Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1898

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
14/03191
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:1819, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2017:3031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; Douanerechten; posten 7610, 8431, 8483, 8479 en 8487 van de GN; tariefindeling van onderdelen voor een mechanisme voor opening en sluiting van (zware) garagedeuren; de diverse onderdelen daarvoor zoals kabeltrommels, de veerpluggen en de steltingen zijn delen van een systeem voor het bedienen van overheaddeuren en vallen onder post 8487 van de GN. De looprollen worden ingedeeld in post 8483 van de GN; de Inspecteur was niet gehouden van navordering af te zien, omdat de omschrijving van de goederen in de aangifte te algemeen was. Andere afloop besluitvormingsproces zonder schending van de rechten van de verdediging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2010
DouaneUpdate 2016-0377
BNB 2017/1
mr. B.A. Kalshoven annotatie in NTFR 2016/2155

Uitspraak

12 augustus 2016

nr. 14/03191

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2014, nrs. 12/00773 en 12/00774, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/3101 en AWB 11/3102) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

[A] B.V. (hierna: [A]) verkoopt aan installateurs van zogenoemde overheaddeuren (ook wel paneeldeuren genoemd) op afmetingen en gewicht van de te plaatsen overheaddeur afgestemde samenstellen van onder meer looprollen, veren en veerpluggen, kabels, kabelklemmen en kabeltrommels, koppelingen, stelringen, paroklemmen, profielen, looprollen, driehoeksklemmen en driehoeksplaten, rollercovers, veerbumpers en (bodem)consoles. Met een dergelijk samenstel (hierna: het mechanisme) wordt het openen en sluiten van een overheaddeur verlicht en kan een overheaddeur gecontroleerd worden geopend en gesloten.

2.1.2.

Gedurende de periode van 17 oktober 2005 tot en met 4 juni 2008 heeft belanghebbende in opdracht van [A] op eigen naam en voor eigen rekening een aantal malen aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van hiervoor in 2.1.1 opgesomde en los van elkaar ingevoerde goederen, door [A] benodigd voor het samenstellen van het mechanisme.

Belanghebbende heeft de onderdelen voor het mechanisme aangegeven onder post 8431 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN) als delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor hijs- en takelwerktuigen in de zin van post 8428 van de GN, met uitzondering van de koppelingen, profielen en kabelklemmen die zij heeft aangegeven onder post 8302 van de GN als beslag voor deuren. Bij indeling in postonderverdeling 8431 10 00 van de GN, zoals belanghebbende heeft gedaan, is de invoer vrij van douanerechten. Bij indeling onder post 8302 van de GN geldt een tarief van douanerechten van 2,7 percent.

2.1.3.

Tijdens een bij [A] in 2008 uitgevoerde controle heeft de Inspecteur de hiervoor in 2.1.2 bedoelde invoeraangiften gecontroleerd op de juistheid van de tariefindeling en zich naar aanleiding van de bevindingen op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende aangegeven goederen, voor zover van aluminium (kabeltrommels, kabelklemmen, veerpluggen, koppelingen, bodemconsoles en profielen), moeten worden ingedeeld onder post 7610 90 90 van de GN als aluminium delen van een in post 7610 van de GN bedoeld constructiewerk (tarief 6 percent).

Op 9 oktober 2008 heeft de Inspecteur in het kader van de controle een gesprek gehad met [A] waarbij [A] is toegezegd dat zij de gelegenheid krijgt te reageren op de bevindingen die in dat rapport zullen worden vermeld alvorens het rapport definitief wordt gemaakt.

2.1.4.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende, zonder haar daaraan voorafgaand in kennis te stellen van een voornemen daartoe, een aanslagbiljet, gedateerd 15 oktober 2008, uitgereikt met daarop vermeld uitnodigingen tot betaling voor de aangiften die zij in 2005 in opdracht van [A] heeft gedaan (hierna: aanslagbiljet I).

2.1.5.

Op 23 oktober 2008 heeft de Inspecteur een concept-rapport aan [A] toegezonden waarop [A] vervolgens heeft gereageerd.

2.1.6.

De Inspecteur heeft, na haar eerst in kennis te hebben gesteld van zijn voornemen om na te vorderen en haar gelegenheid te hebben gegeven daarop te reageren, aan belanghebbende een aanslagbiljet, gedateerd 14 mei 2009, uitgereikt met daarop vermeld uitnodigingen tot betaling voor de invoeraangiften die zij in 2007 en 2008 ten behoeve van [A] heeft gedaan (hierna: aanslagbiljet II).

De Inspecteur heeft op 9 juni 2009 het controlerapport definitief gemaakt.

2.2.1.

Het Hof heeft verworpen het standpunt van belanghebbende dat voor de indeling in de GN moet worden onderscheiden tussen enerzijds de deur(panelen) en anderzijds het mechanisme voor het openen en sluiten van de overheaddeur, aangezien alle gebruikte onderdelen onontbeerlijk zijn voor het construeren van een (overhead)deur. Naar het oordeel van het Hof moeten deurpanelen en mechanisme daarom voor de toepassing van de GN als één goed worden aangemerkt. Reeds hierom is, aldus het Hof, uitgesloten indeling van de ingevoerde goederen - afzonderlijk van de deur(panelen) - als delen van een hef- of hijstoestel (post 8431 van de GN).

2.2.2.

Het Hof heeft vervolgens verworpen het standpunt van belanghebbende dat een overheaddeur moet worden beschouwd als een machine of mechanisch toestel in de zin van hoofdstuk 84 van de GN. Een overheaddeur is naar het oordeel van het Hof een constructiewerk dat uitsluitend geschikt is om deel uit te maken van een gebouw en dat is bestemd te functioneren ter opening en afsluiting van het desbetreffende deel van het gebouw. Reeds vanwege het ontbreken van elke zelfstandigheid kan een dergelijke constructiewerk, ondanks de aanwezigheid van mechanische delen, niet als machine of toestel worden aangemerkt met een eigen functie, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 84 van de GN.

2.2.3.

Na het verwerpen van de hiervoor in 2.2.2 omschreven stelling van belanghebbende heeft het Hof vastgesteld dat, zo indeling van de goederen onder post 8431 of post 8479 van de GN niet mogelijk is, tussen partijen de indeling van de niet-aluminium onderdelen niet langer in geschil is.

Het Hof heeft wat de aluminium onderdelen betreft geoordeeld dat de Inspecteur terecht - met toepassing van algemene indelingsregel 1 van de GN - deze onderdelen als aluminium delen van een constructiewerk bedoeld in post 7610 van de GN heeft ingedeeld in postonderverdeling 7610 90 90 van de GN.

2.2.4.

Het Hof heeft geoordeeld – anders dan de Rechtbank met betrekking tot een aantal invoeraangiften had beslist - dat belanghebbende niet met vrucht een beroep kan doen op toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), reeds omdat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW om te kunnen afzien van navordering. Naar het oordeel van het Hof is aan deze derde voorwaarde, die inhoudt dat moet zijn voldaan aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte, niet voldaan omdat belanghebbende in de desbetreffende invoeraangiften de goederen heeft omschreven als “delen en onderdelen van hijs- en takelwerktuigen” welke omschrijving refereert aan de bewoordingen van de door belanghebbende voorgestane postonderverdeling in de GN. Deze omschrijving kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als een gebruikelijke handelsbenaming voor de goederen aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd en onmiddellijk en met zekerheid kunnen worden ingedeeld.

2.2.5.

Met betrekking tot aanslagbiljet I heeft het Hof geoordeeld dat aan het procedurele gebrek dat deze rauwelijks aan belanghebbende is uitgereikt, kan worden voorbijgegaan indien de administratieve procedure geen andere afloop had kunnen hebben indien zij in de gelegenheid was gesteld zich uit te laten over het voornemen van de Inspecteur om aan haar uitnodigingen tot betaling uit te reiken. Naar het oordeel van het Hof is dat het geval geweest, aangezien belanghebbende niet heeft kunnen concretiseren welke verweermogelijkheden waarover zij vóór het uitreiken van aanslagbiljet I beschikte, haar na het uitreiken daarvan niet meer ter beschikking stonden.

2.3.

Middel 1, dat is gericht tegen de hiervoor in 2.2.1 tot en met 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof met betrekking tot de tariefindeling van de goederen, slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 14/03196 gewezen arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

2.4.1.

Middel 2 richt zich tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof.

2.4.2.

Voorafgaande aan de behandeling van middel 2 wordt het volgende opgemerkt.

De Rechtbank heeft blijkens haar uitspraak vastgesteld, in hoger beroep onbestreden, dat de douaneautoriteiten de door belanghebbende gedane invoeraangifte van 7 januari 2004 (voor looprollen), de invoeraangifte van 20 januari 2004 (voor kabeltrommels, aluminium koppelingen en driehoeksplaten), de invoeraangifte van 9 januari 2006 (voor veerpluggen), de invoeraangifte van 16 augustus 2006 (voor onder meer nylon stelringen), de invoeraangifte van 11 juli 2007 (voor onder meer veerpluggen en paroklemplaten), alsmede de invoeraangifte van 28 augustus 2007 (voor onder meer driehoeksplaten en kabeltrommels) hebben gecontroleerd op de juistheid van de in die aangiften opgegeven tariefpost 8431 van de GN. De douaneautoriteiten hebben, naar de Rechtbank vervolgens heeft vastgesteld, na de hiervoor vermelde goederen te hebben onderzocht aan belanghebbende meegedeeld dat de tariefindeling ‘conform’ is. Deze zes aangiften zijn niet in de navorderingen begrepen. Op de grond dat bij deze zes aangiften sprake is geweest van een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW en dat naar het oordeel van de Rechtbank is voldaan aan de overige voorwaarden voor het op grond van die bepaling afzien van navordering, heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur met betrekking tot de in de navordering betrokken invoeraangiften die na de hiervoor vermelde invoeraangiften zijn gedaan voor dezelfde goederen, niet tot een boeking achteraf wegens een onjuiste tariefindeling had mogen overgaan.

De Inspecteur heeft in hoger beroep het hiervoor omschreven oordeel van de Rechtbank bestreden op – onder meer - de grond dat de desbetreffende douaneautoriteiten de opdrachtgever van belanghebbende niet kenden en daarom niet hoefden te twijfelen aan de opgegeven goederenomschrijving en de daarbij vermelde goederencode, aangezien pas bij de controle na invoer kon worden vastgesteld dat de goederen – anders dan in de invoeraangiften was vermeld - geen delen en onderdelen van hijs- en takelwerktuigen van post 8431 van de GN waren. Deze stelling van de Inspecteur heeft het Hof opgevat als de stelling dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de derde voorwaarde van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW om te kunnen afzien van navordering.

2.4.3.

Bij de behandeling van middel 2 wordt het volgende vooropgesteld.

Volgens artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW gaan de douaneautoriteiten niet tot boeking achteraf van douanerechten over indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Om te beginnen moet inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, vervolgens moet de vergissing van deze autoriteiten van dien aard zijn geweest, dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan (vgl. HvJ 18 oktober 2007, Agrover Srl, C-173/06, ECLI:EU:C:2007:612, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Wat de eerste voorwaarde betreft heeft het Hof van Justitie diverse keren beslist dat artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan. Het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige is slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van dat artikel, indien het de bevoegde autoriteiten “zelf” zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor dat gewettigd vertrouwen. Enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, geven recht op niet-navordering van douanerechten.

Wat de tweede voorwaarde betreft, moet bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon worden ontdekt, worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid. De aard van de vergissing is ervan afhankelijk hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is, en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden.

De derde voorwaarde houdt in dat de aangever de bevoegde douaneautoriteiten alle in de Unierechtelijke regeling en in de in voorkomend geval ter aanvulling of omzetting daarvan vastgestelde nationale regeling voorziene noodzakelijke inlichtingen verschaft voor de gewenste douanebehandeling van de betrokken goederen (HvJ 23 mei 1989, Top Hit Holzvertrieb GmbH, zaak 378/87, ECLI:EU:C:1989:209, punt 26). Volgens het Hof van Justitie kan deze verplichting van de aangever evenwel niet verder reiken dan de overlegging van gegevens en documenten die de belastingschuldige redelijkerwijze kan kennen en verkrijgen, zodat het volstaat dat die inlichtingen, ook al zijn zij onjuist, te goeder trouw zijn verstrekt (HvJ 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a., C‑153/94 en C‑204/94, ECLI:EU:C:1996:198, punten 108 en 109, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

2.4.4.

In het onderhavige geval heeft belanghebbende in haar invoeraangiften de goederen omschreven als “delen of onderdelen voor hijs- en takelwerktuigen” en als toepasselijke tariefpost opgegeven postonderverdeling 8431 10 00. Met betrekking tot de vraag of daardoor wellicht niet is voldaan aan de hiervoor in 2.4.3 bedoelde derde voorwaarde, wordt het volgende overwogen.

In de eerste plaats kan het in het algemeen een aangever niet worden tegengeworpen dat hij bij de omschrijving van de goederen in vak 31 van een invoeraangifte heeft gekozen voor de bewoordingen van een door hem voorgestane tariefpost(onderverdeling).

In de tweede plaats heeft het Hof bij zijn oordeel omtrent het niet-vervuld zijn van de derde voorwaarde een onjuiste maatstaf gebruikt. Indien voldaan is aan de hiervoor in 2.4.3 omschreven eerste twee voorwaarden en op grond daarvan niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de invoeraangifte met het oog op de heffing van douanerechten een of meer onjuistheden bevat als gevolg waarvan te weinig douanerechten zijn geheven, had het Hof, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 met betrekking tot de derde voorwaarde is overwogen, dienen te onderzoeken of belanghebbende die gegevens - in dit geval de omschrijving van de goederen alsmede de opgegeven tariefpost - redelijkerwijze heeft kunnen gebruiken in de invoeraangifte. Wanneer dat het geval is, volstaat de vaststelling dat belanghebbende die gegevens of inlichtingen, ook al zijn zij onjuist, te goeder trouw heeft verstrekt. Bij de beoordeling of belanghebbende de gegevens te goeder trouw heeft verstrekt, moet in ieder geval worden betrokken de omstandigheid dat de douaneautoriteiten bij eerdere controles naar de juistheid van de tariefindeling van dezelfde of soortgelijke goederen jegens belanghebbende geen bezwaar hebben gemaakt tegen de wijze waarop belanghebbende de goederen in de invoeraangifte heeft beschreven en evenmin tegen de opgegeven tariefpost. De hiervoor in 2.2.4 omschreven oordelen van het Hof getuigen derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. Middel 2 slaagt derhalve eveneens.

2.5.1.

Middel 3 richt zich met een rechtsklacht en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 2.2.5 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat – anders dan het Hof heeft geoordeeld – niet kan worden uitgesloten dat overleg vooraf met de Inspecteur had kunnen leiden tot een andere afloop van de procedure. Dit blijkt volgens het middel onder meer uit de gegrondverklaring van het bezwaar, uit het in beroep geringer aantal in geding zijnde goederen en uit het bestaan van grote verschillen in interpretatie van zowel het douanetarief als de toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW, hetgeen wordt bevestigd in de uitspraken van de Rechtbank en het Hof.

2.5.2.

In ’s Hofs oordelen ligt besloten het – in cassatie niet bestreden - oordeel dat de Inspecteur in het onderhavige geval het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden.

2.5.3.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231, volgt dat schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een (bezwarend) besluit tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de douaneautoriteiten zonder deze schending zouden hebben afgezien van het vaststellen van de desbetreffende uitnodiging tot betaling of dat zij deze op een lager bedrag zouden hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de uitnodiging tot betaling is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodiging tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (zie HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186, onderdelen 2.3.2 en 2.3.3, 14 augustus 2015, nr. 13/01129, ECLI:NL:HR:2015:2165, BNB 2016/226, en 9 oktober 2015, nr. 13/01275, ECLI:NL:HR:2015:2989, BNB 2016/227). Om vast te stellen of het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten met betrekking tot het uitreiken van een uitnodiging tot betaling een andere afloop had kunnen hebben, is niet uitsluitend van belang of na de uitreiking daarvan verweermogelijkheden verloren zijn gegaan.

2.5.4.

Het Hof heeft de hiervoor in 2.5.3 voorgeschreven toetsing niet uitgevoerd. De hiervoor in 2.2.5 omschreven oordelen van het Hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Middel 3 slaagt derhalve ook.

2.6.

Middel 4 kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.7.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3, 2.4.4 en 2.5.4 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

2.8.

Met het oog op de behandeling na verwijzing wordt opgemerkt dat het verwijzingshof bij de beoordeling van de tariefindeling van de goederen acht dient te slaan op hetgeen in onderdeel 2.5 van het aan dit arrest gehechte arrest van de Hoge Raad met nummer 14/03196 is overwogen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 14/03181, 14/03192, 14/03194, 14/03196 en 14/03224 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zesde van € 2976, derhalve € 496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.