Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1522

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
16/02474
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6892, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:626, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Benadeelde partij. Rechtstreekse schade. Art. 51f.1 Sv. De opvatting dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde “rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit” a.b.i. art. 51f.1 Sv uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, is in haar algemeenheid onjuist. Zij miskent dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:959). Voor zover i.c. ’s Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat in de concrete omstandigheden van dit geval niet voldoende verband in voornoemde zin bestaat tussen het handelen van betrokkene (kort gezegd: het bewezenverklaarde deelnemen aan een criminele organisatie) en de door X geleden schade, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de bewijsvoering blijkt dat betrokkene, kort gezegd deel uitmaakte van een samenwerkingsverband tussen verschillende (rechts-)personen waarbinnen m.b.v. valse facturen ten laste van X steekpenningen werden betaald en gelden werden doorgesluisd aan de (voormalig) directeur van X.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0278
JIN 2016/159 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
PS-Updates.nl 2016-0215
NBSTRAF 2016/200
RvdW 2016/892
NJ 2016/335

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 16/02474 CW

LN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, parketnummer 23/002820-09, van 22 februari 2012 in de zaak van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1 De bestreden uitspraak

1.1.

Bij de bestreden uitspraak is de betrokkene ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 3. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft de benadeelde partij [A] B.V. (hierna: [A]) in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Ten aanzien van die niet-ontvankelijkheid heeft het Hof het volgende overwogen:

"Ingevolge artikel 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De vordering van de benadeelde partij, [A] B.V., strekt tot vergoeding van de ten gevolge van de onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie geleden schade. Deze strafbare gedraging, zoals neergelegd in 140 Sr, ziet op bescherming van de openbare orde. Nu de benadeelde partij niet is getroffen in dit belang dat met de overtreding van deze strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, is - naar het oordeel van het hof - geen sprake van schade die de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen."

2 Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof [A] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering tot vergoeding van de door [A] als benadeelde partij geleden schade, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is.

3.2.

Art. 51f, eerste lid, Sv luidt:

"Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces."

3.3.

Het oordeel van het Hof berust op de opvatting dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde "rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit" als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv, uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Zij miskent dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).

Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat in de concrete omstandigheden van dit geval niet voldoende verband in voornoemde zin bestaat tussen het handelen van de betrokkene (kort gezegd: het bewezenverklaarde deelnemen aan een criminele organisatie) en de door [A] geleden schade, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de bewijsvoering blijkt dat de betrokkene, kort gezegd, deel uitmaakte van een samenwerkingsverband tussen verschillende (rechts-)personen waarbinnen met behulp van valse facturen ten laste van [A] steekpenningen werden betaald en gelden werden doorgesluisd aan de (voormalige) directeur van [A].

4 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden uitspraak.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.