Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1514

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
16/00701
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:343
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBMNE:2016:669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Begrotingsprocedure tussen advocaat en cliënt ingevolge art. 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand. Dagvaardings- of verzoekschriftprocedure?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/270
RvdW 2016/811
NJ 2016/311 met annotatie van
NJB 2016/1490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2016

Eerste Kamer

16/00701

LZ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[verzoeker] , handelend onder de naam [A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERZOEKER in eerste aanleg,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in eerste aanleg,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [A] en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/403535/KG RK 15-1015 van de rechtbank Midden-Nederland van 10 februari 2016;

De beschikking van de rechtbank is aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:

Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie [de Hoge Raad leest:] vatbare beschikking.

Partijen hebben geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De Advocaat-Generaal L.A.D. Keus concludeert dat art. 38 lid 4 Wrb aldus moet worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoekschrift tot de president van de rechtbank kan wenden en dat de president op dat verzoekschrift kan beslissen in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.

3 Beantwoording van de prejudiciële vraag

3.1

In deze procedure gaat het om het volgende.

[verzoeker] heeft [verweerder] in 2015 als advocaat bijgestaan. De Raad voor Rechtsbijstand heeft ter zake een toevoeging afgegeven en de eigen bijdrage van [verweerder] bepaald op € 196,--. [A] heeft dit bedrag aan [verweerder] in rekening gebracht, evenals een bedrag van € 77,-- ter zake van griffierecht.
heeft deze facturen onbetaald gelaten.

3.2.1

Bij dagvaarding van 17 augustus 2015 heeft [A] gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van de eigen bijdrage en het griffierecht, buitengerechtelijke kosten, alsmede van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten. De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 september 2015 bevolen de zaak in de stand waarin deze zich bevindt voort te zetten volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
De zaak is vervolgens in behandeling genomen door de (plaatsvervangend) president.

3.2.2

Bij tussenbeschikking heeft de president onder meer overwogen:

“2.1. Het gaat in deze zaak om een procedure op grond van artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand, welke strekt tot vaststelling van het bedrag dat rechtzoekende, verweerster, verschuldigd is aan verzoeker.

2.2.

Artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand luidt thans als volgt:

“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag nader vastgesteld door de president van de rechtbank [van het arrondissement] waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd.”

2.3.

Deze regeling geldt op grond van artikel 66, tweede lid Wet op de Rechtsbijstand voor toevoegingen, die na 1 januari 2015 zijn afgegeven.

2.4.

Voor toevoegingen afgegeven voor die datum werd na een verzoek door de president van de rechtbank een bevelschrift afgegeven overeenkomstig de inmiddels vervallen regeling van de artikelen 34 tot en met 40 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (…).

2.5.

In de onderhavige procedure heeft verzoeker een procedure bij dagvaarding ingeleid, teneinde een titel te krijgen tegen verweerder ter executie van de vordering strekkende tot betaling van de na 1 januari 2015 opgelegde eigen bijdrage en de voorgeschoten griffierechten tot een bedrag van in hoofdsom € 273,00.

(…)

2.7.

De wetgever heeft bij de wijziging van de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de speciale rechtsgang voor rechtsbijstandverleners in zogenoemde toevoegingsprocedures is komen te vervallen.

2.8.

De president ziet zich thans voor de vraag gesteld of artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand zo moet worden uitgelegd dat rechtsbijstandsverleners zich nog steeds met het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift (in wezen een beschikking uitgegeven in executoriale vorm) tot de president kunnen wenden en dat die procedure daarna conform de derde titel, eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden afgedaan.

2.9.

In den lande bestaat hier verschil van mening over. (…)

2.10.

Het gaat om grote aantallen zaken. (…).Tegelijkertijd gaat het om relatief kleine bedragen. (…)

2.11.

Daarbij acht de president het wenselijk om Uw Raad er op te wijzen dat niemand gebaat is om deze zaken via de relatief zeer dure en meer omslachtige weg van de dagvaardingsprocedure af te doen.

Noch de Sociale advocatuur noch degene die geprocedeerd hebben met een toevoeging zitten te wachten op een dergelijke kostenverhogende factor bij het afdoen van hun geschil.”

Daarop is, met instemming van partijen, de hiervoor in 2 weergegeven vraag aan de Hoge Raad voorgelegd.

3.3.1

Art. 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand (hierna: Wrb) luidde tot 1 november 2010:

“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag daarvan nader vastgesteld door de president van de rechtbank van het arrondissement waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd. De artikelen 34 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn van overeenkomstige toepassing.”

Op grond van art. 38 lid 4 Wrb in verbinding met de art. 34-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) stelde de president van de rechtbank op verzoek van de betrokken rechtsbijstandverlener bij beschikking het bedrag vast van de eigen bijdrage en overige kosten van rechtsbijstand en beval hij de tenuitvoerlegging van die beschikking.

3.3.2

Op 1 november 2010 is de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in werking getreden. In art. 51, aanhef en onder B, Wgbz is bepaald dat de tweede zin van art. 38 lid 4 Wrb vervalt. In de toelichting op de art. 33 tot en met 58 Wgbz is vermeld dat in verband met het vervallen van de Wtbz en de daarin opgenomen begrotingsprocedure voor advocaten (art. 29-40 Wtbz), in verschillende wetten de verwijzingen naar bepalingen in de Wtbz zijn geschrapt of vervangen door verwijzingen naar gelijkluidende bepalingen in het wetsvoorstel Wgbz (Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p.18). Daarna (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 6, p. 19-20 en nr. 7) is echter voorgesteld om de regeling inzake begrotingsprocedures vooralsnog te handhaven in afwachting van invoering van een wettelijke geschillenregeling (waarover hierna in 3.3.3). In verband daarmee zijn uiteindelijk (onder meer) de art. 34-40 Wtbz tijdelijk gehandhaafd. Bij die gelegenheid is blijkbaar abusievelijk verzuimd ook het schrappen van de slotzin van art. 38 lid 4 Wrb ongedaan te maken (zie ook hierna in 3.3.3).

3.3.3

Bij art. III van de op 1 januari 2015 in werking getreden Wet positie en toezicht advocatuur is de Wtbz (alsnog) geheel ingetrokken. De wetgever heeft, blijkbaar op grond van de veronderstelling dat art. 38 lid 4 Wrb in 2010 ongewijzigd is gebleven, in art. II van de Wet positie en toezicht advocatuur opnieuw bepaald dat de tweede volzin van art. 38 lid 4 Wrb vervalt.

Aan de intrekking van de Wtbz ligt ten grondslag dat voor advocaten de verplichting in het leven is geroepen zich aan te sluiten bij een klachten- en geschillenregeling die ook geschillen over declaraties bestrijkt (art. 28 lid 2, aanhef en onder b, Advocatenwet). Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 aangehaalde wetsgeschiedenis, heeft de wetgever daarbij beoogd dat in beginsel alle geschillen tussen advocaten en hun cliënten via deze klachten- en geschillenregeling worden afgedaan en dat in beginsel slechts nadien de gang naar de gewone rechter kan worden gemaakt. Om die reden kon de begrotingsprocedure van de art. 29-40 Wtbz vervallen.

3.3.4

In de Wet positie en toezicht advocatuur is de in art. 38 lid 4 Wrb geregelde bevoegdheid van de president om de eigen bijdrage en de overige kosten van rechtsbijstand vast te stellen, gehandhaafd. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of het vervallen van de toepasselijk verklaring van de procedureregels van de art. 34-40 Wtbz tot gevolg heeft dat de vaststelling door de president niet meer op verzoek en bij voor executie vatbare beschikking kan plaatsvinden, maar dat daartoe een dagvaardingsprocedure moet worden gevolgd.

Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.

3.3.5

Op grond van art. 261 lid 2 Rv worden die zaken met een verzoekschrift ingeleid, ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Als uit de wet niet kan worden afgeleid op welke wijze een procedure aanhangig moet worden gemaakt, moet dit bij dagvaarding gebeuren. Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3.3 aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van de in art. 38 lid 4 Wrb overgenomen regeling uit de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden blijkt dat de wetgever de rechtsbijstandverlener een eenvoudige rechtsgang heeft willen bieden om zo nodig tot invordering van de hem, uit hoofde van de verlening van gefinancierde rechtsbijstand verschuldigde, eigen bijdrage en overige kosten te komen. Uit de gebruikte bewoordingen volgt dat de wetgever daarbij het oog heeft gehad op een verzoekschriftprocedure. Uit de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 vermelde wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet positie en toezicht advocatuur niet heeft onderkend dat schrapping van de verwijzing naar de art. 34-40 Wtbz procesrechtelijke gevolgen kon hebben voor procedures als de onderhavige. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat op dit punt geen wijziging is beoogd. Derhalve vloeit uit de wet voort dat de vaststelling van bedoelde eigen bijdrage en eigen kosten geschiedt in een verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv).

3.3.6

Het voorgaande betekent dat de vaststelling geschiedt bij beschikking. Op grond van art. 430 lid 1 Rv is de grosse van die beschikking vatbaar voor tenuitvoerlegging. De omstandigheid dat de hiervoor in 3.3.1 vermelde tweede volzin van art. 38 lid 4 Wrb is geschrapt, doet daaraan niet af.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vraag als volgt:

art. 38 lid 4 Wrb moet aldus worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoekschrift tot de president van de rechtbank kan wenden en dat de president op dat verzoekschrift beslist in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 juli 2016.