Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1394

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/01638
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:573, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:632, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Klimop-zaak. Redelijke termijn. Art. 6 EVRM. ’s Hofs oordeel dat “de duur van de strafprocedure in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk, maar niet onredelijk” is, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen andere motivering. De omstandigheid dat in e.a. de behandeling van de zaak in aanzienlijke mate is vertraagd door de niet aan verdachte toe te rekenen omstandigheid dat de Rb is gewraakt, leidt niet tot een ander oordeel. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de zaak een complex karakter heeft, mede vanwege “de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/889
NJ 2016/332
SR-Updates.nl 2016-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/01638

SBE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015, nummer 23/000338-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en J. Kuijper, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het negende middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet is overschreden. Het voert daartoe onder meer aan dat de termijnoverschrijding in eerste aanleg als gevolg van de wraking van de Rechtbank niet voor rekening van de verdachte behoort te komen.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2014 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de in het dossier gevoegde pleitnota van 8 oktober 2014 en de pleitnota van 8 november 2012. Deze pleitnota's houden, voor zover hier van belang, in:

- pleitnota van 8 oktober 2014:

"245. Dat staat niet los van de overschrijding van de redelijke termijn, die voor strafvervolging in acht dient te worden genomen. Teneinde herhaling van hetgeen reeds is bepleit te voorkomen, verzoekt de verdediging (akte van) uw instemming om in dit kader te verwijzen naar de paragrafen 14.3 t/m 14.9 van mijn pleitaantekeningen van 8 november 2012 en dit als hier herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank heeft de verdediging in dezen gevolgd en deze schending ook (ten dele) vastgesteld.

246. De behandeling in hoger beroep zal dit niet herstellen. Er valt immers niet te verwachten dat er voor februari/maart 2015 een einduitspraak zal zijn, hetgeen de termijn voor een feitelijke behandeling in twee jaren reeds overschrijdt. Overigens is deze overschrijding niet gerechtvaardigd, nu door uw Hof in onderhavige zaak slechts twee getuigen zijn gehoord, welke beide verhoren slechts een dag in beslag namen. Het ligt in dit verband op de weg van de verdediging aandacht te vestigen op art. 345 lid 3 Sv: "In geen geval mag de uitspraak later plaatsvinden dan op den veertiende dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis." Terwijl vandaag, 8 oktober 2014 het onderzoek jegens cliënt wordt afgerond, ligt een uitspraak pas over een halfjaar in het verschiet.

247. Al met al is voor cliënt de facto sprake van een onevenredig lange periode, die voor hem reeds in veel opzichten als een 'gevangenschap' wordt beleefd. Ik verzoek uw Hof met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM rekening te houden in de eventuele strafoplegging. Strafvermindering is dan de voor de hand liggende route."

- pleitnota van 8 november 2012:

"14.3 Onmiskenbaar kan de strafmaat in onderhavige zaak niet worden vastgesteld zonder dat de cliënt niet toe te rekenen 5 jarige 'voorberechting' in het kader van de (schending van de) redelijke termijn in acht wordt genomen. Op grond van bestendige rechtspraak van de Hoge Raad dient als uitgangspunt te worden genomen dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, het gedrag van de verdachte en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten wordt behandeld. Ten aanzien van laatstgenoemde kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is gebracht.

14.4

In de vonnissen d.d. 27 januari 2011 inzake 'Klimop', oordeelde de rechtbank Haarlem dat een termijn van meer dan vier jaar, welke een aanvang heeft genomen, op het moment dat de verdachten in verzekering zijn gesteld, onwenselijk is, maar niet onredelijk lang. Dat ligt anders bij de berechting van cliënt [verdachte]. Daar waar tegen zijn medeverdachten eind januari 2012, zijnde vier jaar na de aanvang van de redelijke termijn, vonnis is gewezen, wordt cliënt geconfronteerd met nog een extra jaar onzekerheid ten aanzien van de hem te wachten staande berechting in eerste aanleg. De verdediging stelt dan ook vast dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van cliënt vijf jaar in beslag heeft genomen. Immers, cliënt is aangehouden op 13 november 2007 en de uitspraak van uw rechtbank in eerste aanleg zal naar alle waarschijnlijkheid plaatsvinden in december 2012.

14.5

Dat cliënt een jaar langer dan zijn medeverdachten moet 'wachten' op een vonnis in eerste aanleg is deels gevolg van de wraking van de rechtbank Haarlem, zoals uitgesproken in april 2011. De door de wrakingskamer uitgesproken 'vooringenomenheid' is niet aan (enig handelen van) cliënt toe te rekenen en de hiermee gepaard gaande vertraging van het strafproces kan daarom niet voor zijn rekening komen.

14.6

De verdediging heeft er begrip voor dat de hervatting van het strafproces in een andere samenstelling na de wraking in april 2011 enige tijd in beslag heeft moeten nemen. De verdediging acht deze periode mede in het licht van de voorgeschiedenis disproportioneel en onbillijk in aanmerking nemende dat er nagenoeg geen onderzoekshandelingen zijn geweest in deze periode. Daarnaast verdient opmerking dat het dossier beschikbaar was ter gelegenheid van de eerste regiezitting die plaatsvond in maart 2012 (bijlage 5).

14.7

Derhalve kan worden gesteld dat de duur van de strafzaak in aanzienlijke mate is vertraagd in de periode tussen de uitspraak van de wrakingskamer en de inhoudelijke behandeling dezer dagen. Die vertraging valt in elk geval cliënt niet aan te rekenen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld van invloed is op de redelijkheid van de duur van een strafzaak. In onderhavige zaak zou de redelijkheid van de termijn ook bij berechting op 27 januari 2012 al voor discussie vatbaar zijn geweest. Er moet hoe dan ook worden vastgesteld dat bij een voortvarend handelen van de autoriteiten na de uitspraak van de wrakingskamer reeds lang en breed een vonnis op tafel zou hebben gelegen. Hieraan kan in redelijkheid geen andere conclusie worden verbonden dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

14.8

De periode van vijf jaar voor een uitspraak in eerste aanleg impliceert voor cliënt dat hij in feite vijf jaar achter de tralies doorbrengt. 'Publiekelijk' is hij per slot van rekening ai vijf jaar geleden gevonnist. Deze periode van vijf jaar heeft een zware impact gehad op het (dagelijks) leven van cliënt. Zijn uiterst succesvolle onderneming wordt al vijf jaar gekenmerkt door de vermeende 'Klimop-fraude' en ook in zijn sociale leven wordt cliënt al 5 jaren lang ernstig bemoeilijkt door zijn ophanden zijnde berechting.

14.9

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

Van Dale definieert dat als 'compensatie': 'het goedmaken, het aanvullen of vervangen van iets dat te kort schiet of uitgevallen is'. Mede in samenhang met andere factoren, zoals hetgeen ik u heb geschetst omtrent de bejegening is strafvermindering dan de voor de hand liggende route."

2.3.

Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in:

"Ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft in beginsel het volgende te gelden.

Wat betreft de berechting van een zaak in eerste aanleg dient de zaak ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel, eveneens behoudens bijzondere omstandigheden.

Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn in eerste aanleg een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 13 november 2007 kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis is gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vijfjaren in beslag heeft genomen. Ten aanzien van de procedure bij het hof is de termijn aangevangen op 3 januari 2013, de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. Nu het hof op 27 februari 2015 uitspraak doet, heeft de hoger beroepsprocedure meer dan twee jaren in beslag genomen.

Het hof acht de duur van de strafprocedure in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk maar niet onredelijk, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD verrichte onderzoek waarbij een groot aantal (rechts)personen als verdachte is aangemerkt en dat ook nog na 13 november 2007 heeft plaatsgevonden, de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, het uitgebreide onderzoek dat mede op verzoek van de verdediging in de zaak van verdachte en in de zaken van medeverdachten heeft plaatsgevonden, alsook de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen."

2.4.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7.)

2.5.

De Hoge Raad heeft in voormeld arrest in rov. 3.13.1 het volgende overwogen:

"De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht."

2.6.

Het Hof heeft geoordeeld dat "de duur van de strafprocedure in eerste aanleg en hoger beroep onwenselijk, maar niet onredelijk" is. Dat oordeel is in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.4 en 2.5 is vooropgesteld niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De omstandigheid dat in eerste aanleg de behandeling van de zaak in aanzienlijke mate is vertraagd vanwege de niet aan de verdachte toe te rekenen omstandigheid dat de Rechtbank is gewraakt, leidt niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de zaak een complex karakter heeft, mede vanwege "de tijd die de behandeling van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen".

2.7.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, V. van den Brink, A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.