Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1323

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/00605
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:583, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen poging tot inbraak. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0324
RvdW 2016/842
NJ 2016/412 met annotatie van N. Rozemond
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/00605 J

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 januari 2015, nummer 21/005286-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 21 mei 2014 te [plaats] , gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte en mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [betrokkene 1] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met mededaders, op drie plaatsen aan de woning deuren en een raam heeft beschadigd en getracht te forceren met behulp van één of meer werktuigen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-1 (pagina's 119-120), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 1] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van poging tot inbraak, gepleegd op 21 mei 2014 in mijn woning aan de [a-straat 1] [plaats] , gemeente Montferland. Vanmorgen, 21 mei 2014, omstreeks 07.00 uur heb ik als laatste onze woning verlaten. Voordat ik bij de woning wegging heb ik eerst alle buitendeuren en ramen gecontroleerd. Ze waren allemaal afgesloten. Vanmiddag omstreeks 16.00 uur werd ik door een buurman gebeld dat er bij onze woning gepoogd was om in te breken. Toen ik thuis kwam heb ik samen met de politie mijn woning bekeken. Ik zag dat men op drie plaatsen rondom de woning gepoogd heeft om zich toegang te verschaffen tot mijn woning. Bij de voordeur en bij een achterdeur heeft men geprobeerd om de deur te forceren met een breekvoorwerp, waardoor schade aan de deur en het deurkozijn is ontstaan. Ook bij het bovenlicht links naast de voordeur heeft men schade veroorzaakt aan het kozijn. Tevens werd de raamvergrendeling aan de binnenzijde van dit bovenlicht vernield.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-3 (pagina's 141-142), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 2] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verbalisant 8] :

Ik woon samen met mijn vrouw aan de [a-straat 2] te [plaats] . Op 21 mei 2014 omstreeks 13.20 uur was mijn vrouw bezig in de voortuin van onze woning. Vanuit hier zag zij dat er een donkere Volkswagen ter hoogte van het zitbankje bij perceel [a-straat 3] stond. Hier stonden vier jongens bij te dansen en te springen. Ik was achter in de tuin toen ik door mijn vrouw geroepen werd om dit te bekijken. Ik zag de auto en de jongens ook. Ongeveer tien minuten later gingen mijn vrouw en ik met onze auto van huis. We wilden naar Zevenaar om een boodschap te doen. Ter hoogte van [a-straat 1] , bij de familie [betrokkene 1] , zag ik de donkere auto op de oprit staan. Ik zag dat de voorzijde van de auto in de richting van de weg stond. Ik zag hier wederom het viertal jongens dat eerder op de weg stond. Ik zag dat ze bij de achterdeur van de woning stonden. Ik stopte en reed achteruit omdat ik het niet vertrouwde. Ik reed achteruit en ik zag dat de jongens in hun auto sprongen en wegreden.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-25 (pagina 143), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 3] , inspecteur van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

Vanmiddag, 21 mei 2014 omstreeks 13.35 uur, bevond ik mij in de keuken van mijn woning aan de [a-straat 3] te [plaats] . Vanuit de keuken via het keukenraam heb ik zicht op de [a-straat ] en dan kan ik kijken in de richting van de percelen [a-straat 5] en [a-straat 1] aan de [a-straat ] te [plaats] . Toen ik uit het raam keek, zag ik verderop op de [a-straat ] een personenauto stilstaan midden op de weg. Ik zag dat bij deze auto vier personen stonden en dat enkele van deze personen stonden te plassen. Ik zag vervolgens dat de vier personen weer in de auto stapten en wegreden in de richting van de buren op nummer [a-straat 5] en [a-straat 1] van de [a-straat ] . Ik zag dat de auto een donkere Volkswagen betrof. Ik zag vervolgens dat de auto achterwaarts de oprit van de woning van de [a-straat 1] te [plaats] opreed. Op dat moment dacht ik dat de auto wilde keren en weer de richting uit wilde rijden als waar zij vandaan waren gekomen, maar het duurde mij te lang en ik zag dat de auto niet meer de weg op kwam, maar kennelijk op de oprit bleef staan. Op dat moment dacht ik dat dit niet goed was en dat de personen misschien wel eens wat van plan waren bij de woning en heb ik de politie gebeld. Temeer omdat ik wist dat de bewoners niet thuis waren, maar alle twee de bewoners aan het werk waren.

4. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0648-2014069091-50 (pagina's 146-147), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 mei 2014 door [verbalisant 3] , voornoemd, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] :

Op 21 mei 2014 omstreeks 13.30 uur stond ik op de weg voor mijn woning aan de [a-straat 2] te [plaats] en ik keek in de richting van de afgaande nummers de straat in. Ik zag verderop in de straat een auto stilstaan met vier personen bij de auto. Na ongeveer tien minuten zijn mijn man en ik met onze auto weggegaan om naar Zevenaar te rijden. Toen we voorbij de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] reden, zag ik de auto weer staan die ik even daarvoor op de weg had zien staan. Ik zag vier personen bij de achterdeur van de woning staan. Mijn man zei: "Daar wordt ingebroken."

En hij stopte de auto en zette hem in de achteruit. Ik zag dat de vier personen vervolgens in de bewuste auto stapten en er snel vandoor reden in de richting van ons huis over de [a-straat ] te [plaats] . Mijn man zei dat ik het kenteken van de auto die weg was gereden bij de woning moest noteren en dit heb ik gedaan op een zakdoekje en ik noteerde het kenteken [001] .

5. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0648-2014069091-11 (pagina's 130-131), in de wettelijke vorm opgemaakt op 21 mei 2014 door [verbalisant 4] , agent van politie, en [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Op 21 mei 2014 omstreeks 13.40 uur kregen wij, verbalisanten, via de Regionale Meldkamer Apeldoorn het verzoek te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland. Volgens de melder zou op de oprit bij het huis op voornoemd adres een zwarte personenauto staan. Melder gaf aan dat er een aantal personen met donkere huidskleur rond het huis liep en dat zij dat verdacht vond. Toen wij op ongeveer 100 meter van de woning verwijderd waren, zagen wij dat vanaf het erf van voornoemde woning een zwart voertuig wegreed. Wij zagen dat het voertuig vanaf de oprit linksaf sloeg. Wij zagen dat het voertuig van het merk Volkswagen was, type Polo. Wij zagen dat de Polo met hoge snelheid bij de woning wegreed. Hierop zijn wij de Polo gevolgd en werd de bestuurder van de Polo door ons een stopteken gegeven door middel van het stoptransparant. Wij zagen dat de bestuurder van de zwarte Polo geen snelheid minderde, maar zijn snelheid verhoogde. Kort daarop zagen wij dat er een opvallend politievoertuig uit tegenovergestelde richting over de [a-straat ] in onze richting kwam rijden. Wij zagen dat het politievoertuig de weg blokkeerde voor de zwarte Polo. Wij zagen dat de zwarte Polo met hoge snelheid rechtsaf sloeg. Ik, [verbalisant 4] , zag dat er vanuit de zwarte Polo vanuit de rechterkant voorwerpen werden gegooid, naar later bleek kunststof handschoenen. Ik, [verbalisant 5] , zag dat er vanuit de linkerzijkant van die zwarte Polo lichtkleurige handschoenen werden gegooid. Wij zagen dat de zwarte Polo remde en nadat deze tot stilstand was gekomen er een aantal personen uit het voertuig sprong en wegrende. Hierop hebben wij ons dienstvoertuig tot stilstand gebracht en zijn wij uit ons dienstvoertuig gesprongen om zo te voet de achtervolging in te zetten. Ik, [verbalisant 4] , zag drie mannen wegrennen door de tuin van de woning aan de [a-straat 4] . Ik, [verbalisant 4] , zag dat de drie mannen over de akker achter de woning wegrenden in de richting van [plaats] . Ik, [verbalisant 4] , zag dat de inmiddels gearriveerde collega’s [verbalisant 8] en [verbalisant 7] deze personen te voet achtervolgden over de akker.

6. Het stamproces-verbaal van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0630-2014079804 (pagina's 17 en 18), opgemaakt op 30 juni 2014 door [verbalisant 6] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zetten te voet de achtervolging in. Verbalisant [verbalisant 4] zag drie mannen wegrennen door de tuin van perceel [a-straat 4] te [plaats] . Twee mannen scheidden zich af van de derde man. Verbalisant [verbalisant 4] zag één van de twee mannen in zijn richting komen rennen, terwijl deze achtervolgd werd door verbalisant [verbalisant 8] . Daar werd hij aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 1] . Verbalisant [verbalisant 5] zag de tweede man naar de achterzijde van een bedrijfspand lopen, waar hij zich op het erf verstopte. Daar werd deze man aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 2] . De derde man rende het terrein op rond perceel [a-straat 3] te [plaats] . Dit terrein werd afgegrendeld en een verbalisant met diensthond kwam ter plaatse. De bewoonster meldde de politie dat ze een man in de tuin zag liggen en deze werd aldaar mede met behulp van de diensthond aangehouden. Het betrof hier de verdachte [verdachte] . Op het moment dat de zoekactie werd beëindigd zag verbalisant [verbalisant 3] uit de bosjes, rond perceel [a-straat 4] te [plaats] , een man komen kruipen en deze zette het op een lopen. Er werd een gebied afgezet rond de plek waar de man het laatst werd gezien. De man werd tussen struiken en planten van perceel [a-straat 4] te [plaats] aangetroffen Hij werd aangehouden. Het betrof hier de verdachte [medeverdachte 3] .

7. Het proces-verbaal sporenonderzoek van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0660-2014069091-33 (pagina 152), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 mei 2014 door [verbalisant 9] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 21 mei 2014 werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot gekwalificeerde diefstal in/uit een woning.

Het onderzoek is verricht in een woning te [a-straat 1] [plaats] binnen de gemeente Montferland.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

Aan de voorzijde van de woning zag ik aan de voordeur braaksporen. Ook aan het bovenlicht van het raam in de aanbouw zag ik enkele braaksporen in het kozijn. Op aanwijzen van de bewoner zag ik ook aan de achterdeur enkele braaksporen. Op het raamkozijn zag ik aan de buitenzijde van het bovenlicht een greepspoor. Dit greepspoor werd gezet om het raam open te houden en werd veroorzaakt door een handschoenspoor met golfpatroon. In de woning zag ik op het raamkozijn van dit bovenlicht van het inklimraam een fragment van een handschoenspoor. Alle sporen werden door mij veiliggesteld.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0660-2014069091-33 (pagina 171), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 mei 2014 door [verbalisant 9] , voornoemd, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 27 mei ontving ik enkele handschoenen welke waren veiliggesteld door verbalisanten op de plaats waar de verdachten het voertuig hadden verlaten. Verzocht werd de handschoenen te vergelijken met de aangetroffen sporen op de plaats delict, [a-straat 1] te [plaats] , waar door mij een sporenonderzoek werd ingesteld en waar handschoensporen werden veiliggesteld op het bovenlicht van het inklimraam. Het handschoenspoor dat werd aangetroffen werd genummerd met een Spoor Identificatie Nummer (SIN) [002] . Tijdens het vergelijkend onderzoek bleek mij dat het fragment handschoenspoor met SIN [002] aangetroffen op het inklimraam qua wave profielen overeenkomsten vertoont met de veiliggestelde en aangeboden handschoenen.

9. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord- en Oost-Gelderland, nummer PL0630-2014069091-56 (pagina 166), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 mei 2014 door [verbalisant 10] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 22 mei 2014 heb ik een onderzoek ingesteld in de personenauto, merk Volkswagen, voorzien van het kenteken [001] . Hierbij zijn door mij op de achterzitting een schroevendraaier, een breekijzer en vier handschoenen veiliggesteld en inbeslaggenomen.

10. Het proces-verbaal betreffende 'Een vergelijkend werktuigsporenonderzoek naar aanleiding van een poging woninginbraak te [plaats] ', van de politie Noord- en Oost- Gelderland, zaaknummer BVH PL0660 2014-069091 WS 126-2014 Utrecht (pagina's 173A), in de wettelijke vorm opgemaakt op 24 juni 2014 door [verbalisant 11] , brigadier van politie en als Deskundige A Werktuigsporen werkzaam bij Forensische Opsporing, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Aanleiding werktuigsporenonderzoek

Op 23 juni 2014 werd op verzoek van Forensische Opsporing Noord-Oost Gelderland een vergelijkend werktuigsporenonderzoek gestart naar overeenkomsten tussen werktuigsporen en een schroevendraaier.

Ontvangen materiaal en context

Ten behoeve van het werktuigsporen vergelijkend onderzoek ontving ik van Forensische Opsporing Politie Noord-Oost Gelderland een schroevendraaier en drie afvormingen van werktuigsporen. De schroevendraaier werd aangetroffen in een personenauto, merk Volkswagen, kenteken [001] .

Werktuig (A)

Object: schroevendraaier

Kleur: geel

Sin nummer: [003]

Onderzoekslocatie:

[a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland

Werktuigsporen 1

(1.1)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van voordeur woning

(1.2)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van inklimraam woning

(1.3)

Spooromschrijving: schroevendraaier

Plaats veiligstellen: op kopsekant van voordeur woning t.h.v. slotplaat

Conclusie:

Op grond van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat:

Het werktuigspoor (1.1) waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).

Het werktuigspoor (1.2) zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).

Het werktuigspoor (1.3) zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier (A).

(...)

Het hof overweegt dat de verklaringen van getuigen en in het relaas van de verschillende opsporingsambtenaren wordt gesproken van een Volkswagen Golf en van een Volkswagen Polo en dat ook in de bewijsoverwegingen in het arrest afwisselend wordt gesproken van een Volkswagen Golf en een Volkswagen Polo maar dat het blijkens de huurovereenkomst (p. 157) moet gaan om een Volkswagen Polo. Voor het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat de getuigen en de opsporingsambtenaren het over hetzelfde voertuig hebben."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Volgens aangever [betrokkene 1] is er op 21 mei 2014 gepoogd in te breken in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , gemeente Montferland. Op drie plaatsen rondom de woning is er gepoogd om toegang te krijgen tot de woning. Aangever heeft verklaard dat er geprobeerd is om de voordeur en de achterdeur te forceren met een breekvoorwerp en dat bij het bovenlicht naast de voordeur schade is veroorzaakt aan het kozijn. Tevens werd de raamvergrendeling aan de binnenzijde van het bovenlicht vernield.

Getuige [verbalisant 8] , die aan de [a-straat 2] te [plaats] woont, heeft verklaard dat zijn vrouw op 21 mei 2014 omstreeks 13.20 uur een donkere Volkswagen Golf zag staan bij het perceel [a-straat 3] . Vier jongens stonden bij de auto te dansen en te springen. [verbalisant 8] werd door zijn vrouw geroepen en zag ook zelf de auto en de jongens. Ongeveer tien minuten later ging [verbalisant 8] met zijn vrouw boodschappen doen en toen zagen zij de donkere Golf ter hoogte van [a-straat 1] , bij de familie Onstenk, met de voorzijde van de auto in de richting van de weg staan. [verbalisant 8] zag de vier jongens die hij eerder zag bij de achterdeur van de woning staan. Toen [verbalisant 8] achteruit reed omdat hij het niet vertrouwde, zag hij dat de jongens in de auto sprongen en wegreden.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 21 mei 2014 omstreeks 13.35 uur in de keuken stond van haar woning aan de [a-straat 3] te [plaats] toen zij een personenauto midden op de weg stil zag staan in de richting van de percelen [a-straat 5] en [a-straat 1] aan de [a-straat ] . Het betrof een donkere Volkswagen. Er stonden toen vier personen bij deze auto. Zij zag vervolgens dat deze personen in de auto stapten en wegreden in de richting van de nummers [a-straat 5] en [a-straat 1] van de [a-straat ] . De auto reed achterwaarts de oprit van de woning van [a-straat 1] op. Toen zij de auto niet meer zag en deze dus kennelijk op de oprit bleef staan terwijl zij wist dat de bewoners niet thuis waren, heeft zij de politie gebeld.

Ten slotte heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat zij zich op 21 mei 2014 omstreeks 13.30 uur op de weg bevond voor haar woning aan de [a-straat 2] te [plaats] toen zij verderop in de straat een auto zag stilstaan waar vier personen bij stonden. Na tien minuten is zij met haar man in de auto vertrokken en toen zij voorbij de woning aan de [a-straat 1] reden, zag zij diezelfde auto staan. Zij zag vier personen bij de achterdeur van de woning staan. Haar man heeft toen de auto gestopt en deze in de achteruit gezet. [getuige 2] zag toen dat de vier personen in de bewuste auto stapten en er snel vandoor reden. Toen zij er achter aan reden, zag zij dat het een Volkswagen Polo betrof met kenteken [001] .

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] kregen op 21 mei 2014 omstreeks 13.40 uur via de Regionale Meldkamer Apeldoorn het verzoek te gaan naar het adres [a-straat 1] te [plaats] , waar volgens de melder op de oprit een zwarte personenauto stond en een aantal personen met donkere huidskleur verdacht rond het huis liepen. Toen de verbalisanten op ongeveer 100 meter van de woning verwijderd waren, zagen zij vanaf het erf van voornoemde woning een zwart voertuig rijden. Het betrof een Volkswagen, type Polo. De Polo reed met hoge snelheid bij de woning weg. De verbalisanten zijn de Polo gevolgd en de bestuurder van de Polo is een stopteken gegeven door middel van het stoptransparant. De verbalisanten zagen dat de bestuurder zijn snelheid verhoogde. Een opvallend politievoertuig uit tegenovergestelde richting blokkeerde de weg voor de Polo, waarna de Polo met hoge snelheid rechtsaf sloeg. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat er vanuit de Polo vanuit de rechterkant voorwerpen werden gegooid, naar later bleek kunststof handschoenen. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat er vanuit de linkerzijkant van de Polo lichtkleurige handschoenen werden gegooid. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de Polo remde en er een aantal personen uit het voertuig sprong en wegrende toen het voertuig tot stilstand was gekomen.

Na een achtervolging vanaf de Volkswagen Polo werden verdachte en twee van zijn medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 3] is enige tijd later aangehouden in de tuin van de woning aan de [a-straat 4] te [plaats] .

Blijkens het sporenonderzoek dat is uitgevoerd aan de woning van aangever, was er sprake van braaksporen aan de voordeur, aan het bovenlicht van het raam in de aanbouw, in het kozijn en aan de achterdeur. Tijdens het onderzoek in de personenauto met kenteken [001] zijn op de achterzitting een schroevendraaier, een breekijzer en vier handschoenen aangetroffen. Uit het vergelijkend werktuigsporenonderzoek dat is verricht naar overeenkomsten tussen werktuigsporen en de schroevendraaier die in de Volkswagen Golf is aangetroffen, is gebleken dat het werktuigspoor dat is aangetroffen op de kopse kant van de voordeur waarschijnlijk is veroorzaakt met voornoemde schroevendraaier en dat de werktuigsporen die op de kopse kant van het raam en op de kopse kant van de voordeur zijn aangetroffen zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met die schroevendraaier. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de handschoensporen die waren veiliggesteld op het bovenlicht van het inklimraam van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , wat betreft wave-profielen overeenkomsten vertonen met de veiliggestelde handschoenen die op de plaats waar de verdachten het voertuig hadden verlaten, zijn aangetroffen.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning van aangever in [plaats] op 21 mei 2014.

Het hof komt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, met name gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, tot de conclusie dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat die samenwerking was gericht op een inbraak in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ."

3 Aan de beoordeling van het middel voorafgaande opmerkingen

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1316). Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr en ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1315 alsmede de rechtsoverwegingen onder 4.2 hierna). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen "tezamen en in vereniging met anderen" (hierna: het medeplegen) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2.1.

Bij de beoordeling van het middel moet mede het volgende worden betrokken. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.

4.2.2.

Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

4.2.3.

In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.

4.3.

Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde medeplegen bewezen is. Blijkens zijn overweging is het Hof onder meer uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte is samen met drie mededaders in een auto naar de woning gereden, waar zij de auto op de oprit hebben geparkeerd. Vervolgens zijn zij gezamenlijk rondom de woning gelopen en zijn zij samen gezien bij de achterdeur waarop braaksporen zijn aangetroffen. Nadat zij door een buurman bij de achterdeur van de woning waren opgemerkt, zijn zij gezamenlijk vertrokken in een auto met op de achterzitting inbrekerswerktuig dat overeenkomsten vertoonde met de bij de woning achtergelaten sporen. Blijkens zijn nadere overweging heeft het Hof voorts vastgesteld en derhalve kennelijk van belang geacht dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning.

4.4.

De door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden zijn voldoende om te kunnen aannemen dat de bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde delict van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

4.5.

Het middel faalt.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.