Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:144

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
14/06530
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 3, Wet WOZ. Gecorrigeerde vervangingswaarde [A]. Vervangingswaarde grond bepalen exclusief aanlegkosten. Excessieve gebruikskosten i.v.m. onrendabele grootte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/9.22 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/231
BNB 2016/73 met annotatie van J.A. MONSMA
Belastingblad 2016/120 met annotatie van J.P. Kruimel
FutD 2016-0275
NTFR 2016/614 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2016

nr. 14/06530

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden te Den Haag (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2014, nrs. BK‑13/00368 en BK-13/00369, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 11/4661 en ROT 10/4786) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2008 alsmede de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie op [Q], genaamd [A]. Dit complex bestaat uit onder meer een gebaggerde put met ringdijken (hierna: het waterbekken), wegen, talud en sedimentbekkens, een pompinstallatie en pijpleidingen, alsmede een kantoorgebouw.

2.1.2.

Het complex is in zee en in/op de zeebodem aangelegd aan de zuidwestkust van [Q]. Voor het grootste deel is het baggerslibdepot een diepe omdijkte put waarin zwaar verontreinigd slib wordt geborgen.

2.1.3.

De bergingscapaciteit van [A] is 150 miljoen m3 baggerspecie. Ten tijde van de openstelling in 1987 was de verwachting dat het depot omstreeks 2002 vol zou zijn. Thans is de verwachting dat dit pas in 2045 het geval zal zijn.

2.1.4.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van het complex voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het jaar 2008, naar de toestand op 1 januari 2008 en naar de waardepeildatum 1 januari 2007, vastgesteld op € 88.582.000.

2.2.1.

Voor het Hof was de in 2.1.4 bedoelde waarde in geschil. Daarbij was niet in geschil dat deze waarde op de voet van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ moet worden bepaald naar de gecorrigeerde vervangingswaarde.

In geschil is met name welke waarde aan de grond dient te worden toegekend en of een aftrek voor functionele veroudering wegens excessieve gebruikskosten in aanmerking dient te worden genomen en, zo ja, hoe hoog deze dient te zijn.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de ondergrond van het waterbekken op de waardepeildatum niet is aan te merken als zeebodem, doch als grond die bestemd en geschikt is voor de opslag van (sterk) vervuild rivier- en havenslib. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de door hem in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 niet te hoog is.

Daartegenover heeft belanghebbende naar ’s Hofs oordeel terecht gesteld dat sprake is van een dubbeltelling voor zover in die waarde zijn verdisconteerd de aanlegkosten van [A] als onderdeel van de vervangingswaarde van de infrastructuur. Het Hof schat die kosten op € 16 per m2. Het Hof brengt deze aanlegkosten, in totaal € 39.507.936, in mindering op de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur ten bedrage van € 79.877.763. Op het dan resterende bedrag van € 40.369.827 past het Hof vervolgens correcties wegens technische en functionele veroudering toe.

2.2.3.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van een correctie voor excessieve gebruikskosten als onderdeel van de afschrijving wegens functionele veroudering, welke overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank € 5.403.000 bedraagt. Het Hof overweegt daartoe dat de Rechtbank met het volgen van de door de heffingsambtenaar voorgestane methodiek op goede gronden juist heeft geoordeeld.

2.3.1.

De eerste klacht komt op tegen de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.

Deze klacht slaagt voor zover zij betoogt dat het Hof daarbij is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de ondergrond van het waterbekken moet worden uitgegaan van de investering die nodig is om een identieke vervangende zaak, in dit geval de zeebodem, te verwerven. Daarbij dient geen rekening te worden gehouden met de investeringen die vervolgens na de verwerving zijn gedaan teneinde op die zeebodem de infrastructuur voor het aan te leggen waterbekken te vervaardigen. Die aanlegkosten dienen te worden gerekend tot de (ongecorrigeerde) vervangingswaarde van de infrastructuur, waarop – anders dan voor grond geldt – afschrijvingen wegens technische en functionele veroudering kunnen plaatsvinden.

Het Hof heeft derhalve weliswaar terecht aangenomen dat in de opstelling van de heffingsambtenaar een dubbeltelling was begrepen, maar ter correctie daarvan had het Hof de aanlegkosten van het waterbekken niet moeten toerekenen aan de vervangingswaarde van de grond, maar aan de vervangingswaarde van de infrastructuur.

2.3.2.

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 is overwogen dient de waarde van de zeebodem opnieuw te worden vastgesteld.

De klachten over de door het Hof in aanmerking genomen waarde van € 16,50 per m2 inclusief de aanlegkosten van het waterbekken, behoeven geen behandeling.

2.4.1.

De klacht over het hiervoor in onderdeel 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof faalt voor zover deze het Hof verwijt dat het van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat van excessieve gebruikskosten sprake is als de gebruikskosten van een onroerende zaak in betekenende mate uitgaan boven de gebruikskosten van vergelijkbare objecten met dezelfde aard en bestemming.

2.4.2.

De klacht slaagt echter voor zover zij opkomt tegen de motivering van ’s Hofs oordeel aangaande de omvang van die excessieve gebruikskosten. Het Hof heeft zich op dat punt verenigd met het oordeel van de Rechtbank. Bij dit oordeel is de Rechtbank onder meer ervan uitgegaan dat de excessieve gebruikskosten zijn te schatten op 10 percent van de door de heffingsambtenaar berekende exploitatiekosten. In de in hoger beroep ingediende stukken heeft belanghebbende de hoogte van de aldus in aanmerking genomen exploitatiekosten en de daarop gebaseerde berekening van de heffingsambtenaar gemotiveerd bestreden. Door zonder nadere motivering aan te sluiten bij het door de Rechtbank gegeven oordeel heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in de aan zijn beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, zodat dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 en 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de voorlopige aanslag,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.