Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1322

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
15/00283
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:234, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging afpersing. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht medeplegen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/840
NJ 2016/419 met annotatie van N. Rozemond
SR-Updates.nl 2016-0319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/00283

DAZ/ABO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2014, nummer 21/003291-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Steeghs, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, of verwijzing naar een ander hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, zittings-plaats Utrecht, van 27 mei 2014 bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op tijdstippen in de periode van 24 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 in het arrondissement Midden-Nederland, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 25.000 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader, op 24 januari 2014 bij de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangebeld en toen [betrokkene 3] de deur had geopend, dreigend de deur tegen haar aangeduwd en vervolgens die woning binnengedrongen en op 26 januari 2014 - op de voordeur van de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gebonkt. En (vervolgens) [betrokkene 2] gevraagd waar [betrokkene 1] was en [betrokkene 2] (vervolgens) dreigend de woorden toegevoegd dat zij wisten dat zij, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], twee kinderen hadden en dat het zonde zou zijn als hun wat zou overkomen en dat hij, [betrokkene 1], moest betalen

en

- [betrokkene 1] telefonisch dreigend de woorden toegevoegd dat hij nu met hem te maken had en dat hij moest betalen anders zouden er dingen gaan gebeuren en "Je hebt een leuke vrouw en kinderen daar moet je zuinig op zijn, anders gaat daar wat mee gebeuren en dat zou zonde zijn" en "Je wilt niet dat er iets met je kinderen gebeurt"

zijnde telkens de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Getuige [betrokkene 3]

Getuige [betrokkene 3], de huishoudelijke hulp van aangever [betrokkene 1] en zijn echtgenote [betrokkene 2], was op vrijdag 24 januari 2014 in de woning aan de [a-straat 1] in Harmelen. Toen zij halverwege op de trap liep, zag zij twee mannen voor het raam van de woonkamer aan de voorkant van het huis, staan. (...) De mannen zagen haar op de trap staan en besloten toen aan te bellen. Zij deed direct de deur open. (...) Toen zij de deur open deed schrok zij eigenlijk gelijk. De mannen zagen er onguur uit. (...). Zij had na het openen van de deur het volgende gesprek. Dader 2: "Waar zijn ze? Ik kom geld brengen" (...) Zij wilde zich omdraaien om naar binnen te lopen om een papiertje te pakken en het op te schrijven. Zij voelde de deur tegen haar aangeduwd worden. De man had de deur opengeduwd om naar binnen te gaan. De andere man kwam er direct achteraan. (...) Dader 2: "Ik kom met etenstijd wel terug want dan zullen ze er zeker wel zijn" Zij: "Kan ik nog doorgeven wie er geweest zijn?" Dader 2: "Zeg maar dat [betrokkene 7] geweest is". Beide mannen keerden om en liepen het huis uit. Zij zijn beiden niet verder de woning in geweest dan de hal.

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [betrokkene 3] een afwijkende verklaring afgelegd in die zin dat zij heeft verklaard dat de beide mannen de deur open duwden terwijl zij er nog stond en dat zij met haar mee liepen naar de keuken en dat zij het hele huis door zijn geweest en ook in de achtertuin.

Medeverdachte [betrokkene 4] heeft ter zitting ontkend überhaupt de woning binnen te zijn geweest en kwam naar eigen zeggen tot op het trappetje, niet verder. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig gelet op de verklaring van getuige [betrokkene 8]. Getuige [betrokkene 8] bevestigt de verklaring van getuige [betrokkene 3], zoals [betrokkene 3] deze heeft afgelegd bij de politie. Zij zag dat de bestuurder achter haar aan liep, maar in de hal stopte. (...) Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in ieder geval een van beiden, verdachte of medeverdachte [betrokkene 4], de woning is binnengedrongen.

Dat getuige [betrokkene 3] de handelwijze van verdachte als bedreigend en intimiderend heeft ervaren wordt ondersteund door het feit dat [betrokkene 3] direct getuige [betrokkene 2] heeft gebeld.

Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij op vrijdag 24 januari 2014 in het ziekenhuis was. Toen zij in het ziekenhuis was, werd zij gebeld door de schoonmaakster. [betrokkene 3] (getuige [betrokkene 3]) was op dat moment in hun huis aan het schoonmaken. Zij hoorde dat [betrokkene 3] erg overstuur was en zij hoorde dat ze zei dat ze stond te trillen op haar benen. Ze vertelde haar dat er twee mannen aan de deur waren geweest bij hen thuis en dat die [betrokkene 1] (aangever [betrokkene 1]) wilden spreken. Ze vertelde dat deze twee mannen heel bedreigend waren geweest en dat ze binnen waren geweest. Ze vertelde haar dat ze had gezegd tegen de twee mannen dat ze niet binnen mochten komen en dat ze de deur dicht wilde doen. Toen ze de deur dicht wilde doen, hield 1 van de 2 mannen de deur open. Ze hebben haar toen min of meer aan de kant geduwd en de twee mannen zijn door de woning gelopen. [betrokkene 3] vertelde haar dat de twee hadden gezegd dat ze geld kwamen brengen.

Vervolgens is verdachte samen met medeverdachte [betrokkene 4] op zondag 26 januari 2014 weer bij de woning van aangever langs geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte dit bevestigd.

Getuige [betrokkene 2]

Op zondag 25 januari (kennelijk bedoeld is zondag 26 januari) 2014, omstreeks 11:00 uur zat getuige [betrokkene 2] aan het ontbijt met haar dochter. (...) Op dat moment zag zij vanuit de eetkamer, dat er buiten, voor de woning, twee mannen haar buurman aanspraken en vervolgens in een behoorlijk versnelde pas naar de voordeur van haar woning liepen. Zij had meteen het vermoeden dat het de twee mannen waren die vrijdag ook met [betrokkene 3] hadden gesproken. (...) Zij deed de deur niet open, maar kon de mannen wel zien door het glas in de deur.

Zij hoorde man 1 zeggen dat zij de deur open moest doen en dat ze op zoek waren naar [betrokkene 1]. Zij hield zich een beetje van de domme en vroeg wat ze kwamen doen. Zij hoorde hem zeggen: "Ik kom namens [medeverdachte]. Er moet geld overgemaakt worden. Hij vroeg haar waar [betrokkene 1] was en zij zei uiteindelijk dat hij in het ziekenhuis was, waarop man 1 meteen reageerde: "Oh, welk ziekenhuis dan?" Hij sprak dit uit met een toon, waaruit zij opmaakte dat hij dan wel even naar het ziekenhuis ging. Zij heeft niet verteld welk ziekenhuis, en zei: "Hij ligt zelf niet in het ziekenhuis, maar mijn zoon ligt in het ziekenhuis. Ik heb genoeg aan mijn hoofd, dus als jullie nu willen gaan?" Zij zei vervolgens: "Ik ben er helemaal niet van gediend dat jullie hier bij mijn huis komen; Privé is privé en zakelijk is zakelijk, dus ik heb liever dat jullie nu vertrekken." Haar dochter kwam uit de woonkamer, omdat zij hoorde dat de stemmen wat verhoogd werden. Zij zag toen dat man 1 bijna met zijn neus tegen de deur stond en hoorde hem zeggen: "Je bent bang heh, juffie, je bent bang heh of sta je nou gewoon een beetje stom te lachen". Getuige [betrokkene 2] zei toen: Nou ik sta helemaal niet te lachen en ik wil dat jullie vertrekken". Zij hoorde man 1 vervolgens zeggen: "Je hebt een mooie dochter. Ik heb ook kinderen, ik zou het erg vinden als er wat met jullie kinderen zou gebeuren. Zeg dat ook maar tegen [betrokkene 1]." Zij zag dat hij nog steeds een dreigende houding had en hoorde dat hij nog steeds met een dreigende toon sprak. Hierdoor voelde zij zich bedreigd en voelde zij ook bedreiging naar haar kinderen.

Toen hoorde zij zeggen: "Doe nou die deur open juffie, we willen alleen maar met je praten. We kunnen ook een regeling treffen". Zij zei toen dat er op deze manier helemaal niets te regelen viel en dat ze weg moesten gaan. Zij hoorde de man vragen, of [betrokkene 1] zijn telefoon bij zich had en hierop zei zij ja. Hij vroeg vervolgens of [betrokkene 1] die telefoon wel aan had staan in het ziekenhuis en zij hoorde hem zeggen: "Dat hoop ik dan maar, want anders moet ik bij hem langs in het ziekenhuis." Door deze uitspraak werd zij bang dat de twee mannen naar het ziekenhuis gingen en [betrokkene 1] op gingen zoeken. Zij zag dat man 1 aan de deur zat en richting de brievenbus ging met zijn hand. Zij zag dat hij hard de klep van de brievenbus open deed en zijn hand door de brievenbus deed. Zij zag dat hij een briefje in zijn hand had. Zij hoorde hem hierbij zeggen: "Pak aan dan juffie". Zij reageerde hier niet op, en zij zag dat hij toen zijn hand terugtrok. Zij zag dat het briefje in de borstels van de brievenbus bleef hangen. Hij zei toen: "Hier staat mijn rekeningnummer op en er moet binnen een paar dagen 25000 euro hierop overgemaakt worden. Zeg dat maar tegen [betrokkene 1], hij kan mij bellen, we kunnen een regeling treffen, maar hij gaat betalen, hoe dan ook." Zij hoorde hem toen zeggen: "Als ik nog een keer terug moet komen, dan wordt dit allemaal nog veel erger en dan kunnen er nog wel eens hele erge dingen gebeuren".

Vervolgens heeft medeverdachte [betrokkene 4] direct aangever [betrokkene 1] gebeld.

Aangever [betrokkene 1]

Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zondag 26 januari 2014, omstreeks 11:10 uur in het ziekenhuis was en dat zijn vrouw en dochter thuis waren. Hij zag later op zijn telefoon dat hij twee gemiste oproepen had van zijn vrouw. Hij belde vervolgens zijn vrouw terug maar zij nam niet op. Om 11:15 uur, werd hij op zijn mobiele telefoon gebeld door het telefoonnummer [001]. Hij nam op en hij hoorde een man tegen hem zeggen: "Goeiedag, ik bel je want ik was net bij je aan de deur maar je was niet thuis". Hij hoorde hem zeggen dat hij de vordering van 25.000 euro van [medeverdachte] had over gekocht. Hij hoorde hem zeggen dat hij dus nu met hem te maken had. Hij hoorde hem zeggen dat hij moest betalen en dat hij bij hun thuis een briefje met de gegevens door de brievenbus had gedaan met daarop de gegevens waarop het bedrag gestort moest worden. Hij hoorde de man vragen wanneer hij dit bedrag zou overmaken. Hij vertelde de man dat hij dit geldbedrag niet had omdat hij failliet is verklaard. Hij hoorde hem zeggen dat hem dat niet interesseerde. Hij hoorde hem zeggen dat hij moet betalen anders zouden er dingen gaan gebeuren. Hij hoorde de man zeggen: "Je hebt een leuke vrouw en kinderen, daar moetje zuinig op zijn, anders gaat daar wat mee gebeuren en dat zou zonde zijn". Hij hoorde de man zeggen dat hij zelf ook kinderen heeft die al wat ouder zijn en je wilt niet dat er iets met je kinderen gebeurt". Hij voelde zich door deze uitspraken erg bedreigd.

Bespreken verweren

Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij samen met medeverdachte [betrokkene 4] aan de deur is geweest op 26 januari 2014. Met de woorden dat het zonde zou zijn als zijn vrouw en kinderen wat zou overkomen en dat je daar zuinig op moet zijn, heeft [betrokkene 4] volgens verdachte een gevoel van zorg geuit. Dit zou volstrekt los staan van de vordering die zijn maat [betrokkene 4] op aangever zou hebben. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat wat gezegd zou zijn, nog geen bedreiging met geweld oplevert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Deze alternatieve lezing dat uit sympathie of gevoelens van zorg is gezegd dat je zuinig moet zijn op je kinderen acht de rechtbank niet aannemelijk gezien het feit dat medeverdachte [betrokkene 4] blijkens een tapgesprek zich terdege heeft gerealiseerd dat hetgeen hij had gezegd als bedreigend kon worden opgevat.

Uit het tapgesprek d.d. 27 januari 2014, 16.01.16 uur tussen medeverdachte [betrokkene 4] en medeverdachte Nico blijkt immers dat is gezegd: (...) "Maar wat denk je zelf is dat een bedreiging als ik zeg wees zuinig op je vrouw en kinderen? N: Nee natuurlijk niet. S: Nee maar als ik tegen jou zeg wees zuinig op je vrouw en kinderen, wat zie je daarachter dan? N: Dat is een compliment. S: Dat is een compliment toch. N: Ja."

Bovendien wordt in de taps bovengenoemde nuancering niet gemaakt. Integendeel, gelet op de inhoud van het tapgesprek d.d. 27 januari 2014, 15.49.06 uur, tussen de aangever en medeverdachte [betrokkene 4]: "Ik zeg alleen wees zuinig op je kinderen en op je vrouw, dat ik niet iedere keer aan de deur mot kommen, wees daar zuinig op (...)", blijkt niet dat deze opmerking in het kader van een sympathiebetuiging wordt gemaakt, maar eerder met de bedoeling om het gewenste bedrag van € 25.000,00 te krijgen, en bij gebreke daarvan dat zijn vrouw en kinderen daar last van zullen ondervinden.

De rechtbank overweegt dat de handelingen, zoals die staan omschreven in de tenlastelegging, - mede gelet op de context waaronder een en ander is gezegd - opleveren dat er sprake is van bedreiging met geweld jegens aangever [betrokkene 1] en zijn gezin.

Verdachte is op drie opeenvolgende dagen met medeverdachte [betrokkene 4] bij de woning van aangever langsgegaan om het slachtoffer angst in te boezemen; bij afwezigheid van de bewoners hebben zij bij het tweede bezoek op zaterdag 25 januari 2014 een bloembak verplaatst, kennelijk bedoeld om hun bezoek daarmee naderhand kenbaar te maken. Verdachte was erbij aanwezig toen op zondag 26 januari 2014 zowel bij de woning van aangever als in de daarop volgende telefoongesprekken met aangever dreigende uitlatingen zijn gedaan en vervolgens om een geldbedrag is verzocht. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank een bedreigende situatie gecreëerd. Het verweer van de verdediging dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een poging tot afpersing, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen daar verdachte zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd en zijn aanwezigheid de bedreigende situatie en bedreigende uitlatingen extra kracht hebben bijgezet.

Het voorgaande is ongeacht de vraag of de vordering bestond of opeisbaar was, en/of opeisbaar was jegens aangever [betrokkene 1] privé, zodat ook het verweer van de verdediging dat verdachte niet wist dat medeverdachte [betrokkene 4] niet in zijn recht stond, dient te worden verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een 'oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling' daar de handelingen van verdachte en zijn medeverdachte op een dermate dreigende wijze zijn gedaan dat hij moet hebben beseft dat hij met zijn manier van handelen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre heeft overschreden en dat degenen die daarmee werden geconfronteerd het ook als zodanig hebben ervaren.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing jegens aangever [betrokkene 1]."

3 Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande opmerkingen

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1316). Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr alsmede het onderhavige arrest). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. de arresten van heden ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen "tezamen en in vereniging met anderen" (hierna: het medeplegen) ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.

Het Hof heeft vastgesteld

(i) dat de verdachte en zijn mededader [betrokkene 4] op 24 januari 2014 bij de woning van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn geweest, dat de deur dreigend tegen getuige [betrokkene 3] is aangeduwd, dat in ieder geval een van beiden de woning is binnengedrongen en dat de verdachte en [betrokkene 4] beiden heel bedreigend waren geweest;

(ii) dat de verdachte en [betrokkene 4] op 25 januari 2014 wederom bij de woning van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn geweest en toen een bloembak hebben verplaatst met de kennelijke bedoeling om hun bezoek naderhand kenbaar te maken;

(iii) dat de verdachte en [betrokkene 4] op 26 januari 2014 opnieuw bij de woning van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn geweest, dat [betrokkene 4] heeft gezegd dat hij namens [medeverdachte] kwam en dat er geld overgemaakt moest worden, en op dreigende toon en met dreigende houding heeft gezegd: "je hebt een mooie dochter, ik heb ook kinderen, ik zou het erg vinden als er wat met jullie kinderen zou gebeuren. Zeg dat ook maar tegen [betrokkene 1]" en "doe nou die deur open juffie, we willen alleen maar met je praten. We kunnen ook een regeling treffen";

(iv) dat de verdachte bij [betrokkene 4] was toen deze telefonisch op 26 januari 2014, direct nadat de verdachte en [betrokkene 4] bij de woning van [betrokkene 1] waren geweest, [betrokkene 1] heeft gesproken en hem heeft gezegd dat "hij moet betalen anders zouden er dingen gaan gebeuren" en "je hebt een leuke vrouw en kinderen, daar moet je zuinig op zijn, anders gaat daar wat mee gebeuren en dat zou zonde zijn".

4.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte een bijdrage aan de bewezenverklaarde poging tot afpersing heeft geleverd doordat hij met zijn aanwezigheid op drie opeenvolgende dagen bij de woning van [betrokkene 1] de bedreigende situatie en de bedreigende uitlatingen van zijn mededader [betrokkene 4] kracht heeft bijgezet, en dat deze bijdrage van voldoende gewicht is voor de kwalificatie "medeplegen". In aanmerking genomen hetgeen het Hof, zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven, heeft vastgesteld en mede gelet op de bedreigende aard van het bewezenverklaarde feit, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

4.4.

Het middel faalt.

5 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.