Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1320

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/02625
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4020, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:587
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. “Medeplegen” en in vereniging geweld plegen, art. 141 Sr. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht in vereniging plegen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1432
RvdW 2016/845
NJ 2016/418 met annotatie van N. Rozemond
NBSTRAF 2016/153 met annotatie van mr. dr. J.S. Nan
SR-Updates.nl 2016-0317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/02625 J

LBS/ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 december 2014, nummer 22/003950-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 07 april 2013 te Dordrecht, aan de openbare weg, de [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (meermalen) (met kracht) (met geschoeide voet) stampen en/of trappen op het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] ."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2013 van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1800 2013031090-1.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 000060):

als de op 7 april 2013 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Ik wilde op zondag 7 april 2013 na 00:00 uur naar bed gaan toen ik ineens een hoop herrie uit het trappenhuis hoorde komen van de flat waarin ik woon (aan de [a-straat] te Dordrecht). Ik zag op de trap naar de eerste verdieping een aantal jongens zitten/staan die de herrie aan het veroorzaken waren. Ik sprak deze jongens aan en verzocht hen het trappenhuis te verlaten. Ik passeerde hen en deed de portiekdeur open en zei hen te vertrekken. Ik zag dat mijn benedenbuurvrouw [betrokkene 1] een van de jongens bij zijn arm pakte en haar woning mee naar binnen wilde nemen. Ik merkte dat zij die jongens kende. Op datzelfde moment zag ik de resterende jongens mijn kant op bewegen.

Op het volgende moment werd ik wakker in het ziekenhuis.

2.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2013 van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1810 2013031090-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 000069):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op zondag 7 april 2013 omstreeks 00.10 uur hoorden wij diverse personen hard praten in het portiek van een flat aan de [a-straat] te Dordrecht. Wij zagen dat er een groep van circa vijf personen het portiek uit kwam. Wij zagen dat er een persoon op de grond viel voor het portiek. Wij zagen dat er circa vier personen om de man, welke op de grond lag, heen stonden. Wij zagen dat er door diverse personen op de man ingetrapt werd. Wij zagen dat de man op de grond meerdere malen hard op zijn hoofd getrapt werd.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat er tenminste vier keer hard op het hoofd van de man op de grond gestampt werd. Ik zag dat er verschillende personen met de onderzijde van hun schoen met kracht op het hoofd van de man stampten en schopten.

Wij vreesden, door de harde trappen op het hoofd, voor het leven van de man. Wij zagen dat de man ten tijde van de mishandeling roerloos op de grond lag, zich niet bewoog en zich op geen enkele manier verzette of verweerde. Wij hebben niemand gezien die de gewonde man verdedigde of beschermde ten tijde van de aanval door de personen.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , ben de groep in gerend met als doel het slachtoffer te ontzetten. Ik zag dat personen wegrenden.

Ik zag dat een van de personen, van de personen welke zojuist weggerend waren, een brandpoort in rende in de Wouwstraat. Ik zag dat de man een licht getinte man betrof met krulletjes haar tot zijn oren. Ik zag dat de man een gestreepte of geruite trui met wit en blauwe kleuren droeg. Ik zag dat de man mij aankeek en direct hierna een brandgang in de Wouwstraat in rende. Ik heb dit portofonisch doorgegeven aan aanrijdende collega's.

Kort hierna hoorden wij van collega's dat er personen waren aangehouden in de nabije omgeving. Na aankomst op het politiebureau hoorden wij dat een van de aangehouden verdachten bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] .

Wij hebben hierop op de arrestantenafdeling gekeken naar het uiterlijk van de verdachten. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , herkende [verdachte] als zijnde de persoon welke de brandpoort in de Wouwstraat in was gerend.

3.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2013 van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid met nr. PL1810 2013031090-35. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 000266):

als de op 8 april 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe de voordeur open en zie de buurman onder het bloed op de grond liggen. Ik zag in totaal vier jongens bij die man staan. Ik zag dat drie van deze jongens op de buurman aan het intrappen waren. (..) Ze waren echt aan het trappen. Ze trapten meerdere keren. Ze trapten op zijn lichaam. De jongens die op de buurman aan het intrappen waren ken ik als [betrokkene 2] , [verdachte] , wiens achternaam ik niet weet, en een getinte jongen, meer Hindoestaans/ Surinaams, met een gezet postuur en klein.

Ik zag dat [betrokkene 2] bij de uitgang stond. Naast hem stond [verdachte] en daar weer naast stond die gezette jongen. De buurman lag voor hen op zijn rug. [betrokkene 2] stond dan bij zijn linkerbeen. [verdachte] stond tussen zijn benen in en die gezette jongen stond bij zijn rechterbeen. Vanuit deze posities waren zij op de buurman aan het intrappen."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd en heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte weliswaar bekent dat hij op de bewuste avond in het portiek aanwezig was ten tijde van het geweld maar dat niet híj maar anderen de verantwoordelijkheid dragen voor het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof de volgende gang van zaken gebleken.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2013 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hoorden de verbalisanten op die datum omstreeks 01.10 uur diverse personen hard praten in het portiek van een flat. Zij hoorden dat de geluiden uit het portiek kwamen dat direct was gelegen aan de andere kant van de Wouwstraat in Dordrecht. Zij zagen dat voor dat portiek een persoon op de grond viel. Zij zagen vervolgens dat circa vier personen om de man stonden en dat door diverse personen op de man werd ingetrapt. Er werd meerdere malen hard getrapt op het hoofd van de man en er werd door verschillende personen met kracht gestampt en geschopt met de onderzijde van hun schoen op het hoofd van de man. Dit gebeurde tenminste vier keer. De verbalisanten zagen voorts dat de man ten tijde van de mishandeling roerloos op de grond lag en dat niemand de gewonde man tijdens de aanval verdedigde of beschermde.

Eén van de verbalisanten is vervolgens op de groep toe gerend en heeft op luide toon geroepen: "Politie". Eén van de personen van de groep rende de brandpoort gelegen aan de Wouwstraat in. Deze persoon is later aangehouden en door de verbalisant als de verdachte in onderhavige strafzaak herkend.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij deel uitmaakte van de groep die in het portiek verbleef toen [slachtoffer] naar buiten kwam. De verdachte kreeg ruzie met [slachtoffer] waarna de vechtpartij begon.

Op grond van het bovenstaande kan het hof niet vaststellen welke geweldshandeling aan de verdachte en/of zijn mededaders kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair (poging doodslag) en subsidiair (toebrengen zwaar lichamelijk letsel) is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof is, gelet op bovenomschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, en mede gelet op de verdere inhoud van het procesdossier, van oordeel dat wel buiten twijfel is vast komen te staan dat de verdachte deelnam aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld tegen [slachtoffer] ."

3 Aan de beoordeling van het middel voorafgaande opmerkingen

3.1.

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1316). Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het onderhavige arrest alsmede het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. de arresten van heden ECLI:NL:HR:2016:1315 en ECLI:NL:HR:2016:1323). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

3.2.

Het voorgaande geldt, zoals in genoemde arresten is overwogen en uit de in het arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 aangehaalde voorbeelden ook blijkt, in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. In art. 141 Sr is dat het geval. De rechter zal derhalve moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op - en wordt ook frequent toegepast bij - openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen.

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt over het bewijs van het "in vereniging" gepleegd zijn van het openlijk geweld.

4.2. '

s Hofs oordeel dat de verdachte nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het "in vereniging" plegen van het bewezenverklaarde geweld, dat heeft bestaan uit het meermalen met kracht met geschoeide voet stampen en/of trappen op het hoofd en/of tegen het lichaam van de aangever, is niet onbegrijpelijk, in het bijzonder gelet op bewijsmiddel 3, waarin de verdachte als " [verdachte] " wordt aangeduid.

4.3.

Het middel faalt.

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde jeugddetentie van negen maanden.

6 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;

vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.