Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
15/03541
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Aansprakelijkheidsrecht. Letsel veroorzaakt door dier waarvan de benadeelde medebezitter is. Art. 6:179 BW. Vraag of regel Hangmatarrest (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465) van toepassing is. Bedrijfsmatig gebruik van het dier, art. 6:181 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Burgerlijk Wetboek Boek 6 179
Burgerlijk Wetboek Boek 6 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS.nl 2016-0010
NJB 2016/306
RvdW 2016/222
JWB 2016/54
NJ 2016/173 met annotatie van T. Hartlief
RAV 2016/41
VR 2016/111
AB 2016/298 met annotatie van R. Ortlep
AA20160624 met annotatie van H.N. Schelhaas
JIN 2016/65 met annotatie van M.F. Lameris en J. Ramaker
JA 2016/41 met annotatie van prof. mr. F.T. Oldenhuis
NTHR 2016, afl. 2, p. 119
TvPP 2016, afl. 2, p. 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2016

Eerste Kamer

15/03541

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERES in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

1. [A] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

GEDAAGDEN in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. L. van den Eshof.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [A] en Delta Lloyd.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C14/150856/HA ZA 13-364 van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2015.

Het vonnis van de rechtbank is aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd vonnis heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

1. Vestigt artikel 6.179 BW uitsluitend een risicoaansprakelijkheid jegens derden, dat wil zeggen jegens personen die niet de hoedanigheid van (mede)bezitter van dat dier hebben?

2. Kan de toepasselijkheid van artikel 6.181 BW er toe leiden dat aansprakelijkheid wordt gevestigd jegens personen die de hoedanigheid hebben van (mede)bedrijfsmatig gebruiker van een dier?
Indien deze vragen bevestigend worden beantwoord:

3. Op welke wijze dient in het kader van een redelijke wetstoepassing het gedeelte van de schade te worden bepaald dat de benadeelde (mede)bedrijfsmatige gebruiker zelf draagt, zodat hij op grond van artikel 181 Boek 6 BW in zoverre geen aanspraak heeft op schadevergoeding jegens de andere (mede)bedrijfsmatige gebruiker(s)?

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot voorlichting van de Hoge Raad over de door de Rechtbank gestelde vragen. De vragen kunnen niet beantwoord worden bij gebreke van voldoende houvast biedende gegevens van feitelijke aard.

De advocaten van partijen hebben elk bij brief van 4 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1947, exploiteert sinds het begin van de jaren tachtig samen met haar echtgenoot [A] een manege te [plaats] .
De onderneming wordt sedert 1 januari 1982 gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma (vof).

(ii) [eiseres] en [A] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

(iii) De manege houdt zich vooral bezig met het geven van paardrijlessen aan kinderen en volwassenen op het terrein van de manege alsmede het onder begeleiding verzorgen van buitenritten.

(iv) Voor de winstverdeling binnen het manegebedrijf geldt de onderlinge afspraak dat 40% ten gunste van [eiseres] strekt en 60% ten gunste van [A] , omdat de inbreng van arbeid van [A] in het bedrijf groter is dan die van [eiseres] .

(v) Ten tijde van het hierna in (vi) te vermelden ongeval verzorgde [eiseres] de paardrijlessen van de kinderen, beheerde zij de kantine, hield zij de toiletten schoon en deed zij het reguliere tuin- en terreinonderhoud waaronder het aanharken van het erf. [A] verzorgde de paardrijlessen voor de volwassenen en de buitenritten, mestte de stallen uit, voerde de paarden, verrichtte het groot onderhoud en verzorgde tevens de boekhouding en de administratie van het manegebedrijf. [eiseres] en [A] voerden samen de overige werkzaamheden op de manege uit, zoals de dagelijkse verzorging van de paarden, de voorbereiding van de lessen en het klein onderhoud.

(vi) Op 13 mei 2011 is [eiseres] op de manege een ongeval overkomen toen zij paardrijles gaf aan drie leerlingen in de buitenbak. Aan het einde van de les wilde [eiseres] de buitenbak verlaten en liep zij naar het hek. Plotseling vertoonde één van de lespaarden (genaamd “Imagine”) een schrikreactie en sloeg deze met de berijdster op hol. Daarbij heeft dit paard [eiseres] in de buitenbak omver gelopen. Als gevolg van de botsing met het paard en de daarop volgende valpartij, heeft [eiseres] haar rechter dijbeenspieren gescheurd en haar rechterheup gebroken. Zij is daardoor beperkt geraakt in – onder meer – de uitoefening van diverse voorkomende kerntaken binnen het manegebedrijf.

(vii) [eiseres] heeft Delta Lloyd op 20 september 2011 schriftelijk bericht dat zij [A] op grond van art. 6:179 BW – als mede-eigenaar van het paard – aansprakelijk houdt voor het ontstaan van het door haar opgelopen letsel. Later heeft zij ook art. 6:181 BW aan haar vorderingen ten grondslag gelegd op de grond dat [A] ten tijde van het ongeval bedrijfsmatig gebruiker van Imagine was.

(viii) Delta Lloyd is de verzekeraar van de vennootschap onder firma. Deze vennootschap heeft bij Delta Lloyd een aansprakelijkheidsverzekering bedrijven (AVB) afgesloten.

3.2

[eiseres] vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat [A] voor 60% aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade. Voorts vordert zij [A] en Delta Lloyd te veroordelen tot betaling van 60%, subsidiair 50%, van die schade, nader op te maken bij staat.
De rechtbank heeft de hiervoor onder 2 vermelde prejudiciële vragen gesteld.

3.3

In de prejudiciële vraagstelling ligt besloten dat [eiseres] en [A] ten tijde van het ongeval medebezitters waren van het paard ‘Imagine’, dat zij beiden van dat paard bedrijfsmatige gebruiker waren en dat sprake is van schade waarvoor [A] uit hoofde van art. 6:179 BW aansprakelijk zou zijn indien alleen hij bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van het paard zou zijn geweest.

3.4.1

De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen of de zogenoemde hangmatjurisprudentie (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465) ook van toepassing is tussen medebezitters van dieren.
In het Hangmatarrest is geoordeeld dat de medebezitter van een gebrekkige opstal uit hoofde van art. 6:174 BW (ook) aansprakelijk is voor de schade die een andere medebezitter als gevolg van dat gebrek lijdt, met dien verstande dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal.

3.4.2

Evenals in het Hangmatarrest is overwogen ter zake van art. 6:174 BW, rijst ter zake van art. 6:179 BW in het bijzonder de vraag of het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste in de weg staat aan het ontstaan van een verplichting tot vergoeding van de schade die een medebezitter lijdt. Het antwoord op die vraag hangt ervan af wat het doel en de strekking is van de aansprakelijkheidsnorm.

Dienaangaande geldt het volgende.

3.4.3

In de tekst van art. 6:179 BW is de reikwijdte van de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter van een dier niet beperkt, evenmin als de tekst van art. 6:174 BW zo’n beperking geeft bij de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een gebrekkige opstal.

3.4.4

Aan de wetsgeschiedenis kan geen beslissend argument worden ontleend voor het aanvaarden dan wel afwijzen van aansprakelijkheid jegens een medebezitter. Weliswaar vermeldt die wetsgeschiedenis bij het bespreken van de grondslag van de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:179 BW op enkele plaatsen het woord ‘derden’ (bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 764, tweede alinea, en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 745, derde alinea slot), maar uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling blijkt niet – evenmin als uit die van art. 6:174 BW – dat de wetgever de mogelijkheid onder ogen heeft gezien dat de benadeelde ook een medebezitter zou kunnen zijn.

3.4.5

Op soortgelijke wijze als bij de kwalitatieve aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:174 BW, komt het dus bij de kwalitatieve aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:179 BW erop aan of aansprakelijkheid behoort te worden aanvaard van andere medebezitters tegenover een benadeelde medebezitter, hoewel deze aansprakelijkheid niet is gebaseerd op overtreding van enigerlei gedragsnorm, en de benadeelde zelf in zekere zin medeverantwoordelijk kan worden geacht voor het gevaar dat het dier oplevert. De te maken keuze hangt ook hier af van wat naar maatschappelijke opvattingen het meest redelijk moet worden geacht, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de eventuele aansprakelijkheidsverzekeraar. De omstandigheid dat dit een open criterium is, brengt mee dat deze keuze kan leiden tot verschillende uitkomsten bij deze te onderscheiden gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid.

Hieronder zal worden uiteengezet waarom de hier bedoelde afweging bij art. 6:179 BW tot een andere uitkomst leidt dan bij art. 6:174 BW.

3.5.1

Het behoort tot de algemene doelstelling van de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:174 BW dat op de benadeelden niet het risico wordt afgewenteld dat niet of niet eenvoudig kan worden bepaald en bewezen wie voor de door het gebrek aan de opstal veroorzaakte schade eventueel aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de schuldaansprakelijkheid van art. 6:162 BW (Hangmatarrest, rov. 4.3.5). Dit argument ten gunste van de benadeelde, dat bij art. 6:174 BW ook geldt voor de benadeelde medebezitter, ligt niet ten grondslag aan de aansprakelijkheid voor dieren, zoals hierna zal blijken.

3.5.2

Het risico van schade ten gevolge van een verborgen gebrek aan een opstal kan niet kan worden aangemerkt als een voor een potentieel slachtoffer bekend risico, nog daargelaten dat de kans op zodanige schade in het algemeen gering is. Dit geldt ook voor medebezitters van een opstal. Daarom ligt het niet voor de hand om vanwege dit specifieke risico een (ongevallen)verzekering af te sluiten. Mede gelet op de potentieel grote gevolgen van vooral persoonsschade, is het maatschappelijk gewenst dat ook het slachtoffer dat medebezitter van de opstal is, een andere medebezitter en daarmee vaak diens aansprakelijkheidsverzekeraar kan aanspreken voor een deel van de schade. Dat de bezitter van een opstal zich verzekert tegen de – potentieel grote – gevolgen van aansprakelijkheid, ligt immers wél voor de hand. In het Hangmatarrest is in rov. 4.3 ervan uitgegaan dat het aanvaarden van aansprakelijkheid jegens medebezitters niet wezenlijk afbreuk zou doen aan de mogelijkheid om tegen een relatief geringe premie de wettelijke aansprakelijkheid ter zake van schade door gebrekkige opstallen te verzekeren.

3.6.1

Grondslag voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:179 BW is dat de bezitter om hem moverende redenen – meestal economisch nut of eigen genoegen – het dier houdt, en daarmee voor derden gevaar schept in verband met de onberekenbare krachten die de eigen energie van het dier als levend wezen oplevert (vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 764). Deze grondslag wijkt af van die van art. 6:174 BW . Bij dieren berust de kwalitatieve aansprakelijkheid niet zozeer – zoals bij art. 6:174 BW – op een risicoverdeling ter bescherming van de benadeelde, maar vooral op de omstandigheid dat de bezitter tegenover anderen een risico in het leven roept. De (mede)verantwoordelijkheid van de medebezitter voor het gevaar speelt dus een aanzienlijk sterkere rol bij art. 6:179 BW dan bij art. 6:174 BW. De maatschappelijke wenselijkheid van bescherming van benadeelden tegen het gevaar dat een risico zich verwezenlijkt, geldt – anders dan bij art. 6:174 BW – bij art. 6:179 BW niet zonder meer ook voor de benadeelde medebezitter, nu deze mede verantwoordelijk is voor het scheppen of handhaven van dat risico.

3.6.2

Anders dan bij het gevaar voor schade dat uitgaat van een verborgen gebrek aan een opstal, is steeds kenbaar dat een dier – als levend wezen – beschikt over onberekenbare eigen energie waarmee het mogelijk schade kan toebrengen. Van de medebezitter die door toedoen van een dier schade lijdt, kan worden gezegd dat hij ook voor zichzelf een gevaar in het leven heeft geroepen of in stand heeft gehouden waarvan hij wordt geacht zich bewust te zijn. Het ligt minder voor de hand dat de norm van art. 6:179 BW ook zou strekken tot bescherming van de benadeelde die als medebezitter bewust bijdraagt tot het scheppen of handhaven van het voor hem kenbare gevaar waartegen deze bepaling bescherming biedt (vgl. HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6219, NJ 2008/492).

3.6.3

Het bovenstaande heeft ook gevolgen op het gebied van verzekering van het risico. Hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen over de geringe aanleiding voor de medebezitter van een opstal om zich te verzekeren tegen het risico van eigen schade ten gevolge van gebrekkigheid van die opstal, geldt niet in gelijke mate voor de medebezitter van een dier. Omdat die medebezitter geacht moet worden bekend te zijn met de mogelijkheid dat hij schade lijdt ten gevolge van de voor hem kenbare onvoorspelbare eigen energie van het dier, kan van hem, eerder dan van de medebezitter van een gebouw, worden verwacht dat hij zich tegen het risico van zodanige schade verzekert. Dat geldt in het bijzonder voor het risico van – potentieel ernstige – schade aan de persoon.

3.6.4

Voorts zijn de gevolgen voor verzekering van de aansprakelijkheid groter en minder overzichtelijk bij de aanvaarding van kwalitatieve aansprakelijkheid jegens medebezitters voor schade veroorzaakt door dieren, dan bij aanvaarding van een zodanige aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door gebrekkige opstallen. In verband met het onberekenbare element dat in de eigen energie van (ook) huisdieren is gelegen, ligt voor de hand dat schade veroorzaakt door dieren regelmatig zal voorkomen. Indien medebezitters daaraan aanspraken jegens elkaar kunnen ontlenen, kan dit leiden tot een toename van claims die moeilijk te beoordelen zijn. Het risico dat een dier schade toebrengt aan een medebezitter, welke schade veelal in gezinsverband zal optreden, valt ook anderszins te verzekeren, bijvoorbeeld in geval van schade aan de persoon door middel van een ongevallenverzekering.

3.6.5

Hetgeen hiervoor in 3.5.1 – 3.6.4 is overwogen brengt mee dat het, de belangen van alle betrokkenen in aanmerking genomen, niet redelijk of maatschappelijk wenselijk is dat art. 6:179 BW ook aansprakelijkheid vestigt jegens personen die de hoedanigheid hebben van medebezitter van een dier. De argumenten die in rov. 4.3.5 van het Hangmatarrest hebben geleid tot het wél aanvaarden van een aanspraak van de medebezitter van een gebrekkige opstal, kunnen voor een gedeelte ook worden gebruikt ten gunste van de aanspraak van de medebezitter van een dier. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt echter dat, bezien vanuit het in dit verband belangrijke gezichtspunt van het slachtoffer en vanuit verzekeringsoogpunt, minder aanleiding bestaat voor bescherming van de medebezitter van een dier dan voor bescherming van de medebezitter van een opstal. Dit geeft de doorslag voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag.

3.7

De eerste prejudiciële vraag wordt op grond van het bovenstaande aldus beantwoord dat art. 6:179 BW geen risicoaansprakelijkheid vestigt jegens personen die de hoedanigheid van medebezitter van het dier hebben.

3.8

De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:181 BW kan worden gevestigd jegens een andere bedrijfsmatige gebruiker van een dier. De vraag komt voor het onderhavige geval erop neer of het antwoord op de eerste prejudiciële vraag anders luidt indien geen sprake is van medebezitters van het dier, maar dat dier wordt gebruikt in een door de benadeelde en de aangesproken persoon of personen gezamenlijk uitgeoefend bedrijf (hierna verder aan te duiden als: bedrijfsmatige medegebruikers). Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. De hiervoor gegeven argumenten voor afwijzing van aansprakelijkheid jegens medebezitters van dieren zijn ook argumenten voor afwijzing van aansprakelijkheid jegens bedrijfsmatige medegebruikers van dieren. De omstandigheid dat (ook) de benadeelde bedrijfsmatige medegebruiker profijt van het dier trekt, is zelfs een bijkomend argument voor die afwijzing. Ook ligt het bij bedrijfsmatig gebruik van dieren, nog meer dan bij het houden van dieren in de privésfeer, voor de hand om de daaraan verbonden risico’s van schade af te dekken door een verzekering (zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering).

De ratio van art. 6:181 BW geeft geen argument voor een ander antwoord. Aan de keuze van de wetgever om de kwalitatieve aansprakelijkheid voor het dier niet te leggen op de bezitter, maar op de bedrijfsmatige gebruiker van dat dier, ligt enerzijds ten grondslag dat het voor de benadeelde duidelijk moet zijn wie hij dient aan te spreken en anderzijds dat het bedrijf zijn aansprakelijkheid kan verzekeren en bedrijfseconomisch de premie als kostenpost kan boeken (MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 746). Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen, geeft deze ratio geen aanleiding voor een principieel afwijkende benadering van bedrijfsmatige medegebruikers ten opzichte van medebezitters.

3.9

De tweede prejudiciële vraag wordt derhalve aldus beantwoord dat art. 6:181 BW geen aansprakelijkheid vestigt jegens personen die de hoedanigheid hebben van bedrijfsmatige medegebruikers van een dier.

3.10

De derde prejudiciële vraag behoeft geen beantwoording.

4 Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.7 en 3.9 weergegeven wijze.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 29 januari 2016.