Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1327

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15/01375
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:539, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:752, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verblijfsverbod dealers, art. 2.9A, eerste lid, APV Amsterdam 2008. Reikwijdte van de voor een “verblijfsverbod dealers” vereiste “antecedenten” op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. De opvatting dat een bevel a.b.i. art. 2.9A, eerste lid, APV Amsterdam 2008 slechts kan worden gegeven indien sprake is van meer dan één antecedent op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/792
AB 2016/380 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
SR-Updates.nl 2016-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/01375

KD/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2015, nummer 23/002591-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de bewezenverklaring, aangezien deze is gebaseerd op een onjuiste uitleg van art. 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: APV Amsterdam 2008).

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 14 maart 2014 te 21:25 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, door de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, om zich uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden, welk bevel geldend was tot en met 27 maart 2014."

2.3.

Het Hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het bevel niet rechtsgeldig is nu sprake moet zijn van meerdere antecedenten op het gebied van het verkopen of aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, terwijl uit de inhoud van het dossier blijkt dat slechts sprake is van één enkel antecedent.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De burgemeester kan een gebiedsverbod als bedoeld in artikel 2.9A APV opleggen aan personen die antecedenten hebben ten aanzien van een overtreding met betrekking tot middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar. Bij besluit van 24 december 2013 is de verdachte medegedeeld dat hij zich in de periode van 28 december 2013 tot en met 27 maart 2014 dient te verwijderen uit dealeroverlastgebied DOG 1.1.

Blijkens de toelichting op artikel 2.9A APV moeten antecedenten in dit verband worden uitgelegd als veroordelingen ter zake van voornoemde feiten, dan wel politiemutaties ten aanzien van voornoemde feiten. Niet aannemelijk is geworden dat de uitleg, die in het besluit van 24 december 2013 wordt gegeven aan het begrip antecedenten, afwijkt van de inhoud en strekking van de verordening op basis waarvan het gebiedsverbod is opgelegd.

Met het vereiste dat sprake dient te zijn van antecedenten wordt blijkens de toelichting op artikel 2.9A APV tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het hof leidt hieruit af dat voor oplegging van een dealerverblijfsverbod voldoende is dat slechts één eerder relevant strafrechtelijk voorval heeft plaatsgevonden. Een grammaticale uitleg van het begrip 'antecedenten' noopt niet tot een andere uitleg dan voormelde teleologische uitleg.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de verdachte, voordat hij op 14 november 2013 is aangehouden wegens overtreding van artikel 2.7 APV, op 8 november 2013 is aangehouden en dat aan hem een 24-uursverbod is opgelegd wegens het verkopen of aanbieden van (nep)verdovende middelen. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte derhalve niet worden aangemerkt als een first-offender en is om die reden sprake van een rechtsgeldige grondslag voor het uitvaardigen van het bestreden gebiedsverbod. Het verweer wordt verworpen."

2.4.

Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde art. 2.9A APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

"1. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, aangewezen overlastgebied zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden.

2. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar gedurende een periode van maximaal zes maanden niet meer te bevinden.

3. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen."

2.5.

De toelichting op deze bepaling houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De burgemeester kan alleen van de bevoegdheid van artikel 2.9A gebruik maken ten aanzien van personen die tevens antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd indien wordt geconstateerd dat iemand zich schuldig maakt aan handel in drugs of daarop gelijkende waar, dan wel indien aannemelijk is dat iemand zich op straat ophoudt met het doel de hiervoor genoemde gedraging te plegen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, het enkele vermoeden dat iemand drugs of daarop gelijkende waar verkoopt of te koop aanbiedt is derhalve niet voldoende."

2.6.

Aan het middel ligt ten grondslag de opvatting dat een bevel als bedoeld in art. 2.9A, eerste lid, APV Amsterdam 2008 slechts kan worden gegeven indien sprake is van meer dan één antecedent op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar. Deze opvatting is onjuist. De door het Hof aan art. 2.9A APV Amsterdam 2008 gegeven uitleg, die strookt met de toelichting op die bepaling, is immers juist, zodat het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.