Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1236

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
15/00653
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:508, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Intrekking h.b. mogelijk na terugwijzing zaak door HR? De HR stelt voorop dat tot de aanvang van de behandeling van het h.b. de mogelijkheid bestaat het h.b. geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP2709). Daarmee wordt gedoeld op de eerste tz. in h.b. Daaronder is niet begrepen de eerste tz. in h.b. volgend op een geslaagd cassatieberoep met een verwijzingsopdracht van de HR aan een hof om de zaak op het bestaande h.b. geheel of ten dele opnieuw dan wel verder te berechten en af te doen. In ECLI:NL:HR:2011:BP2709 is voorts geoordeeld dat indien na de aanvang van de behandeling van het h.b. bezwaren niet worden gehandhaafd, e.d. ‘intrekking’ onder omstandigheden tot toepassing van art. 416.2 en 416.3 Sv kan leiden, om welke toepassing procespartijen kunnen verzoeken. Die regel geldt niet bij de voortzetting van de behandeling van het h.b. na een geslaagd cassatieberoep. ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte zijn h.b. niet meer kon intrekken na het (deels) geslaagde cassatieberoep is juist. Hetzelfde geldt voor zijn kennelijke oordeel dat het na de terugwijzing van de zaak door de HR niet langer handhaven van de bezwaren, geen consequenties kon hebben voor de ontvankelijkheid en omvang van het h.b.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2016/293
RvdW 2016/765
NJB 2016/1356
SR-Updates.nl 2016-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/00653

ABO/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 februari 2015, nummer 22/004592-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel keert zich tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de verdachte ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover de zaak na de terugwijzing daarvan door de Hoge Raad aan het oordeel van het Hof is onderworpen.

2.2.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3 is het procesverloop in deze zaak - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt weergegeven:

"De Hoge Raad heeft zich (...) al eerder over deze zaak gebogen [HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2780]. Daarbij ging het eveneens over de vordering tenuitvoerlegging die tegelijk is behandeld met het nieuwe feit waarvoor de veroordeelde is vervolgd. In eerste aanleg heeft de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage bij vonnis van 2 mei 2012 [verdachte] veroordeeld wegens diefstal tot een gevangenisstraf en daarnaast de tenuitvoerlegging gelast van veertien dagen gevangenisstraf van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Na een daarop ingesteld hoger beroep is het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 28 maart 2013 op andere gronden tot dezelfde beslissingen gekomen als de politierechter in eerste aanleg. Daarbij heeft het hof overwogen dat het artikel 22b Sr van toepassing acht 'zodat het omzetten van de gevangenisstraf van veertien dagen in een taakstraf als door de raadsman is bepleit, niet aan de orde is'. Daarop heeft de veroordeelde cassatieberoep ingesteld en bij arrest van 16 september 2014 oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte had aangenomen dat art. 22b, derde lid, Sr in casu aan de verzochte omzetting in een taakstraf in de weg stond. Aangezien de Hoge Raad het arrest van 28 maart 2013 uiteindelijk slechts wat betreft de gegeven last tot tenuitvoerlegging vernietigde, heeft het genoemde arrest voor het overige op 16 september 2014 kracht van gewijsde gekregen. Na terugwijzing heeft de veroordeelde op 26 januari 2015 het oorspronkelijk ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter ingetrokken en bij het hof de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep bepleit. Desalniettemin heeft het hof in zijn arrest van 9 februari 2015 wederom de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van veertien dagen, maar ditmaal tevens beslist dat de genoemde gevangenisstraf daarbij wordt omgezet in een taakstraf van achtentwintig uren."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bestaat de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien (vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531). Daarmee wordt gedoeld op de eerste terechtzitting in hoger beroep; daaronder is dus niet begrepen de eerste terechtzitting in hoger beroep volgend op een geslaagd cassatieberoep met een verwijzingsopdracht van de Hoge Raad aan een hof om de zaak op het bestaande hoger beroep geheel of ten dele opnieuw dan wel verder te berechten en af te doen.

In het zo-even genoemde arrest is voorts geoordeeld dat indien na de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bezwaren niet worden gehandhaafd, een dergelijke 'intrekking' onder omstandigheden tot toepassing van art. 416, tweede en derde lid, Sv kan leiden, om welke toepassing procespartijen bovendien kunnen verzoeken. Die regel geldt evenwel niet bij de voortzetting van de behandeling van het hoger beroep na een geslaagd cassatieberoep. Dat past immers minder goed bij de inmiddels bereikte stand van de procedure, waarin de Hoge Raad op grond van art. 440, tweede lid, Sv een verwijzingsopdracht aan de appelrechter heeft gegeven. Voorts zou toepassing van die regel tot problemen kunnen leiden met betrekking tot de strafoplegging en/of de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Daarbij kan vooral worden gedacht aan executieproblemen in zaken waarin het arrest van het hof partieel is vernietigd, bijvoorbeeld wanneer het hof het veroordelende vonnis van de rechtbank heeft vernietigd waarna de Hoge Raad het veroordelende arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging heeft vernietigd.

2.4.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte zijn hoger beroep niet meer kon intrekken na het (deels) geslaagde cassatieberoep, is derhalve juist. Hetzelfde geldt voor zijn kennelijke oordeel dat het na de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad niet langer handhaven van de bezwaren, geen consequenties kon hebben voor de ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2016.