Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1198

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
14/03453
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:489, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:5408, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Na uithuisplaatsing en plaatsing in een gezinshuis van zijn dochters heeft verdachte op een website allerlei uitlatingen gedaan over dit gezinshuis en zijn medewerkers. 1. Klachtvereiste smaad, art. 269 Sr. 2. en 3. Smaad, “bepaalde feiten” a.b.i. art. 261.1 Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BP1278 en ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278 m.b.t. klachtvereiste ex art. 269 Sr en art. 164 Sv. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht a.b.i. art. 164.1 Sv zonder gevolgen kan blijven op de enkele grond dat uit de nagenoeg samenvallende belangen van A en gezinshuis B kan worden afgeleid dat zowel A als gezinshuis B t.t.v. het doen van aangifte onmiskenbaar de bedoeling hadden dat strafvervolging tegen verdachte zou worden ingesteld, niet toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI1171 m.b.t. tll. van een “bepaald feit” a.b.i. art. 261 Sr. De in de bewezenverklaring voorkomende feitelijke omschrijvingen van de "bepaalde feiten" waarvan verdachte C en D op zijn website heeft beschuldigd, houden in dat "kampfbewaarster" C tijdens een bezoekuur een kind heeft verboden naar de wc te gaan, waarbij verdachte zich afvraagt of we echt naar de praktijken van Nazi Duitsland gaan, en dat D "Nazi praktijken" erop na lijkt te houden door de ouders op alle mogelijke en ziekelijke manieren dwars te zitten om de kinderen terug te krijgen. Gelet op de vooropstelling is ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus de eer en de goede naam van C en D heeft aangerand door tll. van "een of meer bepaalde feiten", niet begrijpelijk.

Ad 3. De in de bewezenverklaring voorkomende feitelijke omschrijvingen van de "bepaalde feiten" waarvan verdachte A en gezinshuis B op zijn website heeft beschuldigd, houden in dat wordt geprobeerd moslims te bekeren tot het christelijk geloof, bij deze christelijke gemeenschap drugs, alcohol en veel seks worden gebruikt, en een donker gekleurd iemand, die daar leiding heeft, seks schijnt te hebben met de uithuisgeplaatsen aldaar, terwijl de familie die deze stichting 'runt' van de meeste praktijken op de hoogte is en daaraan bijdraagt, het gezinshuis kinderen opstookt tegen hun vader en moeder en een dochter onder druk van het gezinshuis aangifte heeft gedaan tegen haar vader wegens bedreiging. Gelet op de vooropstelling is ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus de eer en de goede naam van A en gezinshuis B heeft aangerand door tll. van "een of meer bepaalde feiten", niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 64
Wetboek van Strafrecht 261
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 269
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 163
Wetboek van Strafvordering 164
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0254
RvdW 2016/726
NJB 2016/1289
NJ 2016/346 met annotatie van N. Keijzer
NBSTRAF 2016/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2016

Strafkamer

nr. S 14/03453

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 juli 2014, nummer 21/004756-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 met betrekking tot de aanranding van de eer en goede naam van het gezinshuis [A] , de bewezenverklaring van feit 2 en de strafoplegging betreft, tot terug- of verwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde voor zover dat de smaad ten aanzien van het gezinshuis [A] betreft.

2.2.

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"hij in de periode van 21 mei 2012 tot en met 21 november 2012 te Emmeloord, in de gemeente Noordoostpolder, in ieder geval in Nederland opzettelijk de eer en/of de goede naam van [betrokkene 1] en/of gezinshuis [A] heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel op zijn/een internetsite (www. [...] .com en/of hyves) (onder andere) de volgende teksten geplaatst/laten plaatsen:

- "Hoe is het mogelijk dat onze kinderen met een ander geloof door Buro Jeugdzorg/Leger des Heils uit huis worden geplaatst en dan weer in huis worden geplaatst bij een "christelijke geloofsgemeenschap" wat zich [A] noemt hier in [plaats] ? Ook moslims worden hier geplaatst en geprobeerd hen te bekeren naar het christelijke geloof.

Deze www. [A] .com die bekend staat waar drugs en alcohol en sex veel gebruikt wordt? Ook schijnt een donker gekleurd iemand die daar enige "leiding" uitoefent sex te hebben met de uithuisgeplaatsten aldaar. De familie die deze onverantwoordelijke "stichting" runt zou van de meeste praktijken op de hoogte zijn en hun steentje daaraan bijdragen? Eert uw vader en uw moeder zegt het christendom en deze zogenaamde christenen van gezinshuis " [A] " stoken de kinderen juist op, tegen hun vader en moeder en zelfs onder druk van deze mensen heeft een van de dochters vader aangegeven voor bedreiging" en/of

- "De rechter die dit behandeld en verboden heeft moet wel stekeblind zijn en knettergek zijn als zij dit onmenselijke gebeuren niet doorheeft wat Buro Jeugdzorg en het Leger des Heils hier spelen"."

2.3.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Onder 2. is aan verdachte ten laste gelegd smaad gepleegd ten aanzien van [betrokkene 1] en gezinshuis [A] .

Door de raadsvrouw is aangevoerd, dat [betrokkene 1] mede namens gezinshuis [A] aangifte heeft gedaan en dat niet is gebleken dat hij daartoe gemachtigd was. Nu op grond van artikel 269 Sr geen vervolging kan plaatsvinden dan op klacht van diegene tegen wie het misdrijf is gepleegd, dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van feit 2 voor zover dit ziet op gezinshuis [A] , aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt ten aanzien van de feiten het volgende vast.

In het dossier bevindt zich een aangifte van [betrokkene 1] . Hij doet op 21 mei 2012 aangifte tegen verdachte ter zake van het onder 2. ten laste gelegde namens zichzelf en gezinshuis [A] , waar hij als pedagogisch medewerker werkzaam is. Daarnaast bevindt zich een proces-verbaal bij de stukken waaruit blijkt dat [betrokkene 1] op 21 mei 2012 klacht doet namens zichzelf en voornoemd gezinshuis van smaadschrift en uitdrukkelijk verzoekt om tot vervolging over te gaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

(...)

Het feit zoals ten laste gelegd onder 2. wordt niet vervolgd dan op klacht van hem jegens wie het misdrijf is gepleegd. Een dergelijke klacht dient te worden gedaan door degene jegens wie het misdrijf is begaan of namens hem door een ander die daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht is voorzien (artikel 164 Sv). Uit het dossier blijkt niet van een dergelijke schriftelijke volmacht van het gezinshuis aan [betrokkene 1] . Er is derhalve sprake van niet-naleving van dit vormvoorschrift. Het is vervolgens aan de rechter om aan de hand van de feitelijke omstandigheden te bepalen of de klachtgerechtigde op de juiste wijze een klacht heeft willen indienen. In dat geval kan de niet-naleving van voornoemd voorschrift zonder gevolgen blijven.

Het hof overweegt, dat uit de inhoud van voornoemde aangifte door [betrokkene 1] , het klachtschrift en de in dit geval nagenoeg samenvallende belangen van [betrokkene 1] en het gezinshuis genoegzaam volgt dat zowel [betrokkene 1] als gezinshuis [A] ten tijde van het doen van de aangifte onmiskenbaar de bedoeling hadden dat er vervolging tegen de verdachte ter zake van smaad(schrift) zou worden ingesteld. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat ook het gezinshuis op de juiste wijze een klacht heeft willen indienen ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde. Het niet naleven van voornoemd voorschrift kan in dit geval dan ook zonder gevolg blijven. Het verweer wordt verworpen."

2.4.

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Art. 269 Sr:

"Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, behalve in de gevallen voorzien in artikel 267, aanhef en onder 1° en 2°."

- Art. 164 Sv:

"1. Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.

2. Artikel 163, tweede lid, derde lid - met uitzondering van de tweede en derde volzin - en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing."

- Art. 163, tweede, derde en vijfde lid, Sv:

"2. De mondelinge aangifte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt, in geschrifte gesteld en na voorlezing door hem met den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.

3. De schriftelijke aangifte wordt door den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Met een ondertekende aangifte wordt gelijkgesteld de aangifte die langs elektronische weg is gedaan, mits deze voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen worden aangebracht in de gevallen waarin aangifte langs elektronische weg kan worden gedaan.

5. De schriftelijke volmacht, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht."

2.5.

Ingevolge het bepaalde in art. 269 Sr wordt belediging niet vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Dit klachtvereiste strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. Met die gedachte strookt ook dat art. 164 Sv ertoe strekt te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen (vgl. HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1278, NJ 2011/204 ten aanzien van art. 285b, tweede lid, Sr). Het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164, eerste lid, Sv kan ook worden aangenomen, indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (vgl. HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278). Het enkele feit dat namens de klager aangifte is gedaan, is evenwel ontoereikend om die bedoeling aan te nemen.

2.6.

Het oordeel van het Hof dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 164, eerste lid, Sv zonder gevolgen kan blijven op de enkele grond dat uit de nagenoeg samenvallende belangen van [betrokkene 1] en gezinshuis [A] kan worden afgeleid dat zowel [betrokkene 1] als gezinshuis [A] ten tijde van het doen van aangifte onmiskenbaar de bedoeling hadden dat strafvervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld, is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is vooropgesteld, niet toereikend gemotiveerd.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1, eerste gedachtestreepje, onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen dat sprake is van tenlastelegging van "bepaalde feiten" in de zin van art. 261 Sr.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 21 september 2012 tot en met 21 november 2012 te Emmeloord, in de gemeente Noordoostpolder, in ieder geval in Nederland opzettelijk de eer en de goede naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel op zijn/een internetsite (www. [...] .com) (onder andere) de volgende teksten laten plaatsen:

- "Na het nieuws dat de oudste zoon van de familie [betrokkene 5] ook niet meer zijn broertjes en zusjes mag zien tijdens het maandelijkse bezoek van een uurtje van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] aan papa en mama wordt de jongste ook nog verboden tijdens dat uurtje naar de wc te gaan door kampfbewaarster [betrokkene 2] . Gaan we echt naar praktijken van Nazi Duitsland? Ook [betrokkene 3] lijkt er Nazi praktijken erop na te houden om de ouders op alle mogelijke en ziekelijke manieren dwars te zitten om de kinderen terug te krijgen" en/of

- "De oudste zoon [betrokkene 5] is door [betrokkene 3] letterlijk en figuurlijk aangevallen met een zeer dreigende houding en slaande beweging. Dit schijnt allemaal te mogen Jeugdbeschermers die te kust en te keur dreigen en misbruik maken van hun positie en mensen intimideren. Tevens heeft deze [betrokkene 3] de andere zoon [betrokkene 8] gedreigd en bang gemaakt dat de politie hem zal ophalen als hij geen handtekening zet op een nieuw psychiatrisch onderzoek. Deze [betrokkene 3] heeft een rare manier van mensen te overtuigen lijkt het en tegen het misdadige aan"."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover in cassatie van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 9 oktober 2012, als bijlage op pagina 13 en verder van het proces-verbaal, genummerd PL2524 2012035478, zakelijk weergegeven inhoudende:

als aangifte van [betrokkene 2]

Ik doe namens mijzelf en namens twee collega's van mij, genaamd [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , klachte van smaad door de vader van een aantal kinderen dat bij ons onder toezicht staat. Wij, mijn collega's en ik, zijn allen werkzaam bij het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering op de locatie in Leeuwarden. Wij zijn belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen van [verdachte] . Wij hebben deze zaak in 2011 van onze voorgangers overgenomen. Sindsdien zijn wij verantwoordelijk voor de voortgang van de zaak. Voordat wij op deze zaak gezet werden had [verdachte] al een website opgericht. Deze website heet www. [...] .com. Dit is een openbare site. Sinds de tijd dat wij met deze zaak bezig zijn is [verdachte] begonnen om ons persoonlijk te benoemen op zijn website. In eerste instantie werden de initialen van [betrokkene 3] genoemd. Er werd geschreven dat [betrokkene 3] een van de zoons van [verdachte] zou hebben aangevallen.

Op 21 september 2012 keek ik op voornoemde website. Ik zag dat mijn collega [betrokkene 3] en ik met onze volledige naam op de website genoemd stonden. Op de website werden wij afgeschilderd als NSB'ers uit de tweede wereldoorlog en vergeleken met nazi's en kampbewakers. Toen ik dit zag heb ik gelijk contact gelegd met mijn leidinggevende [betrokkene 4] . Nadat [betrokkene 4] de site had bekeken heeft hij gelijk een brief naar [verdachte] geschreven. Hierin heeft hij hem gesommeerd de namen en de bijgaande teksten te verwijderen. [betrokkene 4] heeft gelijk een uitdraai van de website gemaakt. Deze is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Een paar dagen na de brief keek [betrokkene 3] weer op de website. Hij zag dat niet alleen hij en ik maar ook [betrokkene 4] werd beschuldigd van vooroorlogse praktijken. [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en ik voelen ons in onze goede naam en eer aangerand door hetgeen [verdachte] over ons geschreven heeft.

Op 4 oktober 2012 heeft onze jurist een brief geschreven aan de advocaat van [verdachte] . Hierin werd gesommeerd dat de namen en bijgaande tekst van de website werden verwijderd. Na deze brief is de website aangepast en staan niet meer onze volledige namen maar alleen nog onze initialen op de website. De beschuldigingen en verwijzingen naar nazipraktijken staan er nog wel op. Hiervan is ook een uitdraai bij de aangifte gevoegd.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten uitdraaien van de website www. [...] .com (als bijlage gevoegd bij bewijsmiddel 1, pagina 18 en verder van het onder 1. genoemde proces-verbaal) voor zover inhoudende:

(...)

5. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 17 april 2013 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik hetgeen dat op de tenlastelegging staat op mijn website heb gezet. Ik heb de teksten aan iemand voorgelezen en diegene opdracht gegeven het op mijn website te zetten. Ik heb die tekst over gezinshuis [A] ook op mijn website gezet. Ik begrijp dat dit beledigend en beangstigend kan zijn. Ik woon in [plaats] .
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 3 januari 2012, als bijlage op pagina 8 en verder van het onder 1. genoemde proces-verbaal, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van verdachte:

Vraag verbalisant: Waarom heeft u een website gemaakt met de namen van de medewerkers van het Leger des Heils erin?

Verdachte: Ik beken dat ik weet dat ik dat niet had moeten doen."

3.2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof ten aanzien van het eerste gedachtestreepje aangevoerd dat de ten laste gelegde beschuldigingen van verdachte in de richting van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] geen concrete strafbare gedragingen inhouden en/of dat door het woord "lijkt" niet een beschuldiging wordt neergelegd maar dat slechts wordt aangegeven dat hier discussie over kan zijn, en daarom niet valt onder het bereik van artikel 261 sr. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje heeft de raadsvrouw overwogen dat vanwege het feit dat slechts de initialen van [betrokkene 3] zijn gebruikt, onvoldoende kenbaar is voor het publiek dat dit zag op [betrokkene 3] . Verdachte dient derhalve van feit 1 worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt, dat in artikel 261 Sr is ten laste gelegd de aanranding van iemands eer of goede naam door middel van telastlegging van een bepaald feit. Het moet gaan om een op zodanige wijze tenlastegelegd feit, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging tegen één of meer aanwijsbare personen betreft. Met 'feit' wordt gedoeld op een feit dat geschikt is om iemands integriteit aan te tasten. In het algemeen heeft het iemand anders beschuldigen van min of meer concreet omschreven misdrijven óf zodanig omschreven feiten die met de positieve moraal strijden, een smadelijk karakter. De eis die de raadsvrouw stelt dat sprake moet zijn van een concrete strafbare gedraging vindt geen steun in het recht.

Eerste gedachtestreepje

De beschuldiging van verdachte in de richting van [betrokkene 2] zoals ten laste gelegd voldoet in zijn geheel beschouwd aan de vereisten die worden gesteld aan smaad nu [betrokkene 2] wordt beschuldigd van feiten die met een positieve moraal strijden. Dit geldt ook voor de beschuldiging in de richting van [betrokkene 3] . Het gebruik van het woord 'lijkt' maakt dit niet anders."

3.3.

Art. 261, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

3.4.

Vooropgesteld moet worden dat sprake is van tenlastelegging van een "bepaald feit" als bedoeld in art. 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst.

Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541.) Opmerking verdient nog dat dit vereiste niet geldt bij de - van een lichter strafmaximum - voorziene strafbaarstelling van belediging in art. 266, eerste lid, Sr.

3.5.

De in de bewezenverklaring voorkomende feitelijke omschrijvingen van de "bepaalde feiten" waarvan de verdachte [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op zijn website heeft beschuldigd, houden onder meer in - kort gezegd - dat "kampfbewaarster" [betrokkene 2] tijdens een bezoekuur een kind heeft verboden naar de wc te gaan, waarbij de verdachte zich afvraagt of we echt naar de praktijken van Nazi Duitsland gaan, en dat [betrokkene 3] "Nazi praktijken" erop na lijkt te houden door de ouders op alle mogelijke en ziekelijke manieren dwars te zitten om de kinderen terug te krijgen. Het oordeel van het Hof dat de verdachte aldus de eer en de goede naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft aangerand door tenlastelegging van "een of meer bepaalde feiten", zoals is bewezenverklaard, is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld, niet begrijpelijk.

3.6.

Het middel slaagt.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 2 onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen dat sprake is van tenlastelegging van "bepaalde feiten" in de zin van art. 261 Sr.

4.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 21 mei 2012 tot en met 21 november 2012 te Emmeloord, in de gemeente Noordoostpolder, in ieder geval in Nederland opzettelijk de eer en de goede naam van [betrokkene 1] en gezinshuis [A] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel op zijn/een internetsite (www. [...] .com) (onder andere) de volgende teksten laten plaatsen:

- "Hoe is het mogelijk dat onze kinderen met een ander geloof door Buro Jeugdzorg/Leger des Heils uit huis worden geplaatst en dan weer in huis worden geplaatst bij een "christelijke geloofsgemeenschap" wat zich [A] noemt hier in [plaats] ? Ook moslims worden hier geplaatst en geprobeerd hen te bekeren naar het christelijke geloof.

Deze www. [A] .com die bekend staat waar drugs en alcohol en sex veel gebruikt wordt? Ook schijnt een donker gekleurd iemand die daar enige "leiding" uitoefent sex te hebben met de uithuisgeplaatsten aldaar. De familie die deze onverantwoordelijke "stichting" runt zou van de meeste praktijken op de hoogte zijn en hun steentje daaraan bijdragen? Eert uw vader en uw moeder zegt het christendom en deze zogenaamde christenen van gezinshuis " [A] " stoken de kinderen juist op tegen hun vader en moeder en zelfs onder druk van deze mensen heeft een van de dochters vader aangegeven voor bedreiging."

4.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover in cassatie van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 mei 2012, als bijlage op pagina 51 en verder van het proces-verbaal, genummerd PL2524 2012035478, als verhoor op 21 mei 2012 zakelijk weergegeven inhoudende:

als aangifte van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van smaad en smaadschrift namens mijzelf en gezinshuis [A] te [plaats] . Ik ben medewerker van dit gezinshuis. Onder mijn verantwoordelijkheid vallen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] . Hun vader, [verdachte] , doet er alles aan om de meisjes voor zich terug te winnen. Hij heeft een eigen website, www. [...] .com, waarop hij uitingen doet, die grievend en pertinent onjuist zijn. Op zijn website valt op dit moment (het hof begrijpt op 21 mei 2012) te lezen: "Hoe is het mogelijk dat onze kinderen met een ander geloof door Buro Jeugdzorg /Leger des Heils uit huis worden geplaatst en dan weer in huis worden geplaatst bij een "christelijke geloofsgemeenschap" wat zich [A] noemt hier in [plaats] ? Ook moslims worden hier geplaatst en geprobeerd hen te bekeren naar het christelijke geloof. Deze www. [A] .com die bekend staat waar drugs, alcohol en sex veel gebruikt wordt? Ook schijnt een donker gekleurd iemand die daar enige "leiding" uitoefent sex te hebben met de uithuisgeplaatsten aldaar. De familie die deze onverantwoordelijke "stichting" runt zou van de meeste praktijken op de hoogte zijn en hun steentje hieraan bijdragen? Eert uw vader en uw moeder zegt het christendom en deze zogenaamde christenen van gezinshuis " [A] " stoken de kinderen juist op tegen hun vader en moeder en zelfs onder druk van deze mensen heeft een van de dochters vader aangegeven voor bedreiging".

Ik laat bij de politie een uitdraai achter van hetgeen nu op de website www. [...] .com geplaatst is.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uitdraai van de website www. [...] .com (als bijlage gevoegd bij bewijsmiddel 3, pagina 56 van het onder 1. genoemde proces-verbaal) voor zover inhoudende:

(...)

5. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 17 april 2013 van de politierechter in de rechtbank

Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik hetgeen dat op de tenlastelegging staat op mijn website heb gezet. Ik heb de teksten aan iemand voorgelezen en diegene opdracht gegeven het op mijn website te zetten. Ik heb die tekst over gezinshuis [A] ook op mijn website gezet. Ik begrijp dat dit beledigend en beangstigend kan zijn. Ik woon in [plaats] .

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 3 januari 2012, als bijlage op pagina 8 en verder van het onder 1. genoemde proces-verbaal, zakelijk weergegeven inhoudende:

Als verklaring van verdachte:

Vraag verbalisant: Waarom heeft u een website gemaakt met de namen van de medewerkers van het Leger des Heils erin?

Verdachte: Ik beken dat ik weet dat ik dat niet had moeten doen."

4.2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Door de raadsvrouw is ten aanzien van het eerste gedachtestreepje aangevoerd, dat geen sprake is van smaad, aangezien [betrokkene 1] niet met naam wordt genoemd. Bovendien heeft [betrokkene 1] in zijn aangifte genoemd, dat hij niet de enige donker gekleurde medewerker is bij gezinshuis [A] . Weliswaar geeft [betrokkene 1] daarbij ook aan dat hij de enige donker gekleurde medewerker van het gezinshuis is die verdachte ooit ontmoet heeft, maar voor derden is niet kenbaar dat verdachte [betrokkene 1] heeft bedoeld. Hierdoor kan niet worden gesteld dat de eer of goede naam van [betrokkene 1] is aangerand, aldus de raadsvrouw. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje heeft de raadsvrouw gesteld, dat verdachte de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] en [A] niet heeft aangerand omdat beiden niet worden genoemd.

Eerste gedachtestreepje

Gelet op de mate van concretisering van de gedraging, het benoemen van het beroep en de huidskleur van de beschuldigde acht het hof ook ten aanzien van deze uitingen van verdachte dat sprake is van een op zodanige wijze tenlastegelegd feit, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging tegen een aanwijsbaar persoon - [betrokkene 1] - betreft. Dat [betrokkene 1] niet de enige donker gekleurde medewerker zou zijn van het gezinshuis doet hieraan niet af."

4.3.

De in de bewezenverklaring voorkomende feitelijke omschrijvingen van de "bepaalde feiten" waarvan de verdachte [betrokkene 1] en gezinshuis [A] op zijn website heeft beschuldigd, houden onder meer in - kort gezegd - dat wordt geprobeerd moslims te bekeren tot het christelijk geloof, bij deze christelijke gemeenschap drugs, alcohol en veel seks wordt gebruikt, en een donker gekleurd iemand, die daar leiding heeft, seks schijnt te hebben met de uithuisgeplaatsen aldaar, terwijl de familie die deze stichting 'runt' van de meeste praktijken op de hoogte is en daaraan bijdraagt, het gezinshuis kinderen opstookt tegen hun vader en moeder en een dochter onder druk van het gezinshuis aangifte heeft gedaan tegen haar vader wegens bedreiging. Het oordeel van het Hof dat de verdachte aldus de eer en de goede naam van [betrokkene 1] en gezinshuis [A] heeft aangerand door tenlastelegging van "een of meer bepaalde feiten", zoals is bewezenverklaard, is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld, niet begrijpelijk.

4.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma, A.L.J. van Strien en M.J. Borgers in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016.