Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
15/01994
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:108, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:661, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.16 en art. 3.19 Wet IB 2001. Werkruimte in gehuurde woning. Als ondernemingsvermogen geëtiketteerd huurrecht; forfaitaire onttrekking wegens privégebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1999 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2016/0019 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2016/1796
V-N 2016/41.6
Belastingadvies 2016/20.2
FED 2016/117
BNB 2016/211
Drs. N.M. Ligthart annotatie in NTFR 2016/2141

Uitspraak

12 augustus 2016

nr. 15/01994

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 maart 2015, nr. BK 14/00833, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/1455) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 23 februari 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende woont in een gehuurde woning te [Z] (hierna: de woning).

2.1.2.

Belanghebbende verricht als ondernemer werkzaamheden in de bouw. Werkzaamheden als acquisitie, het plannen van werkzaamheden en het bijhouden van de administratie worden door belanghebbende verricht in een kamer in de woning (hierna: de werkkamer). De werkkamer vormt niet een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een woning (vgl. artikel 3.16, lid 1, aanhef, Wet IB 2001).

2.1.3.

Partijen zijn voor het Hof bij wijze van vaststellingsovereenkomst tot overeenstemming gekomen dat het huurrecht van de woning volledig kan worden aangemerkt als keuzevermogen en dat het niet in strijd is met de redelijkheid dat belanghebbende het huurrecht in zijn geheel aanmerkt als ondernemingsvermogen.

2.1.4.

In de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar (2010) heeft belanghebbende ter zake van de werkkamer aanvankelijk € 902 aan huisvestingskosten in aanmerking genomen. Daarna heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het volledige bedrag van de huisvestingskosten van € 9835 voor aftrek in aanmerking komt en dat op grond van artikel 3.19 Wet IB 2001 € 2700 als onttrekking voor privégebruik moet worden bijgeteld. De Inspecteur heeft € 902 in aftrek aanvaard.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of het volledige bedrag van de huisvestingskosten op de winst in mindering kan worden gebracht, onder gelijktijdige bijtelling van een bedrag van € 2700 op grond van artikel 3.19 Wet IB 2001.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat het huurrecht geen bedrijfsmiddel vormt, waardoor niet wordt toegekomen aan de vraag of het huurrecht verplicht ondernemingsvermogen, verplicht privévermogen of keuzevermogen is.

2.3.2.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de kosten ter zake van de woning moeten worden aangemerkt als ondernemingskosten, voor zover deze verband houden met de werkkamer. Artikel 3.16 Wet IB 2001 staat volgens het Hof echter aan aftrek in de weg, aangezien de werkkamer naar verkeersopvatting niet een zelfstandig gedeelte van de woning vormt.

2.3.3.

De klachten zijn gericht tegen onder meer de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 vermelde oordelen van het Hof.

2.4.1.

Een huurrecht is een vermogensrecht en daarmee een goed in de zin van artikel 3.1 BW en artikel 3.30, lid 1, Wet IB 2001. Dit brengt mee dat een huurrecht dat (mede) voor de ondernemingsuitoefening wordt gebruikt, ondernemingsvermogen kan vormen.

2.4.2.

De etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen leidt ertoe dat het gehele bedrag van de huur ten laste van de winst kan worden gebracht en dat daartegenover vanwege het privégebruik van de woning een volgens artikel 3.19, lid 1, Wet IB 2001 te bepalen bedrag aan de winst dient te worden toegevoegd. Deze bijtelling betreft mede de werkkamer. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, dat ook van toepassing is op “een door de onderneming gehuurde of gepachte onroerende zaak” (zie de passage uit de parlementaire behandeling, geciteerd in onderdeel 6.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), blijft immers voor het bepalen van de onttrekking een werkruimte waarvan de kosten ingevolge artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 niet aftrekbaar zouden zijn als die niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren, onder de desbetreffende woning begrepen.

2.4.3.

Gelet op artikel 3.19, lid 5, Wet IB 2001 dient artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 aldus te worden gelezen dat onder "een tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning" mede moet worden begrepen een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning. Aangezien vaststaat dat het huurrecht ondernemingsvermogen vormt (zie hiervoor in 2.1.3), komt de in artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 neergelegde aftrekbeperking niet aan de orde. De wetgever heeft kennelijk de niet-aftrekbaarheid van de werkruimte willen bewerkstelligen door de huurwaarde daarvan – als onderdeel van de forfaitaire bijtelling van artikel 3.19 Wet IB 2001 – als een onttrekking in aanmerking te nemen.

2.5.

Op grond van hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, slagen de klachten in zoverre. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uitgaande van de hiervoor in 2.1.4 vermelde bedragen dient belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning te worden vastgesteld op € 27.469.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 27.469,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2976 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, Th. Groeneveld en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.