Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1271

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
14/04377
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:114, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:2007, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Aanspraak op legitieme portie. Conservatoir beslag mogelijk op niet-opeisbare vordering (art. 441 Rv)? Overgangsrecht, art. 128 Ow NBW: in welke vorm kan legitimaris ‘oude’ bevoegdheden uitoefenen gedurende overgangstermijn?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 85
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 441
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 128
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/744
JWB 2016/252
NJB 2016/1348
RBP 2016/63
NJ 2016/400 met annotatie van S. Perrick
RFR 2016/121
JIN 2016/175 met annotatie van A.W. Jongbloed
ERF-Updates.nl 2016-0145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2016

Eerste Kamer

14/04377

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,

t e g e n

1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] , Israël,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning.

Eisers zal hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en verweerders gezamenlijk als [verweerders] en afzonderlijk als [verweerder 1] en [verweerder 2] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/13/556493/KG ZA 13-1553 van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 4 februari 2014;

b. het arrest in de zaak 200.142.672/01 van het gerechtshof Amsterdam van 3 juni 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verweerders] (hierna ook afzonderlijk: [verweerder 1] respectievelijk [verweerder 2] ) zijn de zonen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

  • -

    ii) Na het overlijden van [betrokkene 2] op 21 juli 1977 is [betrokkene 1] hertrouwd met [eiseres] .

  • -

    iii) [betrokkene 1] is overleden op 16 november 2001.

  • -

    iv) Blijkens zijn op 29 mei 2000 opgemaakte testament heeft [betrokkene 1] [eiseres] benoemd tot zijn enig erfgename. In zijn testament heeft [betrokkene 1] voorts bepaald dat, voor het geval zijn nakomelingen een beroep op hun legitieme portie doen, de vorderingen van zijn nakomelingen en de daarover verschuldigde rente, mede ter voldoening van zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van zijn echtgenote, eerst kunnen worden opgeëist indien zijn echtgenote overlijdt.

  • -

    v) [verweerder 1] is in 2004 met [eiseres] overeengekomen dat zij hem ter uitkering van zijn legitieme portie een bedrag van € 92.742,-- zou uitbetalen. Dit bedrag is uitgekeerd.

  • -

    vi) Nadien heeft [verweerder 1] ontdekt dat het saldo van een Zwitserse bankrekening niet bij de onderhandeling over de uitkering van zijn legitieme portie was betrokken.

  • -

    vii) In een daarop volgende gerechtelijke procedure tussen partijen zijn onder meer de (omvang van de) legitieme porties van [verweerder 1] en [verweerder 2] in de nalatenschap van hun vader vastgesteld. Tevens is de vordering van [verweerder 1] strekkende tot betaling van (het restant van) de aan hem toekomende legitieme portie uit hoofde van die nalatenschap afgewezen, op de grond dat deze vordering nog niet opeisbaar was, maar dat pas zou worden op de door [betrokkene 1] in zijn testament opgenomen momenten.

  • -

    viii) [eiseres] heeft de door haar bewoonde voormalige echtelijke woning in juni 2013 verkocht voor € 1.275.000,--. Hiervan is € 130.000,-- in depot gebleven bij de notaris.

  • -

    ix) Met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam hebben [verweerders] in 2013 ten laste van [eiseres] onder de notaris conservatoir derdenbeslag doen leggen op het hiervoor in (viii) genoemde bedrag van € 130.000,--.

  • -

    x) Bij dagvaarding van 26 november 2013 hebben [verweerders] de hoofdzaak tegen [eiseres] aanhangig gemaakt. Kort gezegd vorderen [verweerders] daarbij [eiseres] te veroordelen tot uitkering van (het restant van) hun legitieme portie, althans tot het stellen van zekerheid daarvoor.

3.2.1

In het onderhavige kort geding vordert [eiseres] opheffing van het door [verweerders] onder de notaris gelegde derdenbeslag op de grond dat de vorderingen van [verweerders] ondeugdelijk zijn.

De voorzieningenrechter heeft het conservatoire derdenbeslag opgeheven voor zover dit strekt tot zekerheid voor de vordering van [verweerder 1] , doch gehandhaafd voor zover dit strekt tot zekerheid voor de vordering van [verweerder 2] .

3.2.2

Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover daarbij het voor de vordering van [verweerder 1] gelegde beslag is opgeheven en alsnog de gevraagde voorziening tot opheffing van (dit onderdeel van) het beslag geweigerd en het vonnis voor het overige bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“3.5. Het gaat in dit kort geding hoofdzakelijk om de vraag in hoeverre [verweerder 1] dan wel [verweerder 2] hun vorderingen nu reeds kunnen innen bij [eiseres] , gelet op de clausule in het testament van de vader van [verweerders] dat deze vorderingen bij leven van [eiseres] niet opeisbaar zijn. (…) Het hof zal eerst de vraag bespreken in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden.

3.6.

Bij deze belangenafweging neemt het hof voorts de volgende omstandigheden in aanmerking:

- [betrokkene 1] is in 2001 overleden; hij was in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres] ; [eiseres] heeft krachtens het testament van [betrokkene 1] en huwelijksgoederenrecht de beschikking gekregen over de gehele nalatenschap (met een zuiver saldo van € 1.068.180,- zonder rekening te houden met banktegoed in Zwitserland), waaronder de woning aan de [a-straat] te Amsterdam; zij geniet een nabestaandenpensioen van [betrokkene 1];

- [verweerders] hebben (evenals hun zuster [betrokkene 3]) een vordering op [eiseres] gekregen ter grootte van hun legitieme portie; in het testament van [betrokkene 1] is bepaald dat deze vorderingen niet-opeisbaar zijn mede ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van [eiseres] ;

- [eiseres] en [verweerder 1] zijn in 2004 overeengekomen dat diens legitieme portie (toen nog berekend op € 92.742,-) aan [verweerder 1] werd uitbetaald; [verweerder 2] heeft toen geen aanspraak gemaakt op directe uitbetaling van zijn legitieme portie;

- [verweerders] hebben in 2006 ontdekt dat tot de nalatenschap een Zwitsers banktegoed van USD 243.206,- (€ 275.962) behoorde dat niet in de ouderlijke boedelverdeling was betrokken; [eiseres] heeft deze bate niet vrijwillig alsnog in de verdeling betrokken en heeft tot op heden het aandeel van [verweerders] in deze bate niet betaald;

- [eiseres] heeft het huis aan de [a-straat] in juni 2013 verkocht voor een koopsom van € 1.275.000,-; op het huis rustte een hypotheek van € 150.000,-;

- [eiseres] is thans 93 jaar en zij verblijft in een verzorgingstehuis.

3.7.

Onder deze omstandigheden dient het belang van [verweerders] het verhaal voor hun vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling zeker te stellen het zwaarst te wegen, ook indien deze vorderingen bij leven van [eiseres] nog niet opeisbaar zijn. Het belang van [eiseres] vrij over het beslagen bedrag van € 130.000,- te kunnen beschikken weegt daar niet tegen op, nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] anderszins over voldoende middelen beschikt om gedurende haar resterende levensjaren in haar behoeften te voorzien. Daarbij komt dat [verweerders] hebben aangevoerd dat [eiseres] door schenkingen aan haar eigen kinderen over haar vermogen beschikt en dat zonder het beslag verhaal voor hun vorderingen gevaar loopt.

3.8. (…)

Over de vraag of [verweerder 1] deze vordering kan opeisen voordat [eiseres] is overleden, zal in een bodemprocedure beslist dienen te worden. Ook indien dat niet het geval is, dient zijn belang bij dit beslag zwaarder te wegen dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan. (…)

3.9.

[eiseres] betoogt met grief I dat de vordering van [verweerder 2] op grond van art. 128 Overgangsrecht Nieuw BW summierlijk ondeugdelijk is, aangezien hij zijn legitieme portie niet vóór 16 november 2006 heeft opgeëist. De grief miskent dat het bepaalde in art. 128 Overgangsrecht Nieuw BW er wel toe kan leiden dat de in het oude recht aan de legitimaris van een vóór 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap toegekende bevoegdheden vervallen als deze bevoegdheden niet tijdig worden uitgeoefend, maar niet dat de vordering ter grootte van de legitieme portie op de nalatenschap komt te vervallen. En voor deze vordering heeft [verweerder 2] beslag gelegd.”

3.3.1

Onderdeel 2.1 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat conservatoir beslag voor een niet-opeisbare vordering niet mogelijk is.

3.3.2

Deze klacht faalt. Niet is uitgesloten dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is (zie de passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 441 Rv die is geciteerd in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 15 en vgl. HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2063, NJ 1996/473, rov. 3.7).

3.4.1

Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 3.9 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 128 lid 2 Overgangswet nieuw BW (hierna: Ow NBW). Volgens het onderdeel volgt uit de omstandigheid dat [verweerder 2] zijn legitieme portie niet vóór 16 november 2006 heeft opgeëist, dat diens vordering is vervallen. Het onderdeel strekt er kennelijk toe dat – zoals [eiseres] in haar memorie van grieven onder 2 heeft betoogd – voor het behoud van een vóór 1 januari 2003 ontstane aanspraak op een legitieme portie, niet volstaat dat de legitimaris binnen de in art. 128 lid 2 Ow NBW gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen, maar dat tevens is vereist dat de legitimaris binnen die termijn zijn legitieme portie daadwerkelijk opeist. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

3.4.2

Tot 1 januari 2003 (de datum van de inwerkingtreding van het thans geldende erfrecht) kon een aanspraak op de legitieme portie, die bestond in een aandeel in de nalatenschap (art. 960 (oud) BW), niet vervallen of verjaren.

3.4.3

Volgens het sinds 1 januari 2003 geldende recht vervalt de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen (art. 4:85 lid 1 BW). Deze vervaltermijn strekt ter bevordering van de spoedige afwikkeling van nalatenschappen (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1940).

3.4.4

Art. 128 Ow NBW bevat een overgangsregeling voor legitieme porties in nalatenschappen die zijn opengevallen voor 1 januari 2003. Het eerste lid bepaalt dat de legitimaris zijn bevoegdheden uitsluitend volgens het tevoren geldende recht kan uitoefenen. Uit art. 128 lid 2, tweede volzin, Ow NBW volgt dat indien een erflater voor de inwerkingtreding van het thans geldende erfrecht, doch na 1 januari 1999 is overleden, degene die volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als legitimaris kon uitoefenen, die bevoegdheden behoudt totdat sedert het overlijden van de erflater vijf jaren zijn verstreken.

3.4.5

De wetgever heeft voor de in art. 128 Ow NBW vermelde termijn voor uitoefening van ‘oude’ bevoegdheden van de legitimaris aansluiting gezocht bij de termijn van art. 4:85 lid 1 BW (zie Kamerstukken II 1999-2000, 26 822, nr. 3, p. 13-14). Redelijke uitleg van art. 128 Ow NBW brengt mee dat [verweerder 2] zijn bevoegdheid kon uitoefenen door het binnen die termijn afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 4:85 lid 1 BW, derhalve een verklaring dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Daartoe was niet vereist hij binnen die termijn zijn legitieme portie ook daadwerkelijk opeiste.

3.4.6

Het onderdeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting en faalt daarom. Het onderdeel beroept zich niet erop dat [verweerder 2] heeft nagelaten vóór 16 november 2006 een verklaring af te leggen dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Beide partijen hebben in hun processtukken gesteld dat [verweerder 2] – naar uit die stukken volgt: voordat de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde uitkering aan [verweerder 1] werd gedaan, en dus vóór 16 november 2006 – een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie (zie aan de zijde van [eiseres] haar pleitaantekeningen voor de rechtbank nr. 3 en haar memorie van grieven nr. 14, en aan de zijde van [verweerders] hun memorie van antwoord nrs. 16 en 26).

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 390,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.