe testament te overzien en te doorzien.

Samenvattend kunnen wij stellen en bevestigen dat in onze waarneming [betrokkene 1] zijn verklaringen zoals juridisch vastgelegd in het nieuwe testament heeft gewild. Er zijn ons in de gesprekken geen feiten of aanwijzingen gebleken waaruit een discrepantie tussen de (uiterste) wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid.

(…)”

3.2

De dochters hebben, voor zover thans van belang, primair de nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament gevorderd en subsidiair een verklaring voor recht dat [verweerster] aan het testament geen rechten kan ontlenen. De dochters hebben daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament dementerend was. Zij hebben zich in dat verband met name beroepen op de hiervoor in 3.1 onder (v)-(viii) vermelde feiten en omstandigheden. Verder hebben de dochters gesteld dat [verweerster] erflater ertoe heeft gebracht zijn testament ten gunste van haar te wijzigen.

[verweerster] heeft de vorderingen bestreden. Zij heeft betwist dat erflater aan een geestelijke stoornis leed en heeft gesteld dat hij, gezien de verstoorde relatie tussen hemzelf en de dochters, zelf zijn testament wilde wijzigen.

3.3

De rechtbank heeft de primaire vordering afgewezen, maar de subsidiaire vordering toegewezen en voor recht verklaard dat [verweerster] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan het testament. Wat betreft de primaire vordering heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende overwogen.

Onvoldoende is komen vast te staan dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament leed aan een geestelijke stoornis. Tot kort voor zijn overlijden woonde [betrokkene 1] nog zelfstandig thuis en was hij nog altijd als tandarts aan het werk. [verweerster] heeft voorts een groot aantal verklaringen van patiënten in het geding gebracht, waarin staat dat [betrokkene 1] als tandarts nog naar behoren functioneerde, en dat hij helder van geest was.
De conclusies van dr. Gilhuis en de door hem geschreven brieven (zie hiervoor in 3.1 onder (vii) en (viii)) houden geen verklaring in van een arts die erflater omstreeks het moment waarop het testament is opgemaakt, wat betreft zijn geestelijke vermogens heeft onderzocht. Uit de hiervoor in 3.1 onder (ix) bedoelde verklaring volgt dat de bij het opmaken van het testament betrokken notarissen geen reden hebben gehad om aan de geestvermogens van erflater te twijfelen. De dochters hebben hun stelling dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van zijn testament op 23 mei 2008 niet over zijn geestvermogens beschikte, dus onvoldoende onderbouwd, zodat het door hen gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd (rov. 4.1-4.5).

3.4.1

[verweerster] heeft tegen dit vonnis principaal beroep ingesteld en de dochters voorwaardelijk incidenteel beroep. Het hof heeft in het principale beroep het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van de dochters alsnog afgewezen. Het incidentele beroep werd ongegrond geoordeeld.

3.4.2

Kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, heeft het hof in het principale beroep als volgt overwogen.

Het testament is gemaakt door een klaarblijkelijk wilsbekwame erflater, die zorgvuldig door de instrumenterende notaris is voorgelicht en zijn wil herhaaldelijk buiten aanwezigheid van derden aan de notaris (en zijn kantoorgenoten) heeft kenbaar gemaakt. De notaris (en zijn kantoorgenoten) heeft (hebben) verklaard dat [betrokkene 1] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties toonde, en dat zij hem hebben ‘doorgezaagd’. Aldus hebben de notarissen uiterst zorgvuldig gehandeld en voldoende waarborgen ingebouwd om zelf te kunnen beoordelen of de erflater zijn wil kon bepalen en de (rechts)gevolgen van zijn nieuwe uiterste wil kon overzien. (rov. 14-16)

De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat een op zichzelf geldige erfstelling buiten toepassing wordt gelaten op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en de billijkheid (rov. 17, eerste alinea).

[verweerster] heeft erflater mogelijk beïnvloed om haar tot zijn erfgename te benoemen. Dit is echter niet een omstandigheid die maakt dat zij niet enig voordeel uit de nalatenschap van erflater zou mogen trekken. Het gaat er om of erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen. Ook als [verweerster] de familierelatie tussen erflater en zijn kinderen negatief zou hebben beïnvloed, of erflater in enige mate heeft geïsoleerd - hetgeen [verweerster] gemotiveerd heeft bestreden - zijn dit geen feiten of omstandigheden op grond waarvan zij geen voordeel uit de nalatenschap van erflater kan trekken. Het behoort tot het persoonlijke domein van erflater om zich door zijn eigen gevoelens en beweegredenen te laten leiden bij het formuleren van zijn uiterste wil. (rov. 17, tweede alinea)

De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het testament niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis (rov. 24).

3.4.3

In het voorwaardelijk incidentele beroep heeft het hof vooropgesteld dat de dochters tegen het passeren van het door hen gedane bewijsaanbod (slechts) als grief hebben aangevoerd:

“[De dochters] wensen ter onderbouwing van de door hen ingestelde voorwaardelijke grieven 1 tot en met 6 te verwijzen naar hetgeen door hen hieromtrent reeds is gesteld in eerste aanleg. [De dochters] verzoeken uw hof om het door hen in eerste aanleg gestelde hier als integraal ingelast en letterlijk herhaald te beschouwen.”

Een goede procesorde brengt volgens het hof mee dat geïntimeerden exact dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten. In het onderhavige geval hebben de dochters uitsluitend verwezen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben gesteld. Ze hebben geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het testament van erflater niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis.
De incidentele grieven slagen niet. (rov. 20-24)

3.5

Onderdeel 2.1.4 is gericht tegen rov. 14-16. Het onderdeel klaagt dat, indien de vaststaande feiten met betrekking tot de medische toestand van erflater niet voldoende zijn om vast te stellen dat erflater dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te bepalen, het hof het terzake dienende en gespecificeerde bewijsaanbod van de dochters ongemotiveerd heeft gepasseerd. Onderdeel 2.2.2 is gericht tegen de gronden die het hof in rov. 20-24 heeft aangevoerd om het bewijsaanbod van de dochters te passeren, en met name tegen het oordeel van het hof dat een goede procesorde meebrengt dat de dochters exact dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten en dat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben gesteld die meebrengen dat de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen.

3.6

Bij de beoordeling van de onderdelen wordt vooropgesteld dat het in dit geval gaat om de vraag of de toentertijd 77-jarige erflater, die iets meer dan twee maanden voor zijn overlijden zijn testament heeft gewijzigd in die zin dat hij een derde - met wie hij geen affectieve relatie had - bevoordeelde ten nadele van zijn dochters, in staat was zijn wil in vrijheid te vormen. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de erflater daartoe niet in staat is, rusten op degene die deze stelling aanvoert. In de regel voldoet de desbetreffende partij aan haar stelplicht door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt.

3.7.1

Naar vaste rechtspraak dient aan een grief de eis te worden gesteld dat voor de wederpartij voldoende kenbaar wordt gemaakt tegen welke oordelen van de eerste rechter de grief zich richt, en welke gronden daarvoor bestaan. In een geval waarin is volstaan met een verwijzing naar of herhaling van hetgeen in eerste aanleg is gesteld, hangt het af van de omstandigheden van het geval of aan deze eis is voldaan (vgl. HR 5 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AJ8236, NJ 1993/300). Aangenomen moet worden dat het hof op die eis heeft gedoeld met zijn oordeel in rov. 22 dat geïntimeerden ‘exact’ dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten. Voor zover het onderdeel hierover klaagt, faalt het dus.

3.7.2

Bij de beoordeling van de overige klachten van de beide onderdelen wordt vooropgesteld dat, voor zover een grief, zoals in dit geval, is gericht tegen het passeren van een bewijsaanbod in eerste aanleg - en dus mede valt aan te merken als een bewijsaanbod in hoger beroep - (ook) dit bewijsaanbod in hoger beroep voldoende specifiek en terzake dienend moet zijn. In haar algemeenheid valt niet te zeggen wanneer aan deze eisen is voldaan (zie HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 (OZ Export Planten/ [...] )).

3.7.3

Het in eerste aanleg gedane (en in hoger beroep herhaalde) bewijsaanbod van de dochters hield in dat erflater dementerend was, ten gevolge waarvan hij niet meer tot vrije wilsvorming in staat was. De dochters hebben in dit verband aangeboden zichzelf als partijgetuigen te doen horen, en bovendien nog een aantal personen die familielid, vriend, kennis dan wel patiënt van erflater waren als getuigen en daarnaast de twee neurologen die de cognitieve functies van erflater na 22 juli 2008 hebben onderzocht als deskundigen.
De dochters hebben voorts de voormelde verklaringen van de arts Gilhuis, en het ziekenhuisverslag in het geding gebracht.

Door (ook in hoger beroep) uitdrukkelijk bewijs aan te bieden dat erflater dementerend was, ten gevolge waarvan hij niet meer tot vrije wilsvorming in staat was, hebben de dochters tevens aan de op hen rustende, hiervoor in 3.6 genoemde, stelplicht voldaan. Het hof heeft daarom van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, of zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door in de gegeven omstandigheden het bewijsaanbod van de dochters stilzwijgend te passeren (zie ook HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9861, NJ 2008/243).

3.7.4

Aan hetgeen hiervoor in 3.7.3 is overwogen, doet niet af dat het in hoger beroep gedane bewijsaanbod, op zichzelf gelezen, niet van een nadere toelichting was voorzien. De door de dochters in eerste aanleg gegeven toelichting op het bewijsaanbod, waarnaar zij in hoger beroep hebben verwezen, was immers, mede gelet op het hiervoor in 3.6 overwogene, voldoende.

3.7.5

De op het vorenstaande gerichte klachten van de onderdelen 2.1.4 en 2.2.2 treffen doel.

3.8

De door de onderdelen 2.1.1, 2.1.2, 2.3 en 2.4 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 juni 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de dochters begroot op € 498,95 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 september 2016.