Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1335

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15/00083
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:546, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4149, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vuurwerkbom opgehangen aan flitspaal die bij ontmanteling explodeert, waarna letsel ontstaat bij medewerkers Explosieven Opruimingsdienst en een politiemedewerker. 1. Causaal verband. 2. Opzet. 3. Maximumduur vervangende hechtenis schadevergoedingsmaatregel.

Ad 1. Hof heeft toereikend gemotiveerd geoordeeld dat tussen het handelen van verdachten en het letsel dat bij de slachtoffers is ontstaan een zodanig verband bestaat dat het letsel redelijkerwijs als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen aan verdachten kan worden toegerekend. Onvolkomenheden bij de ontmanteling doorbreken het causaal verband niet. De omstandigheid dat de EOD in het belang van de effectiviteit van haar optreden en de veiligheid van haar medewerkers een deel van haar interne, aan het procesdossier toegevoegde onderzoeksrapport onleesbaar heeft gemaakt door dit zwart te maken, noopte het Hof niet tot een nadere motivering van zijn oordeel.

Ad 2. Middel steunt op de opvatting dat het opzet van verdachte niet alleen moet zijn gericht op het teweegbrengen van een ontploffing maar tevens op het bewezenverklaarde te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Die opvatting is, ook indien het gaat om een poging tot het teweegbrengen van een explosie, in haar algemeenheid onjuist. Bedoeld gevaar moet t.t.v. het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest, zodat niet van belang is dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien.

Ad 3. Schadevergoedingsmaatregel en vervangende hechtenis ex art. 36f.5 en art. 24c Sr. De vervangende hechtenis als bedoeld in art. 36f.5 i.v.m. art. 24c.1 Sr mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop a.b.i. art. 57 Sr, op grond van art. 60a i.v.m. art. 24c.3 Sr ten hoogste een jaar bedragen. HR vernietigt de bestreden uitspraak en vermindert zelf de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar. Samenhang met 15/00033.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2017/143
NJB 2016/1420
NJ 2016/328
RvdW 2016/885
SR-Updates.nl 2016-0259 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/00083

SG/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 december 2014, nummer 22/005511-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] , heeft H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Ermelo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en de beslissing inzake de vervangende hechtenis, tot vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaf, tot vermindering van de vervangende hechtenis inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De advocaat van de benadeelde partij heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het ingetreden gevolg redelijkerwijs niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Het voert daartoe aan dat het Hof ten onrechte bij deze verwerping niet mede heeft betrokken dat de verdachte niet de beschikking had over het volledige onderzoeksrapport van de EOD en dat de verdediging daardoor onvoldoende gelegenheid heeft gekregen de ketens die hebben geleid tot het ingetreden gevolg te toetsen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"1.

Subsidiair

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander, grovelijk onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 1] (een medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een deels weggeslagen rechterhand, met blootliggende botten en ernstig letsel aan de weke delen, waardoor een amputatie van de rechteronderarm op 7 centimeter van het gewricht noodzakelijk was, en letsel aan het hoornvlies van het rechteroog met aanzienlijk verlies van gezichtsvermogen heeft bekomen;

2.

Meer subsidiair

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander, grovelijk onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 2] (medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) weggeslagen en beschadigd(e) trommelvlies/ trommelvliezen, heeft bekomen;

3.

Meest subsidiair

hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander, grovelijk onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 3] (een medewerker van de Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] gehoorschade, heeft bekomen, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan."

2.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.3 weergegeven bewijsmiddelen. Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaringen voorts overwogen zoals weergegeven in die conclusie onder 6.4. Daarnaast heeft het Hof naar aanleiding van een verzoek om toevoeging aan het procesdossier van het volledige, niet gedeeltelijk zwart gemaakte onderzoeksrapport van de EOD beslist zoals weergegeven in die conclusie onder 7.3.

2.3.1.

Kort gezegd is het Hof uitgegaan van de volgende gang van zaken. In de nacht van 22 op 23 oktober 2011 hebben de verdachte en zijn medeverdachte met behulp van een metalen pijp, kruit en een lont een explosief gefabriceerd en met ducttape aan een flitspaal te Voorschoten opgehangen. De lont werd nog niet aangestoken, omdat de medeverdachte later op de fiets zou terugkomen om dat te doen. Toen zij dit bespraken zei de verdachte tegen de medeverdachte dat dit plan "hartstikke gevaarlijk" was, omdat het explosief onbeheerd achter zou blijven. Op het moment dat de medeverdachte per fiets terugkwam en een auto met oranje lampen bij de flitspaal zag staan, dacht hij dat het een politieauto was en is hij weggegaan. De ondertussen ter plaatse gekomen politieambtenaren besloten na overleg met de EOD het projectiel niet zelf te verwijderen. Nadat ook de EOD ter plaatse was gekomen, werd besloten om het projectiel te ontmantelen. Daartoe is het projectiel van de flitspaal verwijderd en de ontsteking gescheiden van de lading. Vervolgens is het explosief geopend. Op het moment dat de onderdelen gereed waren om te worden verpakt voor vervoer, was het explosief volgens de ploegcommandant van de EOD, [slachtoffer 2] , veilig genoeg om door een medewerker van de Forensische Opsporing, [slachtoffer 3] , te laten bekijken. [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en de tweede man van de EOD, [slachtoffer 1] , liepen daarop naar het explosief om het te bemonsteren. Geen van hen droeg op dat moment nog beschermende kleding. Er werden monsters van de kruitlading veiliggesteld en de onderdelen van het explosief werden gereed gemaakt voor vervoer. Toen [slachtoffer 1] daarmee bezig was, merkte hij dat er toch nog kruit uit de pijp kwam. [slachtoffer 1] schudde deze kruitresten uit de pijp, welke kruitresten werden opgevangen in een plastic zak. Tijdens dan wel rondom deze laatste handeling vond een explosie plaats. De exacte oorzaak van de explosie is nooit vastgesteld. Bij de explosie raakten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaargewond. De rechterhand van [slachtoffer 1] werd door de explosie deels weggeslagen en hij liep ernstig letsel op aan zijn ogen. [slachtoffer 2] raakte aanvankelijk gewond aan zijn ogen en ernstig gewond aan zijn trommelvliezen. Ook [slachtoffer 3] raakte gewond aan zijn ogen en zijn gehoor.

2.3.2.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de explosie van de bom met de gevolgen die zich daarbij hebben voorgedaan, heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van het hof hebben de verdachten om te beginnen een cruciaal aandeel gehad in de keten der gebeurtenissen. Indien de verdachten geen bom hadden vervaardigd en aan de flitspaal hadden bevestigd, dan zou de explosie met de daarbij ingetreden gevolgen niet hebben plaatsgevonden.

Deze explosie is, met de zich daarbij voorgedane gevolgen, door de handelingen van de verdachten redelijkerwijs aan de verdachten toe te rekenen. Door immers een zoals hiervoor omschreven gevaarlijk voorwerp op een flitspaal aan de openbare weg, waar nog verkeer reed, te bevestigen terwijl dit voorwerp zichtbaar was voor anderen en vervolgens weg te gaan, was te voorzien dat anderen zich onder de in de bewijsmiddelen beschreven omstandigheden met het explosief zouden gaan bezighouden. De mogelijkheid dat daarbij een fysieke stimulus zou worden uitgeoefend op de bom - waardoor deze tot explosie zou kunnen komen - hadden de verdachten kunnen en moeten voorzien. Zoals hiervoor overwogen heeft [de verdachte] dat gevaar ook onderkend en [de medeverdachte] daarop gewezen.

Dit leidt tot de conclusie dat een causaal verband kan worden vastgesteld tussen de bevestiging van de bom aan de flitspaal en de ontploffing en de gevolgen daarvan.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van EOD bij de ontmanteling van de bom de causaliteitsketen niet doorbreekt.

In dit verband overweegt het hof het volgende.

Door verschillende deskundigen, met name door de Forensic Explosives Laboratory (hierna: FEL) te Kent (Groot-Brittannië) op 16 mei 2012 en op 15 augustus 2012, zijn mogelijke (neven)oorzaken van de ontploffing onderzocht. Zo is onderzoek gedaan naar de mogelijke invloed van een bouwlamp of schijnwerper, een naderbij rijdende auto, het fotograferen, de wijze waarop de explosieve substantie op de plastic zakken is gegoten en de kleding die de betrokkenen ten tijde van de ontmanteling droegen. Uit geen van de deskundigenonderzoeken is naar voren gekomen dat één van deze factoren, dan wel in combinatie met elkaar, van dusdanige invloed is of zijn geweest dat hieruit de explosie (mede) kan worden verklaard.

Tevens is intern onderzoek verricht bij de EOD naar de gang van zaken tijdens de ontmanteling. Uit dat onderzoek blijken wel onvolkomenheden bij de ontmantelingsprocedure, maar het hof acht niet aannemelijk geworden dat die onvolkomenheden in de ontmantelingsprocedure in zodanig verband met de in casu ingetreden gevolgen staan dat deze de causale keten hebben doorbroken. In dit verband acht het hof mede relevant dat de EOD een professionele organisatie is waarvan de medewerkers er bij uitstek op zullen zijn gericht om bij hun handelen schade en gevaren (ook voor zichzelf) zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken."

2.3.3.

In het voorgaande ligt als oordeel van het Hof besloten dat het in het middel bedoelde verweer dient te worden verworpen aangezien het ontstane letsel redelijkerwijs als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen aan de verdachten kan worden toegerekend. Het Hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat voor de verdachten was te voorzien dat anderen zich met het explosief zouden bezighouden en daarbij mogelijk een fysieke stimulus op het explosief zouden uitoefenen. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat de EOD in het belang van de effectiviteit van haar optreden en de veiligheid van haar medewerkers een deel van haar interne, aan het procesdossier toegevoegde onderzoeksrapport onleesbaar heeft gemaakt door dit zwart te maken, noopte het Hof niet tot een nadere motivering van zijn oordeel. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof bij zijn beoordeling van het op de overlegging van het volledige rapport betrekking hebbende verzoek, heeft vastgesteld dat "alleen de passages die zien op de werkwijze van de EOD, aanrijtijden, het gebruik van hulpmiddelen e.d. onleesbaar zijn gemaakt" en dat "[m]ogelijke onvolkomenheden in de ontmantelingsprocedure (...) van dit onleesbaar maken gespaard [zijn] gebleven."

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.

Het middel komt op tegen het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde medeplegen van een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. In de eerste plaats klaagt het middel dat het bewezenverklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd. Voorts komt het middel op tegen het kennelijke oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen, met dat opzet:

- een (metalen) pijp heeft dichtgelast en vervolgens

- deze (metalen) pijp heeft gevuld met flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en aluminium) en vervolgens

- aan deze (metalen) pijp een lont heeft bevestigd, en

- aldus een zwaar explosief of zelfgemaakte bom heeft vervaardigd en vervolgens

- dit/deze explosief of zelfgemaakte bom aan een flitspaal gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg, heeft bevestigd,

- en dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten teneinde op een later tijdstip terug te keren om het lont van het/de explosief/zelfgemaakte bom aan te steken,

terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een of meer ander(en), en gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.3 weergegeven bewijsmiddelen.

3.3.

Het middel steunt in de eerste plaats op de opvatting dat het opzet van de verdachte niet alleen moet zijn gericht op het teweegbrengen van een ontploffing maar tevens op het bewezenverklaarde te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist, omdat bedoeld gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest, zodat niet van belang is dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien (vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009: BG1653, NJ 2009/120). Dat geldt ook indien het, zoals in het onderhavige geval, gaat om een poging tot het teweegbrengen van een explosie. Dat het Hof oordeelde dat bedoeld gevaar in het onderhavige geval naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest, is, gelet op hetgeen het Hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre.

3.4.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het derde namens de verdachte voorgestelde middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.

4.2.

Het Hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en Politie Hollands Midden van respectievelijk € 68.250,-, € 11.026,46, € 402,- en € 869,35 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 345, 90, 8 en 17 dagen hechtenis.

4.3.

Ingevolge art. 36f, vijfde lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen.

4.4.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.

5 Beoordeling van het vierde namens de verdachte voorgestelde middel

5.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

5.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

6 Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat bevolen vervangende hechtenis;

vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 34 maanden beloopt;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 68.250,- ten behoeve van [slachtoffer 1] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 309 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 11.026,46 ten behoeve van [slachtoffer 2] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 402,- ten behoeve van [slachtoffer 3] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 2 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 869,35 ten behoeve van Politie Hollands Midden bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 4 dagen hechtenis;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.