Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1333

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15/01891
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:544, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep op n-o OM, art. 69 AWR. Het feit dat de verdachte over het jaar 2002 geen aangifte heeft gedaan, kan op zichzelf onder de delictsomschrijving van art. 69.1 (oud) AWR worden gebracht. Geen samenloop ex art. 69.4 (oud) AWR: het indienen van een bezwaarschrift met gebruikmaking van een (al dan niet) onjuist/onvolledig ingevulde aangiftebiljet, is immers niet een feit dat valt onder 69.1 (oud) AWR. Vervolging had evenmin kunnen plaatsvinden op grond van art. 69.1 (oud) AWR i.v.m. art. 68.2.a. (oud), AWR had kunnen plaatsvinden. De delictsomschrijving ex art. 69.1 (oud) AWR ziet op het onjuist aan de inspecteur verstrekken van de in art. 68.2.a AWR bedoelde inlichtingen, gegevens en aanwijzingen door degene die daartoe "desgevraagd" ingevolge art. 47.1 AWR verplicht is. Die omstandigheid doet zich hier niet voor. CAG anders. Samenhang met 15/01890.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 225
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1423
RvdW 2016/784
V-N 2016/36.4 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/1524
NJ 2016/402 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
FutD 2016-1640
NTFR 2016/1808 met annotatie van mr. J. Berns
NBSTRAF 2016/167
SR-Updates.nl 2016-0258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/01891

IV/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 maart 2015, nummer 21/004593-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

2.2.1.

Overeenkomstig hetgeen de verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij in de maand juli 2005, in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals aangifte-formulier inkomstenbelasting 2002, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte, dat aangifte-formulier heeft ingeleverd bij en/of gestuurd naar de Inspecteur der belastingen of de belastingdienst (te Apeldoorn) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op dat aangifteformulier een te laag belastbaar bedrag, was vermeld (door geen opgave te doen van inkomsten- en/of vermogensbestanddelen, te weten het saldo van Duitse bankrekeningen en de waarde van onroerend goed in Spanje)."

2.2.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft voor de niet-ontvankelijkheid van het OM aangevoerd dat op grond van art. 69, vierde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) strafvervolging op grond van art. 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten indien het feit ook valt onder het bereik van art. 69, eerste of tweede lid AWR.

Het hof verwerpt dit verweer. Over het jaar 2002 is door de belastingdienst, nadat verdachte in gebreke was gebleven een aangifte in te dienen, een ambtshalve aanslag opgelegd. Als reactie hierop is namens verdachte door Flex Account bezwaar aangetekend en is alsnog een aangiftebiljet ingediend.

Artikel 9 AWR bepaalt op welke wijze en binnen welke termijnen een aangifte moet worden gedaan. Is eenmaal een belastingaanslag opgelegd dan wordt een nadien doch binnen de wettelijke termijn voor bezwaar ingekomen aangiftebiljet aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag. Een na aanslagoplegging ingediend aangiftebiljet kan daarom niet meer gelden als een (tijdige) aangifte als bedoeld in de wet. Derhalve is het namens verdachte later opgestelde aangiftebiljet geen aangifte als voorzien bij hoofdstuk II AWR en is de uitzondering van artikel 69, lid 4 AWR niet van toepassing.

Het OM is daarom ontvankelijk in de vervolging van feit 3."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

- art. 225 Sr:

"1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

3. (...)"

- art. 8, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR):

"Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door:

a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede

b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden."

- art. 9 AWR:

"1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.

2. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. (...)

3. De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen."

- art. 47, eerste lid, AWR:

"Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen."

- art. 68, tweede lid onder a, AWR:

"Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:

a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;

(...)

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

- art. 69 AWR:

"1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

2. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

3. (...)

4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.

5. (...)"

2.4.1.

Het Hof heeft aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegd zijn oordeel dat het namens de verdachte opgestelde aangiftebiljet over het jaar 2002 niet kan gelden als een "(tijdige) aangifte als bedoeld in de wet". Dat oordeel van het Hof is juist. Een niet binnen de ingevolge art. 9 AWR bepaalde termijn ingediend aangiftebiljet waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, kan immers niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.

2.4.2.

Het feit dat de verdachte over het jaar 2002 geen aangifte heeft gedaan, kan op zichzelf onder de delictsomschrijving van het eerste lid van art. 69 (oud) AWR worden gebracht. Dit houdt evenwel niet tevens in dat sprake is van de in het vierde lid van dat artikel bedoelde samenloop. Het indienen van een bezwaarschrift met gebruikmaking van een (al dan niet) onjuist/onvolledig ingevulde aangiftebiljet, is immers niet een feit dat onder het eerste lid van dat artikel valt. In zoverre faalt het middel.

2.4.3.

Ook voor zover het middel betoogt dat vervolging op grond van art. 69, eerste lid (oud), AWR in verbinding met art. 68, tweede lid onder a (oud), AWR had kunnen plaatsvinden, faalt het. De bedoelde delictsomschrijving ziet op het onjuist aan de inspecteur verstrekken van de in art. 68, tweede lid onder a, AWR bedoelde inlichtingen, gegevens en aanwijzingen door degene die daartoe "desgevraagd" ingevolge art. 47, eerste lid, AWR verplicht is. Die omstandigheid doet zich hier niet voor.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.