Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1353

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
08-07-2016
Zaaknummer
15/04315
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:338, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:3434, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.120, lid 1, letter b, Wet IB 2001; erfpachtconstructie; aftrekbaarheid erfpachtcanon verbonden aan het behouden en blijven gebruiken van de eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1535
V-N 2016/38.17 met annotatie van Redactie
BNB 2016/203 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2016/116 met annotatie van mr. W.A.P. van Roij
FutD 2016-1697 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/1850 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 2016

nr. 15/04315

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 augustus 2015, nr. 14/00747, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 13/3224) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 april 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in het jaar 1977 de eigendom verworven van een perceel grond. Op dat perceel heeft belanghebbende opstallen gesticht die belanghebbende en zijn echtgenote sindsdien als hoofdverblijf dienen (hierna: de woning).

2.1.2.

In verband met de woning is belanghebbende in het jaar 1988 een rentedragende lening van Hfl 500.000 (€ 226.890) aangegaan. In 2008 heeft belanghebbende ter zake van deze lening € 11.344 aan rente betaald.

2.1.3.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben twee kinderen (hierna: de kinderen). Bij akte van 29 december 2006 heeft belanghebbende het perceel grond aan de kinderen verkocht en geleverd onder voorbehoud van een voortdurend recht van erfpacht en een eveneens voortdurend recht van opstal.

De inhoud van de akte is in de bestreden uitspraak weergegeven in de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2.

2.1.4.

De door de kinderen verschuldigde koopsom bedroeg € 800.000, welk bedrag blijkens de hiervoor in onderdeel 2.1.3 bedoelde akte terstond is omgezet in een geldlening. De uit deze lening voortkomende vordering op de kinderen heeft belanghebbende in de jaren 2006 en 2007, telkens in twee gelijke delen, kwijtgescholden. Ter zake daarvan is van de kinderen in beide jaren schenkingsrecht geheven.

2.1.5.

Bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 heeft belanghebbende een bedrag aan inkomsten uit eigen woning vermeld waarop hij in aftrek heeft gebracht het hiervoor in onderdeel 2.1.2 genoemde bedrag aan rente alsmede een bedrag van € 45.000 dat hij in dat jaar als erfpachtcanon aan de kinderen heeft betaald. De Inspecteur heeft de aftrek van de rente wel, maar van de erfpachtcanon niet toegestaan.

2.2.

Voor zover in cassatie van belang was bij het Hof in geschil of de door belanghebbende betaalde erfpachtcanon op de voet van artikel 3.120, aanhef en lid 1, letter b, Wet IB 2001 aftrekbaar is als kosten met betrekking tot de woning.

2.3.

Het middel keert zich met een rechtsklacht en met motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende het als erfpachtcanon betaalde bedrag niet in aftrek kan brengen.

2.3.1.

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld. Volgens artikel 3.120, aanhef en lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2008) behoren tot de aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de eigen woning. Deze bepaling strekt ertoe de erfpachter die een vergoeding (canon) moet betalen voor het recht een onroerende zaak te houden en te gebruiken, materieel in eenzelfde fiscale positie te brengen als degene die eigenaar is van de ondergrond van zijn woning en de hypothecaire lasten ter zake daarvan mag aftrekken. Een zodanige canon is daarom op vergelijkbare wijze aftrekbaar als die rente (vgl. HR 10 oktober 2014, nr. 13/02758, ECLI:NL:HR:2014:2927, BNB 2015/38).

2.3.2.

Daarbij is, anders dan het middel veronderstelt, niet van belang dat de verplichting tot betalen van een erfpachtcanon op zichzelf beschouwd niet is te vereenzelvigen met de uit een geldlening voortvloeiende rentelast. De wetgever is ervan uitgegaan dat de positie van een tot betaling van canon gehouden erfpachter in zoverre vergelijkbaar is met die van degene die rente heeft te voldoen ter zake van de verwerving van zowel woning als ondergrond, dat in beide gevallen een periodieke betalingsverplichting verbonden is aan het houden en gebruiken van de woning.

2.3.3.

Anders dan het middel betoogt bevatten de toelichtingen bij de wetswijziging met ingang van 2012 (vgl. de onderdelen 4.14 tot en met 4.16 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) geen toereikende aanwijzing dat de wetgever toen is teruggekomen van zijn hiervoor samengevatte zienswijze omtrent de reden om de aftrek van betaalde erfpachtcanons toe te laten, nog daargelaten dat het hier gaat om het jaar 2008.

2.3.4.

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat “de enige wettelijke eis aan de aftrekbaarheid van betaalde erfpachtcanons is dat het gaat om periodieke betalingen op grond van het recht van erfpacht met betrekking tot de eigen woning”. Dit betoog moet kennelijk aldus worden verstaan dat voor aftrekbaarheid van de erfpachtcanon geen andere eis kan worden gesteld dan dat de betalingsverplichting bij het vestigen van het zakelijke recht is overeengekomen. Dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft onderzocht of een direct verband bestaat tussen de erfpachtcanon die belanghebbende bij zijn aangifte heeft vermeld en de aankoop (dan wel het onderhoud of de verbetering) van een eigen woning. Hiermee heeft het Hof terecht tot uitdrukking gebracht dat de erfpachtcanon zozeer dient samen te hangen met het behouden en kunnen blijven gebruiken van de eigen woning, dat gelijkstelling met de rente met betrekking tot aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning gerechtvaardigd is.

2.3.5.

Het oordeel van het Hof dat dit niet het geval is, is voorts niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat het vermogen, dat is vrijgekomen als resultaat van het geheel van rechtshandelingen, vastgelegd in de hiervoor bij 2.1.3 genoemde akte, niet is besteed aan het onderhoud of een uitbreiding/verbetering van de reeds volledig in bezit van belanghebbende zijnde woning. Ook de motiveringsklachten in het middel missen doel.

2.3.6.

Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.