Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1438

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15/00560
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:342, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Goederenrecht, burenrecht. Is sprake van een onzekere grens als bedoeld in art. 5:47 BW (van Sint Maarten) als partijen twisten over de eigendom van een perceel? Beroep op verkrijgende verjaring en passeren bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/273
NJ 2016/310 met annotatie van
RvdW 2016/810
NJB 2016/1481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2016

Eerste Kamer

15/00560

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De erfgenamen van [betrokkene 1] ,
wonende te Sint Maarten,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaten: mr. J.F. de Groot en mr. R.R. Verkerk,

t e g e n

de erfgenamen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ,
wonende te Sint Maarten,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J. de Jong van Lier.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak A.R 49 van 2010 van het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten van 21 september 2010 en 28 juni 2011;

b. de vonnissen in de zaak AR 49/2010 ghis 58053-H 280/12 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 8 maart 2013 en 7 november 2014;

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 7 november 2014 hebben de erven [betrokkene 1] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De erven [betrokkene 2 en 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de erven [betrokkene 1] toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 7 november 2014 en tot terugwijzing.

De advocaat van de erven [betrokkene 2 en 3] heeft bij brief van 12 april 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) De gronden van de erven [betrokkene 1] en die van de erven [betrokkene 2 en 3] , gelegen op Marigot Hill te Sint Maarten, grenzen aan elkaar.

  • -

    ii) Tussen partijen is in geschil of een perceel, beschreven door het Kadaster in een meetbrief
    nr. 457/1996 (hierna: het perceel), eigendom is van de erven [betrokkene 1] dan wel van de erven [betrokkene 2 en 3] .

  • -

    iii) Aan de noordzijde van dit perceel is door [betrokkene 1] , althans door de rechtsvoorganger van de erven [betrokkene 1] , ooit een woning gebouwd. Deze woning is nog altijd bewoond en wordt in de processtukken aangeduid als de woning van ‘de oude dame’.

  • -

    iv) De meetbrief van het Kadaster nr. 457/1996 vermeldt het volgende over het perceel:

“This parcel of land is situated on the Island of St. Maarten, Netherlands Antilles, in the disctrict of Cul de sac at the Marigot hill road and forms the parcel of land of the Heirs of [betrokkene 1] .

It is bounded by the parcel of land of the Heirs of [betrokkene 4] , the lands of [betrokkene 5] , by lands in the French division of the Island and by the public road (namely Marigot hill road), as shown on the attached plan.

Aard van het terrein en de bebouwing house and yard.

Grensverzekering rockwalls and iron rods

Oppervlakte 8993 m² (…)

Zakelijk gerechtigde(n) The Heirs of [betrokkene 1] ”.

( v) In een brief van het Kadaster van 7 mei 2008, gericht aan onder meer de erven [betrokkene 1] en de erven [betrokkene 2 en 3] , is onder meer het volgende vermeld:

“Recently Kadaster put some effort in researching the ownership situation on Marigot Hill, Cul-de-Sac. (…).

(…)

(1) Of said property meetbrief 457/1996 (2 acres) was created, in which [betrokkene 1] (deed C17-4) was mentioned as the title holder. This is not correct. The lands of Romou are located a little more in western direction. This meetbrief has no deed, therefore changes are relatively easy to make.

The heirs of [betrokkene 1] are adviced to return their meetbrief and have it rectified.

(…)”

( vi) Ook in een rapport van 1 juli 2009 en een brief van 7 februari 2011 heeft het Kadaster zich uitgelaten over de ligging van het perceel.

3.2.1

De erven [betrokkene 2 en 3] hebben in eerste aanleg gevorderd (i) voor recht te verklaren dat de vaststelling van de grenzen van hun landerijen door het Kadaster juist is, althans (ii) over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van de grenzen van die landerijen. De erven [betrokkene 1] hebben in reconventie voorwaardelijk verzocht te bepalen dat de grens tussen de partijen toekomende gronden zal worden bepaald overeenkomstig de feitelijke grensafscheidingen door middel van de ter plaatse aanwezige rockwalls of de resten daarvan, een en ander zoals nader aangegeven in de meetbrief nr. 457/1996.

Het gerecht heeft de erven [betrokkene 2 en 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

3.2.2

In hoger beroep vorderen de erven [betrokkene 2 en 3] , samengevat en voor zover van belang, dat het hof de grenzen van de landerijen toebehorende aan beide partijen zal vaststellen met inachtneming van de rapportages van het Kadaster van 7 mei 2008 en 1 juli 2009 en voor recht zal verklaren dat het perceel aan de erven [betrokkene 2 en 3] toebehoort. De erven [betrokkene 1] vorderen in hoger beroep toewijzing van hun reconventionele vorderingen.

Het hof heeft de grens tussen de landerijen van partijen zodanig vastgesteld dat deze loopt langs de westelijke perceelgrens van het perceel beschreven in meetbrief nr. 457/1996 en voor recht verklaard dat het perceel toebehoort aan de erven [betrokkene 2 en 3] . Daartoe heeft het in zijn eindvonnis overwogen:

“2.4 In appel wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het GEA dat er geen sprake is van een onzekere grens en er daarom geen plaats is voor een vordering tot grensbepaling.

2.5

Op basis van de waarnemingen van het Hof bij de comparitie ter plaatse, de mededelingen van partijen aldaar en de uitleg van de medewerkers van het Kadaster aldaar blijkt dat het geschil wordt bepaald door de vraag of de grens tussen de gronden van partijen loopt langs de westelijke perceelgrens (standpunt erven [betrokkene 2 en 3] ) of langs de oostelijke perceelgrens (standpunt erven [betrokkene 1] ) van het perceel beschreven in meetbrief no. 457 van 1996 (productie 1 conclusie van antwoord). Volgens de erven [betrokkene 2 en 3] maakt dat perceel – een langwerpige, schuin gelegen strook grond lopend van de bovenkant van de heuvel tevens de grens met de Franse kant (de noordelijke perceelgrens) tot de Marigot Hill Road bij de onderkant van de heuvel (de zuidelijke perceelgrens) – deel uit van hun ten oosten gelegen gronden en volgens de erven [betrokkene 1] maakt deze deel uit van de aan hen toebehorende ten westen gelegen gronden (zie ook de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte afschriften van de kaarten waarvan de medewerkers van het Kadaster zich bij de comparitie hebben bediend). Anders gezegd is de vraag of deze strook grond verder naar het westen geprojecteerd had moeten worden, en wel een breedte van die strook verder. Het gaat immers om de grens tussen de gronden verkregen bij de scabinale akte van 8 mei 1867 (erven [betrokkene 1] ) en de gronden verkregen bij scabinale akten van 14 augustus 1866 nrs. 18 en 19 (erven [betrokkene 2 en 3] ).

2.6

Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in de meetbrief no. 457 van 1996 nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn, en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de erven [betrokkene 1] van hun gronden en volgens de erven [betrokkene 2 en 3] van hun gronden, is er sprake van een onzekere grens.

2.7

Aldus zal worden overgegaan tot gerechtelijke grensbepaling. Uit de rapporten c.q. brief van het Kadaster van 7 mei 2008, 1 juli 2009 en 7 februari 2011 (producties 2 en 3 inleidend verzoekschrift en productie 2 conclusie van repliek), alsmede de nadere toelichting van de medewerkers van het Kadaster bij de comparitie ter plaatse, blijkt helder dat meetbrief no. 457 van 1996 destijds verkeerd is opgemaakt en westelijker geprojecteerd had moeten worden, en wel zodanig dat de oostelijke perceelgrens had moeten lopen waar in die meetbrief de westelijke perceelgrens is geprojecteerd. Aldus kan worden geconstateerd dat het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 deel uitmaakt van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3] . Nu het perceel met meetbrief no. 76 van 2001, waarop de woning van “de oude dame” staat, deel uitmaakt van het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 kan eveneens worden vastgesteld dat die woning is gebouwd op de onroerende zaak toebehorend aan de erven [betrokkene 2 en 3] .

2.8

Het door de erven [betrokkene 1] gedane beroep op verjaring gaat niet op, alleen al niet omdat ingevolge artikel 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de eigenaar is niet geldt in het onderhavige geval. De vraag waaruit de bezitsdaden hebben bestaan voor het overgrote gedeelte van het perceel met meetbrief no. 457 van 1996 – naar de waarneming van het Hof een vol begroeid stuk natuur dat niet wordt gebruikt (het gehele perceel behalve het perceel waarop de woning van de oude dame staat (meetbrief no. 76 van 2001)) – behoeft dus niet meer te worden beantwoord.

2.9

De verwijzing door de erven [betrokkene 1] naar de verkrijgende titels van de aan hen op Marigot Hill toebehorende gronden (producties 2 en 3 conclusie van antwoord) treft geen doel, nu daaruit niets blijkt omtrent de ligging en de afgrenzing van het litigieuze perceel omschreven in meetbrief no. 457 van 1996.”

3.3.1

Onderdeel 1.1 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.6 van zijn eindvonnis) dat in een geval als hier aan de orde, waarbij wordt getwist over de eigendom van een perceel waarvan de grenzen vaststaan, art. 5:47 BW Sint Maarten (hierna: BWSM) moet worden toegepast. Het betoogt dat, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de grens (desnoods na bewijslevering) niet kan worden vastgesteld, terwijl de erven [betrokkene 1] bewijs hebben aangeboden, zowel van de ligging van de rockwalls, als van verkrijgende verjaring, geen sprake is van een onzekere grens als bedoeld in die bepaling.

Onderdeel 2.1 is gericht tegen de verwerping (in rov. 2.8 van het eindvonnis) van het beroep op verkrijgende verjaring van het perceel door de erven [betrokkene 1] op de grond dat het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is, ingevolge art. 5:47 lid 2 BWSM niet geldt. Het betoogt onder meer dat niet valt in te zien waarom sprake is van een onzekere grens in de zin van art. 5:47 BWSM indien de erven [betrokkene 1] als gevolg van verjaring eigenaar zijn van het perceel.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3.2

Art. 5:47 lid 1 BWSM bepaalt dat indien de loop van de grens tussen twee erven onzeker is, ieder van de eigenaren te allen tijde kan vorderen dat de rechter de grens bepaalt. Ingevolge lid 2 geldt in dat geval niet het wettelijk vermoeden dat de bezitter eigenaar is.
De bepaling is gelijkluidend aan art. 5:47 BW. In de parlementaire geschiedenis is met betrekking tot art. 5:47 BW opgemerkt:

“Kunnen partijen het over de lijn waarlangs de grenstekens moeten worden gesteld, niet eens worden, dan moet de rechter beslissen. Als een van de partijen kan bewijzen waar de grens loopt, kan hij een bindende beslissing van de rechter uitlokken, hetzij door de grensstrook als zijn eigendom op te vorderen, hetzij door een declaratoir vonnis over de eigendom der grensstrook te vragen. Langs deze weg kan echter een bindende beslissing niet worden verkregen, indien geen van beide partijen in staat is te bewijzen waar de grens loopt. Artikel [5:47] vult daarom de regeling van artikel 678 B.W. aan, door (…) aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven een bijzondere vordering toe te kennen, daartoe strekkende, dat een omtrent de loop der grens bestaande onzekerheid zal worden opgeheven.” (T.M., Parl. Gesch. Boek 5, p. 195)

En:

“Volgens dit artikel kan de rechter alleen dan tot een grensbepaling overgaan, als hem blijkt, dat de grens onzeker is. De stelling van een der partijen, dat de grens zeker is, doet dus een prealabele vraag rijzen, waarover de rechter uitspraak moet doen voordat hij een grensbepaling als in dit artikel bedoeld, kan geven. Deze prealabele vraag rijst, wanneer de eiser primair vordert, dat de rechter zal verstaan, dat de grens langs een door eiser aangegeven lijn ligt, en subsidiair, [dat] de rechter met toepassing van het onderhavige artikel de grensonzekerheid zal opheffen. Dezelfde vraag rijst ook, wanneer de gedaagde als verweer tegen een vordering tot grensbepaling aanvoert, dat hij zekerheid omtrent de grens kan verschaffen; slaagt hij er in de juiste grens aan te wijzen, dan moet de vordering worden afgewezen.

In geval van grensgeschil zal de feitelijke situatie veelal zo zijn, dat beide partijen op de grensstrook even veel of even weinig bezitsdaden verrichten, zodat geen van hen zich als bezitter kan beschouwen. Het is echter ook mogelijk, dat het grensgeschil juist is ontstaan doordat een van de buren de grensstrook, tezamen met de grond die onbetwist zijn eigendom is, in exploitatie heeft genomen en door het aanbrengen van een omheining zijn buurman van deze strook heeft geweerd. Kan hij dan stellen, dat hij door zijn bezit van de bewuste strook het bewijs van zijn eigendom heeft geleverd en dat er dus, behoudens tegenbewijs, geen onzekerheid over de grens bestaat? Bij het opstellen van het ontwerp is er van uitgegaan, dat in de verhouding tussen buren een daad van eigenrichting als de bovenvermelde een zo grote betekenis niet mag hebben. Om te voorkomen, dat het wettelijk vermoeden van art. 3.5.13 ook bij de berechting van grensgeschillen zou worden toegepast, is het tweede lid opgenomen. Dit tweede lid verbiedt de rechter niet, bij de beantwoording van de vraag of de grens zeker dan wel onzeker is, aan de bezitstoestand een vermoeden te ontlenen; het beoogt slechts om aan de rechter over te laten welke bewijskracht in een gegeven geval aan het bezit moet worden toegekend voor de vraag waar de grens van de eigendom loopt.

Een prealabel geschil over de eigendom van de grensstrook rijst ook, wanneer de gedaagde zijn eigendomsrecht op de grensstrook wil staven met een beroep op een afzonderlijke titel. Men denke aan het geval dat de grensstrook niet valt onder de omschrijving van het door gedaagde gekochte perceel maar naderhand door verjaring daaraan is toegevoegd, alsmede aan het geval, dat gedaagde zijn recht op de grensstrook en zijn recht op de rest van het terrein door afzonderlijke koopovereenkomsten heeft verworven. Voert gedaagde een verweer van deze aard, dan moet de rechter daarover uitspraak doen alvorens hij het onderhavige artikel kan toepassen.” (T.M., Parl. Gesch. Boek 5, p. 197)

Er is geen grond art. 5:47 BWSM anders uit te leggen dan art. 5:47 BW. Derhalve geldt, gelet op de zojuist aangehaalde toelichting, ook voor art. 5:47 BWSM dat voor een rechterlijke grensbepaling als daarin voorzien, eerst plaats is indien geen van de partijen zich beroept op een bepaalde loop van de grens of, voor zover wel van zo’n beroep sprake is, de gestelde loop van de grens niet kan worden bewezen.

3.3.3

Naar het hof heeft vastgesteld, zijn de grenzen van het omstreden perceel tussen partijen niet in geschil, maar strijden zij over de vraag wie van hen de eigendom van dat perceel heeft. In dat kader hebben de erven [betrokkene 1] aangevoerd dat het perceel hun eigendom is en dat de grens van hun eigendom wordt bepaald door de langs het perceel lopende rockwalls. Daarnaast hebben zij zich erop beroepen dat het perceel door verkrijgende verjaring hun eigendom is geworden. Zij hebben ter zake van deze stellingen een bewijsaanbod gedaan. Gelet hierop heeft het hof ten onrechte toepassing gegeven aan art. 5:47 BWSM. De daarop gerichte klachten zijn dan ook gegrond.

3.4

Gelet op het voorgaande behoeft het middel voor het overige geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 7 november 2014;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de erven [betrokkene 2 en 3] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven [betrokkene 1] begroot op € 403,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. de Groot, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 juli 2016.