Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1901

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
15/05590
Formele relaties
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2015:8598, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 220d, lid 1, letter c, Gemeentewet en artikel 2, lid 1, letter g, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. Geen ‘kerkenvrijstelling’ voor nabij gelegen gebouw zonder openbare erediensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2009
NLF 2016/0006 met annotatie van Egbert Monsma
V-N Vandaag 2016/1801
V-N 2016/41.22
BNB 2016/200
Belastingblad 2016/419
mr. John F. Kastelein MRE MRICS RV annotatie in NTFR 2016/2114

Uitspraak

12 augustus 2016

nr. 15/05590

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 november 2015, nrs. ROT 14/7575 en 14/7576, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Molenwaard voor de jaren 2013 en 2014 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenwaard heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van 1173 m² en het daarop gelegen gebouwde eigendom (hierna: het gebouw). Het gebouw is gelegen tegenover een kerkgebouw van [D] (hierna: het kerkgebouw).

2.1.2.

Tijdens de in het kerkgebouw gehouden eredienst op zondagmorgen wordt het gebouw gebruikt als crèche. Daarnaast wordt het gebouw onder meer gebruikt voor zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties, bijeenkomsten voor Bijbelstudie en een mannenkring.

2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de waarderingsuitzondering van artikel 220d, lid 1, aanhef en letter c, Gemeentewet en artikel 2, lid 1, aanhef en letter g, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, niet van toepassing is. Hiertoe heeft de Rechtbank overwogen dat in het algemeen geldende spraakgebruik in een christelijke context onder een openbare eredienst moet worden verstaan een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God en dat de onder 2.1.2 genoemde activiteiten niet daaronder kunnen worden begrepen. De Rechtbank heeft voorts overwogen dat de wetgever met de uitbreiding van de waarderingsuitzondering voor kerken per 1 januari 1995 heeft beoogd onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard onder de waarderingsuitzondering te brengen teneinde geen onderscheid te maken tussen godsdienstige en andere levensbeschouwingen, niet om christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een openbare eredienst, alsnog onder de waarderingsuitzondering te brengen.

2.3.1.

Belanghebbende komt met het eerste middel tegen voormeld oordeel op met het betoog dat de in onderdeel 2.1.2 genoemde activiteiten, gelet op de uitspraken van Hof Arnhem van 14 juli 2003, nr. 01/02169, ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192, en van 28 september 2004, nr. 03/02493, ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814, moeten worden aangemerkt als openbare eredienst dan wel openbare bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard.

2.3.2.

Het middel faalt. Het in onderdeel 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 7 mei 1980, nr. 19807, ECLI:NL:HR:1980:AW9982, BNB 1980/177) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.4.1.

De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat vergoeding van immateriële schade als regel alleen bij natuurlijke personen aan de orde is, maar dat rechtspersonen ook in aanmerking kunnen komen voor een dergelijke vergoeding indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Naar het oordeel van de Rechtbank rust daarbij op de belanghebbende een verzwaarde stelplicht.

2.4.2.

Hiertegen is het derde middel gericht. Het middel gaat kennelijk en terecht ervan uit dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat dit uitgangspunt evenzeer geldt voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, onderdeel 3.15).

Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 11 april 2013 en de uitspraak van de Rechtbank op 25 november 2015 zijn twee jaar en ruim zeven maanden verstreken. Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende in haar bezwaarschrift heeft verzocht de uitspraak op het bezwaar aan te houden tot de Rechtbank uitspraak zou hebben gedaan in de procedure over het voorafgaande jaar waarin dezelfde kwestie aan de orde was. De Rechtbank heeft in die procedure uitspraak gedaan op 8 augustus 2014. Vervolgens heeft belanghebbende in beroep gevraagd om de uitspraak aan te houden tot zou zijn beslist op het hoger beroep tegen die uitspraak van de Rechtbank.

De hiervoor vermelde omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de overschrijding van de termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep uitsluitend is toe te schrijven aan de inwilliging van de verzoeken van belanghebbende. Onder die bijzondere omstandigheden bestaat voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade geen aanleiding.

2.5.

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.