Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1404

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
14/06352
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:593, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huisvredebreuk. Woning “in gebruik” a.b.i. art. 138.1 Sr? Het Hof heeft geoordeeld dat het feitelijk gebruik door de aangeefster van de woning in het bijzonder kan worden afgeleid uit haar koop- en bruikleenovereenkomst m.b.t. de woning en de verklaring van aangeefster dat zij ongeveer elke dag bij de woning was en gesprekken voerde met een aannemer over een toekomstige verbouwing van de woning. Het op de door het Hof vastgestelde – in onderling verband en samenhang te beschouwen – omstandigheden gebaseerde oordeel dat de woning “in gebruik” was bij een ander a.b.i. art. 138.1 Sr, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, verweven als het is met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1436
RvdW 2016/835
NJ 2016/365 met annotatie van P. Mevis
SR-Updates.nl 2016-0303
SR-Updates.nl 2016-0277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 14/06352

ABO/LN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 december 2014, nummer 22/002480-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Tamas, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 5 mei 2014 tot en met 6 mei 2014 te Wassenaar in een woning, gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [betrokkene 1], wederrechtelijk is binnengedrongen."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL15000-2014089483-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de aangeefster [betrokkene 1] (blz. 1 e.v.):

Ik heb een bruikleenovereenkomst getekend voor de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar. Tevens heb ik voor deze woning een koopovereenkomst getekend. Ik ben ongeveer elke dag bij de woning. Ik ben momenteel bezig met een aangever (het hof begrijpt: aannemer) voor een aankomende verbouwing.

Vandaag, 6 mei 2014, tussen 13:00 en 14:00 uur kwamen wij, ik en mijn zoon, bij de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar. Na korte tijd zagen we bij de voordeur dat er een persoon in de woning was. De politie is door het keukenraam naar binnen gegaan en heeft de man gesproken. Ik zag dat deze man op een gegeven moment aangehouden werd. Ik ken deze man niet. Ik heb ook niemand toestemming gegeven om deze woning in te gaan.

2. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 6 mei 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1500-2014089471-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als bevindingen van de betreffende opsporingsambtenaren (blz. 31 e.v.):

Op dinsdag 6 mei 2014 kreeg de noodhulpeenheid van Wassenaar een melding op de [a-straat 1] te Wassenaar. Omstreeks 14:30 uur kwamen wij aan het op het hierboven vermelde adres. Ik zag dat er een man voor de deur stond in de woning. Na aanroepen van de man dat hij de deur open moest doen, liep de man naar de woonkamer. Hier opende hij een raam en stond ons te woord. Vervolgens heb ik de man gevraagd of hij zich kon legitimeren. Op dinsdag 6 mei 2014 om 14:45 heb ik verbalisant [verbalisant] aangehouden de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats].

3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 6 mei 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1500-2014089471-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [getuige] (blz. 21 en 22):

Ik ben de overbuurvrouw van de [a-straat 1] te Wassenaar. Ik heb contact met mijn overbuurvrouw [betrokkene 1]. Zij heeft aan mij gevraagd of ik de woning van haar een beetje in de gaten kan houden. Ik loop meerdere malen per dag met de hond langs de woning [a-straat 1]. De gordijnen van deze woning zijn nooit gesloten. Gisteravond, maandag 5 mei 2014 omstreeks 20:00 uur liep ik langs de woning en zag alles er nog normaal uit. Ik bedoel hiermee dat de gordijnen nog open waren. Ik heb toen ook niets vreemds gezien. Diezelfde avond, rond 22:00, zei mijn man tegen mij dat hij een vreemde auto had zien rijden over het laantje. Op maandag 6 mei 2014, omstreeks 00:30 uur liep ik voor het laatst een rondje met de hond. Ik heb dan altijd een zaklamp bij me. Ik scheen met mijn zaklamp naar de woning. Het viel mij gelijk op dat de gordijnen van de woning gesloten waren.

4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 6 mei 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1500-2014089471-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte (blz. 40 e.v.):

V= Wij hebben getuigenverklaringen dat je er niet langer dan 24 uur inzit, wat wil jij daar over verklaren?

A= [betrokkene 2] zat er al drie dagen en ik ben er gisteren bijgekomen."

2.3.

Het Hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ter zake het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit, nu er volgens hem geen sprake was van feitelijk gebruik van de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar door [betrokkene 1]. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat zij in mei 2014 op een ander adres verbleef en dat zij haar buurvrouw had verzocht om te letten op onrechtmatig gebruik van de woning. Voorts werd in die maand de woning niet verbouwd. Verder was de koopovereenkomst niet voldoende om vast te stellen dat de woning feitelijk in gebruik was bij de aangeefster, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het onderliggende strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betreffende woning feitelijk in gebruik was bij de aangeefster. Het hof baseert zijn oordeel op de met betrekking tot deze woning gesloten koop- en bruikleenovereenkomst tussen Stichting Twickel en de aangeefster en op de verklaringen van aangeefster dat zij ongeveer elke dag bij de woning is en dat zij momenteel gesprekken voert met een aannemer over een toekomstige verbouwing van de woning. Dat in de periode van 5 mei 2014 tot en met 6 mei 2014 de woning (nog) niet werd verbouwd, aangeefster op een ander adres verbleef en haar overbuurvrouw had gevraagd haar woning in de gaten te houden, betekent - anders dan de raadsman heeft aangevoerd - op zich niet dat geen sprake was van feitelijk gebruik van de woning door de aangeefster. De verdachte verbleef dan ook gedurende de ten laste gelegde periode onrechtmatig in de woning."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring bedoelde woning "in gebruik" was bij de aangeefster [betrokkene 1].

3.2.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 138, eerste lid, Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking "in gebruik" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

3.3.

Art. 138, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

3.4.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overweging geoordeeld dat het feitelijk gebruik door de aangeefster van de woning te Wassenaar in het bijzonder kan worden afgeleid uit haar koop- en bruikleenovereenkomst met betrekking tot deze woning en de verklaring van de aangeefster dat zij ongeveer elke dag bij de woning was en gesprekken voerde met een aannemer over een toekomstige verbouwing van de woning. Het op de door het Hof vastgestelde - in onderling verband en samenhang te beschouwen - omstandigheden gebaseerde oordeel dat de woning "in gebruik" was bij een ander als bedoeld in art. 138, eerste lid, Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, verweven als het is met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

3.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.