Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
14/06394
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:233, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5539, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen inbraak. HR maakt opmerkingen bij ECLI:NL:HR:2014:3474 en ECLI:NL:HR:2015:716. I.c. falende bewijsklacht medeplegen. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1431
RvdW 2016/836
NJ 2016/413 met annotatie van N. Rozemond
NBSTRAF 2016/195 met annotatie van prof. mr. G.P.M.F. Mols
SR-Updates.nl 2016-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 14/06394

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 november 2014, nummer 23/004343-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"verdachte op 31 mei 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand M-Real (perceel Van Boshuizenstraat 12) heeft weggenomen 12 laptops (merk Dell en Lenovo), toebehorende aan M-Real waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van kastdeuren in voornoemd bedrijfspand."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal met nummer 2013130632-1 van 31 mei 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 1.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als aangifte van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Ik ben namens M-Real, gevestigd aan de Van Boshuizenstraat 12 te Amsterdam, gerechtigd tot het doen van aangifte.

Ik werd op 31 mei 2013 rond 21:00 uur gebeld door een beveiligingsbedrijf dat er ingebroken was bij het kantoor waar ik werkzaam ben. Toen ik ter plaatse kwam, werd ik aangesproken door een politiemedewerker. Hij vroeg mij of ik samen met de beveiliging wilde gaan kijken of er dingen gestolen waren.

Ik ben samen met de beveiliging door het pand heen gelopen. Ik zag dat ze een kamer in gegaan waren en daar drie kasten hadden opengebroken. In deze kasten lagen diverse laptops. De kasten waren afgesloten door middel van een slot. Ik zag dat deze sloten waren verbroken. Ik zag dat de laptops die normaal in de kasten lagen verdwenen waren.

Ik heb een lijst uitgeprint van de laptops die ontvreemd zijn.

2. Een geschrift, zijnde een lijst met laptops, als bijlage bij voormeld proces-verbaal, doorgenummerde pag. 4

Dit geschrift bevat een lijst met 1 Dell en 11 Lenovo laptops.

3. Een proces-verbaal met nummer 2013130632-2 van 1 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pag. 5.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 31 mei 2013 waren wij, verbalisanten, in uniform gekleed en als zodanig herkenbaar als politieambtenaar. Wij verplaatsten ons in een herkenbaar politievoertuig. Om 19:50 uur hoorden wij via het hoofdbureau dat er zojuist was ingebroken op de Van Boshuizenstraat te Amsterdam. De mogelijke daders zouden drie à vier negroïde personen zijn die in een zwarte Audi A3 3-deurs waren weggereden in de richting van de Beneluxbaan en dan linksaf waren geslagen in de richting van Amstelveen.

Wij hebben op dat moment meteen positie ingenomen op de Bovenkerkerweg kruising Beneluxbaan te Amstelveen. Na ongeveer een minuut zagen wij een zwarte Audi A3 3-deurs met vier negroïde personen rijden. Wij zagen dat het voertuig uit de richting Amsterdam kwam en linksaf sloeg de Bovenkerkerweg op richting Uithoorn. Wij zagen dat het kenteken van het voertuig was [AA-00-BB] . Wij zijn achter het voertuig aan gegaan. Wij zijn achter het voertuig aangereden het doodlopende gedeelte van de N201 in. Wij zagen dat het voertuig het braakliggend terrein op reed. Wij zagen vervolgens dat de bestuurder het portier tijdens het rijden opendeed en uit het voertuig sprong. Wij zagen vervolgens dat er nog drie personen uit het voertuig sprongen.

4. Een proces-verbaal met nummer 2013130632-14 van 1 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde blz. 8.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 31 mei 2013 omstreeks 19:50 uur bevond ik mij als brigadier van dienst in het politiebureau Aalsmeer te Aalsmeer. Aldaar hoorde ik via de mobilofoon dat er een surveillance eenheid werd gevraagd in de buurt van de Van Bossestraat te Amsterdam, in verband met een mogelijke inbraak bedrijf heterdaad.

Wij, verbalisanten stelden ons op op de kruising Legmeerdijk met de N201. Wij zagen dat er een zwarte Audi A3 voorzien van kenteken [AA-00-BB] met een hoge snelheid kwam aanrijden met daarachter diverse herkenbare surveillancevoertuigen met zwaailichten en sirenes. Ik zag dat er drie jongens uit het voertuig kwamen en er al hollend vandoor gingen. Ik, verbalisant besloot om achter een gezette jongen de achtervolging te vervolgen. Plotseling stopte er op de Fokkerweg een voertuig van een beveiligingsdienst waaruit een jongeman stapte en uit zijn voertuig een diensthond pakte. Deze beveiliger riep naar de verdachte dat hij moest blijven staan, hetgeen de verdachte deed. Hierop is de verdachte door mij aangehouden. De verdachte was genaamd: [verdachte] .

5. Een proces-verbaal met nummer 2013130632-33 van 1 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pag. 17.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 1 juni 2013 bevond ik, verbalisant, mij in het bureau Amstelveen-Noord. Naar aanleiding van een inbraak in bedrijf heb ik verbalisant het voertuig, personenauto Audi A3, kleur zwart, kenteken [AA-00-BB] doorzocht. In de kofferbak trof ik twaalf (12) laptops aan. Elf (11) laptops van het merk Lenovo en een (1) van het merk Dell."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat hij ten onrechte is veroordeeld, nu hij niets afwist van de inbraak die gepleegd moet zijn voordat hij in de auto is gestapt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 31 mei 2013 op weg was naar Uithoorn om daar een autoreparatie te verrichten voor een zekere [betrokkene 2] . Hij was met buslijn 15 richting Amstelveen gegaan en was op advies van derden uitgestapt ter hoogte van de VU. Aldaar was hij gaan lopen langs - zo begrijpt het hof - de Beneluxbaan en is op de tram/metrohalte op de kruising bij de Van Boshuizenstraat gaan staan wachten op verder openbaar vervoer. Aldaar hoorde hij getoeter en zag hij bij het tegenoverliggende verkeerslicht voor link afslaand verkeer in de Van Boshuizenstraat een zwarte Audi staan met achter het stuur de hem bekende "Big" (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ). De verdachte is vervolgens de weg overgestoken en heeft [medeverdachte 1] gevraagd of deze hem een lift kon geven naar Uithoorn. Daarop is de hem ook bekende [betrokkene 3] , die op de passagiersstoel zat, uitgestapt en achterin gaan zitten en is de verdachte op die passagiersstoel gaan zitten. Vervolgens is de auto weggereden. Enige tijd daarna bemerkte de verdachte dat de auto werd achtervolgd door de politie. Toen de auto klem was gereden, is de verdachte uit paniek met de anderen uit de auto gesprongen en in/over een sloot het weiland ingevlucht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt het volgende. Op 31 mei 2013 komt om 19:47 uur bij de meldkamer van de politie Amsterdam de melding binnen van een inbraak in de Van Boshuizenstraat te Amsterdam. De daders zouden, volgens de melder, zijnde tevens ooggetuige, drie à vier negroïde mannen zijn die in een zwarte Audi A3 3-deurs zijn weggereden in de richting van de Beneluxbaan. Deze ooggetuige verklaart op de Van Boshuizenstraat achter deze Audi te hebben gereden en dat deze auto linksaf sloeg (het hof begrijpt: de Beneluxbaan op) richting Amstelveen. Daarna is hij de auto uit het oog verloren en heeft hij de politie gebeld. Omstreeks 19.51 uur zien verbalisanten die positie hadden ingenomen op de kruising van de Beneluxbaan en de Bovenkerkerweg (naar algemeen bekend een afstand van ongeveer 6 km), een zwarte Audi A3 3-deurs met vier negroïde mannen rijden. Dit blijkt de bij de inbraak betrokken auto te zijn.

Het hof stelt vast dat de melder van de inbraak spreekt over 3-4 negroïde mannen. In de auto zijn naast de verdachte en [medeverdachte 1] de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] aangetroffen. De melder heeft de auto gevolgd en geobserveerd tot en met het moment dat de auto bij het kruispunt Beneluxbaan-Van Boshuizenstraat linksaf sloeg en richting Amstelveen reed. De getuige wiens aandacht was gespitst op deze Audi, heeft in die tijdsspanne niet gezien dat een persoon naar de Audi is toegelopen, dat de passagier naast de chauffeur in de Audi is uitgestapt en achterin is gaan zitten en dat een van de tramhalte komende persoon over de kruising lopende is ingestapt. De lezing van de verdachte vindt ook overigens geen enkele steun in de verklaringen en bevindingen in het dossier. Het hof hecht aan de verklaring van de verdachte dan ook geen enkele waarde en legt deze terzijde. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat de lezing van de verdachte - die overigens bij de politie en in eerste aanleg over de door verdachte gevolgde route en instappunt ook aanzienlijke verschillen vertoont met de bij het hof afgelegde verklaring - ook reeds onwaarschijnlijk is nu zij erop neerkomt dat drie inbrekers die net met de buit van de plaats delict zijn weggereden, de tijd nemen om een bekende op hun aanwezigheid te attenderen door te toeteren, te wachten tot die persoon naar hen is toegelopen en een ingewikkelde uit- en instapprocedure te volgen, dat alles om die bekende naar Uithoorn te brengen. Overigens ondersteunt ook geen van de drie medeverdachten de lezing van de verdachte.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hof de verklaring van de verdachte terzijde stelt. Uit de overige bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tezamen en in vereniging met drie anderen de ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd."

3 Aan de beoordeling van het middel voorafgaande opmerkingen

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.

Het beslissingskader zoals dat is neergelegd in de hierboven genoemde arresten kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1316). Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen (vgl. het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1320 over art. 141 Sr en ECLI:NL:HR:2016:1322 over bedreiging met geweld). Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. de rechtsoverwegingen onder 4.2 hierna alsmede het arrest van heden ECLI:NL:HR:2016:1323). In concrete zaken kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn.

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het handelen "tezamen en in vereniging met anderen" (hierna: het medeplegen) ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.1.

Bij de beoordeling van het middel moet mede het volgende worden betrokken. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Voor het medeplegen van diefstal geldt hetzelfde.

4.2.2.

Bij die beoordeling kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

4.2.3.

In een geval als het onderhavige kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld door wie precies. Indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte zoals hiervoor onder 4.2.2 bedoeld, van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen.

4.3.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte, die een negroïde uiterlijk heeft, kort na de diefstal door drie à vier negroïde mannen, tezamen met drie negroïde mannen in de bij de diefstal betrokken auto - met in de kofferbak de gestolen laptops - heeft gezeten en daaruit is gevlucht. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het geen enkele waarde hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij eerst na afloop van de door anderen gepleegde diefstal in de auto is gestapt. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte en drie mededaders de diefstal gezamenlijk hebben uitgevoerd en derhalve zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde diefstal, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.4.

Het middel faalt.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.