Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1201

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
15/02492
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:165, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:1947, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 224 Gemeentewet, art. 3 Verordening Toeristenbelasting gemeente Amsterdam. Gelegenheid geven tot houden van verblijf. Is ondernemer die volledig ingerichte appartementen verhuurt aan bedrijven ten behoeve van kort verblijf van hun buitenlandse werknemers en gasten belastingplichtige voor de toeristenbelasting van de gemeente Amsterdam?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1318
V-N 2016/32.22 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2016/314 met annotatie van J.A. Monsma
BNB 2016/191 met annotatie van S. Bosma
FutD 2016-1491 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/1616 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2016

nr. 15/02492

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2015, nrs. 12/00744 t/m 12/00748, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AWB 11/1838 t/m 11/1841 en 11/4061) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 opgelegde voorlopige aanslagen in de toeristenbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten, belanghebbende door A.E.H. van der Voort Maarschalk, advocaat te Amsterdam, en het College door F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim, advocaten te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 maart 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende verhuurt volledig ingerichte appartementen aan bedrijven ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van buitenlandse medewerkers en gasten (hierna: de expats). Het betreft tijdelijke bewoning voor een aansluitende periode van ten minste een week en maximaal zes maanden (‘short stay’ bewoning).

2.1.2.

De gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) heeft aan belanghebbende een vergunning verleend voor het aanbieden van woonruimte ten behoeve van evenbedoelde ‘short stay’ bewoning op de adressen [a-straat 1-10] (oneven).

2.1.3.

De door belanghebbende met de bedrijven gesloten huurovereenkomsten hebben een looptijd van enkele jaren. Blijkens deze huurovereenkomsten verricht belanghebbende een aantal bijkomende diensten, waaronder het in- en uitchecken van expats, het beheer van sleutels, het aannemen en verwerken van reserveringen, de schoonmaak van de appartementen en van de gemeenschappelijke ruimten en het onderhoud van de appartementen. De expats ontvangen maandelijks van belanghebbende een factuur voor dienstverlening die niet in de huurovereenkomsten is opgenomen, zoals telefonie, stomerij en wasserij.

2.1.4.

De Verordening Toeristenbelasting 1999 van de Gemeente (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Art. 2

Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente tegen vergoeding, in welke vorm dan ook, in hotels, pensions, appartementen, vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten, op vaste standplaatsen, alsmede hiermee op één lijn te stellen ruimten en watervlakten, door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn ingeschreven, wordt onder de naam toeristenbelasting een directe belasting geheven.

Art. 3

1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in art. 2.

2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene terzake van wiens verblijf de belasting wordt verschuldigd.

(…)

Art. 4.

1. De belasting wordt berekend over de vergoeding die terzake van het verblijf met overnachten in rekening wordt gebracht, de toeristenbelasting niet daaronder begrepen.”

2.1.5.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onderhavige jaren voorlopige aanslagen in de toeristenbelasting opgelegd.

2.2.

Voor zover in cassatie van belang was voor het Hof in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 3, lid 1, van de Verordening.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat dit het geval is. Daartoe overwoog het Hof dat de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende in de sfeer van het hotel- en pensionbedrijf liggen aangezien de verhuur door belanghebbende meer omvat dan het ‘kale’ ter beschikking stellen van woonruimte maar tevens een pakket aan diensten wordt overeengekomen op grond waarvan diensten rechtstreeks aan, althans ten behoeve van de expats worden verleend. Onder deze omstandigheden is, aldus het Hof, belanghebbende naar gangbaar spraakgebruik aan te merken als degene die gelegenheid biedt tot verblijf tegen vergoeding als bedoeld in de Verordening. Hieraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat belanghebbende de vergoeding voor haar diensten ontvangt van de bedrijven en niet van de expats.

2.2.2.

Tegen deze oordelen richten zich de middelen met rechts- en motiveringsklachten. Het eerste middel betoogt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, belanghebbende de appartementen ter beschikking stelt aan de bedrijven met wie zij een overeenkomst heeft gesloten. Uitsluitend de bedrijven bepalen wie de woonruimte mag gebruiken en de bedrijven betalen belanghebbende, zodat niet kan worden gezegd dat belanghebbende degene is die gelegenheid biedt tot verblijf. Het Hof miskent, aldus het middel, dat de bijkomende dienstverlening niet meer of minder rechtstreeks aan of ten behoeve van de expats wordt verleend dan het ter beschikking stellen van de woonruimte zelf.

Indien het Hof niettemin van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, zo betoogt het tweede middel, is het oordeel van het Hof dat belanghebbende de woonruimte aan de expats ter beschikking stelt zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

2.3.1.

De middelen, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, falen.

2.3.2.

Op basis van artikel 224, lid 1, van de Gemeentewet wordt, ingevolge artikel 2 van de Verordening, het belastbare feit voor de toeristenbelasting gevormd door het tegen vergoeding houden van verblijf binnen de Gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de Gemeente zijn ingeschreven. Dit brengt mee dat in geval van ‘short stay’ door expats het belastbare feit zich voordoet, tenzij die expats zich zouden inschrijven als ingezetenen. Daarvan is echter kennelijk geen sprake. Daarbij verdient opmerking dat de Gemeentewet noch de Verordening voor het zich voordoen van het belastbare feit eist dat de vergoeding voor het houden van verblijf wordt betaald door degene die het (belastbare) verblijf houdt.

2.3.3.

Belastingplichtige is ingevolge artikel 3, lid 1, van de Verordening degene die gelegenheid biedt tot het in artikel 2 van de Verordening bedoelde verblijf.

Onder de omstandigheden als hiervoor vermeld in de onderdelen 2.1.1 en 2.1.3 kan een exploitant als belanghebbende worden aangemerkt als degene die de expats gelegenheid biedt tot het houden van verblijf in de Gemeente. ’s Hofs hiervoor onder 2.2.1 weergegeven oordeel dat belanghebbende als belastingplichtige moet worden aangemerkt, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.