Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1272

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
14/05926
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:247, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:8631, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:6224, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:5164, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2017:4534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht, schenking. Beroep erfgenaam op vernietigbaarheid van schenkingen aan andere erfgenaam wegens misbruik van omstandigheden. Bijzondere regel inzake bewijslastverdeling (art. 7:176 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/58.5
JWB 2016/238
NJB 2016/1349
NJ 2016/401 met annotatie van S. Perrick
RvdW 2016/920
RFR 2016/132
ERF-Updates.nl 2016-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2016

Eerste Kamer

14/05926

LZ/RB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de zuster],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de broer],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.A. Fruytier.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de zuster en de broer.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 99296 / HA ZA 08-43 van de rechtbank Groningen van 26 maart 2008 en 3 maart 2010;

b. de arresten in de zaak 200.068.624/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2013, 5 augustus 2014 en 11 november 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 16 juli 2013 en 5 augustus 2014 heeft de zuster beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De broer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangendProcureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) De moeder van partijen is op 14 augustus 2005 overleden.

  • -

    ii) De zuster en de broer zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de nalatenschap van de moeder.

  • -

    iii) Als gevolg van de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen in 1965 zijn de zuster en de broer eigenaar geworden van de landerijen en gebouwen van een destijds door de vader geëxploiteerd agrarisch bedrijf. De moeder heeft de exploitatie van het agrarisch bedrijf voortgezet en pachtte het land en de gebouwen van haar kinderen.

  • -

    iv) In 1989 heeft de moeder de exploitatie van het bedrijf beëindigd en heeft de broer de exploitatie van de boerderij in maatschapsverband met een loonbedrijf overgenomen. De broer heeft toen de 50% onverdeelde eigendom van de zuster in de landerijen en de gebouwen gekocht en is daarmee volledig eigenaar van de boerderij geworden. De moeder bleef tot begin 1991 op de boerderij wonen.

  • -

    v) In ieder geval vanaf 1992 was de verhouding tussen de moeder en haar dochter ernstig bekoeld en was er tussen hen geen contact.

  • -

    vi) In de laatste jaren van het leven van de moeder hielp de broer haar bij haar administratie en bij het versturen van haar financiële gegevens naar de accountant.

  • -

    vii) Bij brief van 10 augustus 2007 aan de broer zijn namens de zuster onder meer schenkingen van de moeder aan de broer in 2003, 2004 en 2005 vernietigd, waartoe een beroep is gedaan op de geestestoestand van de moeder.

3.2.1

De zuster heeft onder meer gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de schenkingen van de moeder aan de broer (in de vorm van effectenoverdrachten) van december 2004 en maart 2005 nietig zijn. De zuster heeft daartoe aangevoerd dat de broer eenzijdig de overdrachten van de effecten heeft bewerkstelligd en dat de aan de opdrachten aan de bank ten grondslag liggende documenten (in de processtukken aangeduid als documenten X2 tot en met X6) zijn vervalst.

3.2.2

De rechtbank heeft onder meer voor recht verklaard dat de schenkingen van december 2004 en van maart 2005 van de moeder aan de broer nietig zijn, en dat de broer niet meedeelt in de effecten zoals gespecificeerd in de brieven aan de bank van 14 december 2004 en 3 maart 2005. Naar het oordeel van de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat de aan de effectenoverdrachten ten grondslag liggende documenten door de broer zijn vervalst en dat die overdrachten derhalve nietig zijn.
Dit betekent dat de effecten nog als tot de nalatenschap behorend moeten worden gerekend en dat de broer zijn aandeel in die effecten ingevolge art. 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd, aldus de rechtbank.

3.2.3

In zijn tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat hetgeen de zuster stelt tegenover de gemotiveerde betwisting door de broer, nog niet is komen vast te staan. Zo heeft de broer de door de zuster gestelde vervalsing van de documenten X3 tot en met X6 uitdrukkelijk betwist. Het hof heeft de zuster toegelaten tot het bewijs van haar hierop betrekking hebbende stellingen. (rov. 4.10)

Voorts heeft het hof overwogen dat indien het mocht oordelen dat de zuster niet slaagt in het haar opgedragen bewijs, aan de orde komt de in eerste aanleg onbesproken gelaten stelling van de zuster dat de effectenoverdrachten terecht zijn vernietigd wegens het ontbreken van de wil van de moeder op grond van een geestelijke stoornis of vanwege misbruik van omstandigheden. De broer betwist deze stelling. Ook van deze stelling draagt de zuster de bewijslast. Het hof heeft de zuster toegelaten tot het bewijs daarvan. (rov. 4.11)

3.2.4

In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat de zuster niet is geslaagd in het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt (a) dat de moeder de betalingen en schenkingen die zijn vermeld in de documenten X3 tot en met X6, niet heeft gedaan, en (b) dat de moeder de effecten die op 29 december 2004 en 18 maart 2005 op de rekening van de broer zijn geboekt, niet aan hem heeft overgedragen (rov. 2.1, aanhef en onder a, in verbinding met rov. 2.2-2.5). Naar het oordeel van het hof is de zuster evenmin geslaagd in het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden
waaruit blijkt dat de effectenoverdrachten terecht zijn vernietigd wegens het ontbreken van de wil van de moeder op grond van een geestelijke stoornis of vanwege misbruik van omstandigheden (rov. 2.1, aanhef en onder b, in verbinding met rov. 2.6-2.7). Op grond van een en ander heeft het hof onder meer vernietigd de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht met betrekking tot de effecten zoals gespecificeerd in de brieven aan de bank van 14 december 2004 en 3 maart 2005, en heeft het de daarop betrekking hebbende vorderingen van de zuster afgewezen.

3.3.1

Middel II klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat bij een beroep op vernietigbaarheid van een schenking wegens misbruik van omstandigheden, op grond van art. 7:176 BW een bijzondere regel van bewijslastverdeling geldt. Het hof heeft ten onrechte de zuster belast met het bewijs van haar stelling dat de schenkingen door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen, en had op de broer de bewijslast moeten leggen dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Indien het hof mocht hebben geoordeeld dat toepassing van deze bijzondere regel van bewijslastverdeling in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid
en billijkheid zou zijn, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aldus de klacht.

3.3.2

Art. 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

3.3.3

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:176 BW blijkt dat deze van (thans) art. 150 Rv afwijkende bijzondere regel van bewijslastverdeling in de wet is opgenomen ter versterking van de positie van de schenker. Aan de regel van art. 7:176 BW bestaat geen behoefte indien van de schenking een notariële akte is opgemaakt: in dat geval mag voorshands ervan worden uitgegaan dat de schenker zonder overijling en ongeoorloofde beïnvloeding is te werk gegaan.

Voorts is in art. 7:176 BW een uitzondering opgenomen voor het geval de in de hoofdregel vervatte verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Van dit laatste zal de rechter dan wel uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, ervan uitgaande dat feiten zijn gesteld die deze afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Daarbij valt te denken aan het geval dat alleen de schenker over het bewijsmateriaal beschikt of dat zijn betoog zo onwaarschijnlijk is dat voorlopige aanvaarding ervan de wederpartij in een onredelijke bewijspositie zou brengen. (Vgl. Kamerstukken II, 1981-1982, 17 213, nr. 3, p. 8-9)

3.3.4

De zuster heeft – als rechtsopvolger onder algemene titel (erfgenaam) van de moeder, en daarmee dus als ‘schenker’ – een beroep gedaan op vernietigbaarheid van schenkingen van de moeder aan de broer. Blijkens de stukken van het geding in feitelijke instanties heeft de zuster feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar betoog dat de schenkingen (in de vorm van effectentransacties) bij onderhandse akten van 14 december 2004 en 2 maart 2005 (in de processtukken aangeduid als document X4 respectievelijk document X2) door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 24). Deze processtukken laten geen andere conclusie toe dan dat de zuster heeft voldaan aan de ingevolge art. 7:176 BW op haar rustende stelplicht.

Bij die stand van zaken had het hof toepassing moeten geven aan art. 7:176 BW door op de broer de bewijslast te leggen dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen, dan wel door te oordelen dat deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid van billijkheid zou zijn. Van dat laatste had het hof dan uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, waarbij het hof tevens tot uitdrukking had moeten brengen welke (door de broer gestelde) feiten deze afwijking van de hoofdregel van art. 7:176 BW rechtvaardigen.

Het hof heeft echter noch in zijn tussenarrest noch in zijn eindarrest toepassing gegeven aan art. 7:176 BW. De daarop gerichte klacht van het middel treft derhalve doel.

3.3.5

De overige klachten van middel II behoeven geen behandeling.

3.4

De klachten van middel I kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5

Middel III is bij schriftelijke toelichting ingetrokken, zodat het geen behandeling behoeft.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2013 en 5 augustus 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.