Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15/01366
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:619, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5416, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Goederenrecht, procesrecht. Art. 3:301 BW en 433 Rv. Geldt de sanctie van niet-ontvankelijkheid (art. 3:301 lid 2 BW) ook voor een niet-ingeschreven appel tegen een beslissing waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat eigendom door verjaring is verkregen en het bestreden vonnis in de plaats gesteld kan worden van de medewerking van de veroordeelde partij aan de inschrijving in de openbare registers van de eigendom ten name van de verkrijger? Analogische toepassing van art. 3:301 BW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 17
Burgerlijk Wetboek Boek 3 89
Burgerlijk Wetboek Boek 3 105
Burgerlijk Wetboek Boek 3 300
Burgerlijk Wetboek Boek 3 301
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 433
Kadasterwet
Kadasterwet 34
Kadasterwet 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/278
RvdW 2016/866
NJB 2016/1483
RVR 2016/94
NJ 2016/383
JBPR 2017/19 met annotatie van mr. J.J. Dammingh
JIN 2016/177 met annotatie van M.A.J.G. Janssen
JOR 2016/296 met annotatie van prof. mr. J.E. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2016

Eerste Kamer

15/01366

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. ESCONADO BELEGGINGEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,

2. KORTENHOEF ONROEREND GOED BEHEER B.V.,
gevestigd te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff,

t e g e n

1. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [betrokkene 1],
gewoond hebbende te [woonplaats],

2. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [betrokkene 2],
gewoond hebbende te [woonplaats],

3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],

4. [verweerster 4],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Esconado c.s., respectievelijk [verweerders], de verweerders 1 tot en met 3 ook als [verweerders 1 t/m 3]

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 479761/HA ZA 11-120 van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2011 en 14 december 2011;

b. de rolbeslissing en de arresten in de zaak 200.104.950/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 april 2012, 19 juni 2012, 24 december 2013 en 16 december 2014.

De rolbeslissing en de arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de genoemde rolbeslissing en arresten van het hof hebben Esconado c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerders] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Inzet van dit geding is de eigendom van een perceel grond dat ten name van Esconado c.s. staat en dat grenst aan percelen van [verweerders]

hebben Esconado c.s. in eerste aanleg gedagvaard. Zij stellen zich op het standpunt dat zij door schenking dan wel verjaring (art. 3:105 BW) de eigendom van het perceel hebben verkregen.

Esconado c.s. vorderen in reconventie, kort gezegd, een verklaring voor recht dat zij de eigenaren van het perceel zijn.

3.2.1

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [verweerders 1 t/m 3] ingevolge art. 3:105 BW eigenaren van het perceel zijn geworden. Zij heeft hun primaire vordering toegewezen en die van thans verweerster in cassatie 4, alsmede de reconventionele vorderingen van Esconado c.s. afgewezen. Het dictum van het vonnis van de rechtbank luidt, voor zover in cassatie van belang:

“5.1 verklaart voor recht dat [betrokkene 1], [verweerder 3] en [betrokkene 2] eigenaar zijn van het litigieuze perceel, aangegeven op de als producties 4, 5 en 8 overgelegde kaarten,

5.2.

veroordeelt Esconado c.s. hoofdelijk om medewerking te verlenen aan inschrijving van de door [betrokkene 1], [verweerder 3] en [betrokkene 2] verkregen eigendom, waarbij de daarmee gemoeid gaande kosten gelijkelijk verdeeld zullen worden,

5.3

bepaalt dat bij het langer dan veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis uitblijven van de verzochte medewerking dit vonnis in de plaats gesteld kan worden van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie.”

3.2.2

Nadat het hof in zijn rolbeslissing van 10 april 2012, voordat van grieven was gediend, had overwogen dat het bestreden eindvonnis in de plaats treedt van een (deel van een) tot levering van een registergoed bestemde akte en dat niet was gebleken dat inschrijving overeenkomstig art. 3:301 lid 2 BW had plaatsgevonden, heeft het partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte daaromtrent uit te laten.

In het tussenarrest van 19 juni 2012 overwoog het vervolgens:

“2.1 Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW moet op straffe van niet-ontvankelijkheid het rechtsmiddel tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van zodanige akte, binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel (...) worden ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv.

2.2

Bij het bestreden vonnis zijn appellanten - onder meer - veroordeeld om mee te werken aan de inschrijving van een onroerende zaak, met bepaling dat bij het uitblijven van tijdige medewerking het vonnis in de plaats kan worden gesteld van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie.

2.3

Het hof begrijpt dat de rechtbank met deze beslissing toepassing heeft willen geven aan het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW.

2.4

Het hoger beroep tegen het bestreden vonnis is niet tijdig ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv.

2.5

Gelet op het voorgaande moeten appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep voor zover het beroep is gericht tegen de bepaling, kort gezegd, dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte.”

Het hof verwees de zaak daarop naar de rol voor het nemen van de memorie van grieven.

Bij het tussenarrest van 24 december 2013 bleef het hof bij zijn oordeel in het voorafgaande arrest en verwees het de zaak wederom naar de rol om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten omtrent de vraag of de niet-ontvankelijkheid van het appel, die naar het oordeel van het hof in elk geval het appel tegen onderdeel 5.3 van het dictum van het vonnis van de rechtbank treft, zich ook uitstrekt tot het appel tegen de onderdelen 5.1 en 5.2 van het dictum.

In het eindarrest heeft het hof de laatste vraag bevestigend beantwoord en Esconado c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.3

Onderdeel 1.1 bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof dat sprake is van een vonnis dat in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte, omdat het vonnis zijn grondslag vindt in een verkrijging door extinctieve verjaring. Het bestrijdt voorts dat de rechtbank toepassing heeft
willen geven aan art. 3:300 lid 2 BW.
Onderdeel 1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat de in art. 3:301 lid 2 BW neergelegde eis van inschrijving van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister slechts geldt indien de rechter heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en dat een dergelijke akte voor de verkrijging van de eigendom door [verweerders] niet vereist is. De reële executie die in het vonnis is voorzien, heeft slechts betrekking op de door de rechtbank bevolen medewerking aan de inschrijving van de eigendom op de voet van art. 3:17 lid 1, aanhef onder i, BW, waarvoor ingevolge art. 34 en art. 37 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet de instemming van Esconado c.s. vereist is.

Onderdeel 1.3 betoogt dat, indien het hof heeft geoordeeld dat een vonnis waarin is bepaald dat het in de plaats kan treden van de ontbrekende medewerking aan inschrijving op de voet van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder i, BW, voor de toepassing van art. 3:301 lid 2 BW met een leveringsakte of een deel van een zodanige akte op één lijn moet worden gesteld, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 3:301 lid 2 BW een beperkte strekking heeft.

3.4.1

Art. 3:301 lid 2 BW schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het betrokken rechtsmiddel, verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, worden ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register.
De in lid 1 vermelde uitspraken zijn die, waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte.

3.4.2

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [verweerders 1 t/m 3] de eigendom van het omstreden perceel hebben verworven ingevolge art. 3:105 BW (bevrijdende verjaring). Dat oordeel impliceert dat [verweerders 1 t/m 3] die eigendom op enig moment in het verleden hebben verkregen, zodat die eigendom hun niet meer bij akte (art. 3:89 lid 1 BW) behoeft te worden geleverd.
De akte waarvoor het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt, is dus niet een akte als bedoeld in art. 3:301 lid 1 BW, maar, gelet op 5.3 en 5.2 van het dictum van dat vonnis, klaarblijkelijk een akte, houdende de in art. 37 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet bedoelde instemming van de zijde van Esconado c.s. met een inschrijving op de voet van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder i BW van de verkrijging door verjaring.

De onderdelen 1.1 en 1.2 slagen dan ook.

3.4.3

Onderdeel 1.3 gaat uit van een andere en dus onjuiste lezing van de bestreden arresten en kan daarom, bij gebrek aan feitelijke grondslag, niet tot cassatie leiden. Ten overvloede wordt nog overwogen dat de daarin bepleite rechtopvatting juist is.

Nu in art. 3:301 BW op een verzuim van inschrijving de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de wettekst niet wordt bestreken. (vgl. HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743, NJ 2006/216).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2012, 24 december 2013 en 16 december 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Esconado c.s. begroot op € 913,33 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 juli 2016.