Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1293

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
15/04250
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:291, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Is een ontslagvergoeding die is ingebracht in een stamrecht-bv verknocht aan de man (art. 1:94 lid 3 BW)?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1410
NJ 2016/292
RvdW 2016/750
JWB 2016/254
PJ 2016/130
RFR 2016/122
FJR 2017/24.4
JPF 2016/93 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2016-0170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2016

Eerste Kamer

15/04250

EV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak C/10/409157/F1 RK 12-3280 en C/10/420224/FA RK 13-2070 van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2013 en 30 september 2013;

b. de beschikkingen in de zaak 200.137.865/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2014 en 17 juni 2015.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld, naderhand heeft de vrouw onderdeel 3 ingetrokken. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1974 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 24 juni 2013 door inschrijving van de echtscheidings-beschikking ontbonden.

(ii) Aan de man is in 2007 bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding toegekend van € 282.076,64 bruto.

(iii) Op 19 januari 2007 is tussen de door de man opgerichte stamrecht-B.V. (hierna: de B.V.), de man en de toenmalig werkgeefster van de man een stamrechtovereenkomst ondertekend, waarin de B.V., ter uitvoering van art. 2 van de beëindigingsovereenkomst, zich verplicht om, tegen betaling van het hiervoor bij (ii) genoemde bedrag, aan de man een aanspraak op periodieke uitkeringen te verstrekken met inachtneming van art. 11 lid 1, aanhef en onder g, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

(iv) In juni 2008 is tussen de B.V. en de man een stamrechtovereenkomst gesloten. In art. 1 daarvan is bepaald:

“Tot het bedrag van de (…) in de vennootschap gestorte vergoeding terzake van de beëindiging van de dienstbetrekking (…) (€ 282.076,64), bedingt [de man] van de vennootschap een recht op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, lid 1, g van de Wet op de loonbelasting 1964, welk recht aanspraak geeft op een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering (…).”

3.2.1

Tussen partijen is, voor zover in cassatie van belang, in geschil of de aanspraak van de man jegens de B.V. deel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. De man stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat de desbetreffende aanspraak op periodieke uitkeringen op bijzondere wijze aan hem is verknocht in de zin van art. 1:94 lid 3 BW. De rechtbank heeft de man in zijn standpunt gevolgd en geoordeeld dat het stamrecht geen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap.

3.2.2

In hoger beroep heeft de vrouw het hof verzocht te bepalen dat de waarde van de aandelen in de B.V. in de gemeenschap van goederen valt en dat haar derhalve de helft van die waarde toekomt. Subsidiair heeft zij het hof verzocht te bepalen dat de in de B.V. aanwezige pensioenaanspraken dienen te worden verevend en dat het aan de vrouw toekomende gedeelte daarvan dient te worden afgestort bij een door haar aan te wijzen verzekeringmaatschappij.

3.2.3

In zijn tussenbeschikking heeft het hof overwogen:

“13. Ervan uitgaande dat de vergoeding die de man heeft ontvangen door partijen deels is geëtiketteerd als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen, brengt dit naar maatschappelijke normen met zich mee dat de uitkeringen die worden gedaan vanuit deze vergoeding die betrekking hebben op de periode die is gelegen na de ontbinding van de gemeenschap, aangemerkt moeten worden als zijnde verknocht. Gelden die zijn uitgekeerd voor de ontbinding van de gemeenschap vallen in de huwelijksgemeenschap en de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap zijn dan aan de man verknocht, hetgeen impliceert dat de vrouw daarop geen vermogensrechtelijke aanspraken heeft.

14. Vast staat dat de man tot op heden nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht B.V. heeft ontvangen.

15. Nu de uitkering betrekking heeft op pensioen wat niet in de gemeenschap valt (artikel 1:94 lid 4 BW) en het overige gedeelte betrekking heeft op toekomstige inkomenssuppletie, valt de volledige vordering niet in de gemeenschap. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de vrouw [het verzoek tot verevening] wenst het hof, alvorens verder te beslissen, van de man de mogelijke pensioenbrieven te ontvangen.”

En in rov. 5 van zijn eindbeschikking:

“De man heeft (…) (volgens de man) inzichtelijk gemaakt dat het ervoor moet worden gehouden dat de aan hem uitgekeerde beëindigingsvergoeding geen betrekking heeft op pensioenschade, maar dat er enkel sprake is van suppletie van toekomstig gederfd inkomen. De vrouw heeft dit niet betwist, maar daartegenover gesteld dat de man deze uitkering (deels) bedoeld heeft als pensioen-aanvulling. Deze bedoeling van de man – voor zover die al zou bestaan – kan naar het oordeel van het hof echter niet het karakter van de door de man van zijn werkgever ontvangen vergoeding wijzigen. Aldus is verevening van deze vergoeding niet aan de orde. Aangezien tot het vermogen van de B.V. alleen de beëindigingsvergoeding behoort en daartegenover de vordering van de man als schuld staat, moet het er voor worden gehouden dat de waarde van de aandelen nihil bedraagt.”

3.3.1

De onderdelen 1 en 2 van het middel bestrijden het oordeel van het hof dat de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap aan de man zijn verknocht en dat, nu vast staat dat de man nog geen enkele periodieke uitkering uit de B.V. heeft ontvangen, de vrouw daarop geen aanspraak kan maken.

3.3.2

Bij de beoordeling van deze klachten dient tot uitgangspunt de in cassatie niet bestreden vaststelling van het hof dat de beëindigingsvergoeding dient ter vervanging van toekomstig gederfd inkomen. Dit strookt met de inhoud van de hiervoor in 3.1 onder (iii) en (iv) genoemde stamrechtovereenkomsten, waarin aan de man een aanspraak op periodieke uitkeringen (‘stamrecht’) wordt toegekend, te verstrekken met inachtneming van art. 11 lid 1, aanhef en onder g, van de Wet LB (‘stamrechtvrijstelling’). Deze bepaling (die tot 1 januari 2014 heeft gegolden) hield in dat (onder bepaalde voorwaarden) niet tot het belastbaar loon behoren: aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

Bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak aan de man verknocht is in de zin van art. 1:94 lid 3 BW geldt het volgende.

3.3.3

Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

In een geval waarin de werkgever een aan de betrokken echtgenoot toegekende ontslagvergoeding, die was bestemd tot vervanging van toekomstig gederfd loon, als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort, heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld. Bij de beantwoording van de vraag of de uit de stamrechtverzekering voortvloeiende aanspraken in de huwelijksgemeenschap vallen, moet onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten, evenmin in de gemeenschap als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon. (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) Hoewel de aanwending van een ontslagvergoeding voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. in die zin verschilt van de aankoop van een stamrechtverzekering bij een verzekeringsmaatschappij, dat de betrokken echtgenoot in het eerste geval binnen de grenzen van de daarvoor geldende fiscale voorwaarden (zie hiervoor in 3.3.2) zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen, bestaat er geen aanleiding dat geval anders te beoordelen. In beide gevallen strekt de aanspraak op periodieke uitkeringen (jegens de stamrecht-bv respectievelijk de verzekeringsmaatschappij) tot vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Derhalve dient ook bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv in de huwelijksgemeenschap valt, te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Nu het gaat om de strekking van de aanspraak, is niet van belang in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd.

3.3.4

Uit rov. 14 van de tussenbeschikking blijkt dat het hof voor zijn oordeel dat de ontslagvergoeding niet in de huwelijksgemeenschap valt van belang heeft geacht dat de man tot op het moment van wijzen van die uitspraak nog geen enkele periodieke uitkering uit de B.V. had ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen, komt aan die omstandigheid geen betekenis toe en had het hof moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man jegens de B.V. ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De daarop gerichte klachten zijn dan ook gegrond.

3.4

Onderdeel 3 is ingetrokken, zodat het geen behandeling behoeft.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2014 en 17 juli 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.