Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1177

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/01083
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:479, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Niet beslist op (voorwaardelijk gedaan) getuigenverzoek a.b.i. art. 315 jo. 328 Sv. Nietigheid. CAG: anders. Samenhang met 15/01205.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/738
NJB 2016/1294
SR-Updates.nl 2016-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/01083

AJ/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2015, nummer 22/003645-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 29 mei 2014 te Lisse tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan [a-straat 1] heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door inklimming."

2.2.

Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

"Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 29 mei 2014 heeft er omstreeks 13:10 uur een diefstal plaatsgevonden uit een woonwagen aan [a-straat 1] in Lisse. Blijkens de aangifte in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen op pagina 11 van het dossier is er bij de diefstal uit een schoenendoos in de slaapkamer een geldbedrag weggenomen van € 3.100,00, bestaande uit drie biljetten van 500 euro en 32 biljetten van 50 euro. De zoon van de aangever bevond zich op het moment van de diefstal in de woonwagen, is naar buiten gelopen en zag een man met een getinte huidskleur uit het slaapkamerraam komen. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 13:15 uur twee mannen met een licht getint uiterlijk, vermoedelijk Marokkaans, achter elkaar heeft zien rennen en dat deze uit het zicht verdwenen achter een geparkeerd staande witkleurige Volkswagen Transporter. Direct hierna reed een zwartkleurige Seat Ibiza voorzien van kenteken [AA-00-BB] vanuit het parkeervak achter de bestelbus weg. De getuige zag dat er drie personen in het voertuig zaten.

Omstreeks 14:49 uur zagen opsporingsambtenaren te Haarlem een zwarte Seat Ibiza rijden met het kenteken [AA-00-BB] . In het voertuig bevonden zich drie inzittenden. Nadat de opsporingsambtenaren een stopteken hadden gegeven bracht de bestuurder de auto tot stilstand. De drie personen onder wie de verdachte werden aangehouden. Bij de fouillering van de verdachten bleek dat ieder van hen één 500-eurobiljet met het stempel "HASS" en een aantal 50-eurobiljetten in zijn bezit had: de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] ieder 10 en de medeverdachte [medeverdachte 1] 12. Totaal zijn derhalve bij de drie verdachten drie biljetten van 500 euro en 32 biljetten van 50 euro aangetroffen, tot een totaalbedrag van € 3.100,00.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 11 van het dossier, dat de aangever in een kluis op zijn werk een 500-eurobiljet bewaarde met daarop het Stempel "HASS". De aangever heeft verklaard dat hij dit 500-eurobiljet tegelijk heeft ontvangen met de drie 500-eurobiljetten die hij in de schoenendoos in zijn slaapkamer bewaarde.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft erkend dat hij op 29 mei 2014 op het woonwagenkamp in Lisse aanwezig was. Volgens [medeverdachte 1] was hij daar samen met een andere jongen om een te koop staande boot te bezichtigen. Deze verklaring wordt als bewijsmiddel voor het tenlastegelegde ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] inhoudende dat er ongeveer tien minuten vóór de diefstal twee onbekende mannen interesse toonden in een boot van [getuige 3] .

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het bij de verdachten aangetroffen geld afkomstig is van de diefstal uit de woning aan [a-straat 1] te Lisse. Het hof neemt hierbij in het bijzonder in overweging dat zowel op de bij de verdachten aangetroffen 500-eurobiljetten als op het 500-eurobiljet in de kluis van de aangever het stempel "HASS" staat alsmede dat de bij de verdachten aangetroffen coupures van 500 euro en 50 euro precies overeenkomen met die van de uit de woning weggenomen biljetten.

Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het ten laste gelegde heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de drie verdachten elkaar kenden, dat zij zich kennelijk gedrieën naar het woonwagenkamp te Lisse hebben begeven, dat twee van hen zich kennelijk op het kamp hebben begeven, dat één van hen de woonwagen van de aangever is binnengeklommen en vervolgens kennelijk met zijn metgezel naar de zwarte Seat Ibiza op de parkeerplaats bij het kamp is gerend en dat deze auto vervolgens met drie inzittenden is vertrokken en later met drie inzittenden door de politie is aangetroffen, nadat de buit van de inbraak kennelijk in vrijwel gelijke delen onder de verdachten was verdeeld."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige.

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - in:

"Edelgrootachtbaar college, ik verzoek u een blik op het uiterlijk van mijn cliënt te werpen. Het is namelijk een feit dat cliënt een blanke huidskleur heeft. Zijn voorkomen doet naar de mening van de verdediging geenszins een Marokkaanse afkomst vermoeden.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt bovendien dat twee personen met een licht getint uiterlijk vanuit het woonwagenkamp in de richting van een auto rennen. Op het moment dat de auto wegrijdt ziet deze getuige dat zich niet twee maar drie personen in deze auto bevinden. Van deze derde persoon kan deze getuige echter geen signalement opgeven. Hij kan ook niet verduidelijken op welke plek deze derde persoon in de auto zat. Hij zag enkel dat twee personen voorin de auto zaten, en slechts één persoon achterin.

In het proces-verbaal bevinden zich diverse getuigenverklaringen. Echter, in geen van deze getuigenverklaringen komt cliënt naar voren, noch wordt gerelateerd over een persoon die in uiterlijke verschijningsvorm op cliënt lijkt.

Het openbaar ministerie is de mening toegedaan dat cliënt aan de plaats delict kan worden gekoppeld vanwege het feit dat hij zich ten tijde van de aanhouding, tezamen met twee getinte personen, in de auto bevond die door getuige [getuige 1] bij het woonwagenkamp werd gesignaleerd.

Edelgrootachtbaar college, het enkele feit dat cliënt ten tijde van zijn aanhouding in de gesignaleerde auto samen met twee getinte personen werd aangetroffen, is onvoldoende om cliënt te koppelen aan de plaats delict.

Uit het dossier blijkt bovendien niet dat cliënt de derde persoon in de auto betreft die door [getuige 1] is gezien. Er is zelfs bewijs dat cliënt als deze derde persoon uitsluit.

Getuige [getuige 1] merkt de derde persoon pas op wanneer de auto wegrijdt. Waar deze derde persoon zich in de auto bevindt kan hij niet verduidelijken, noch kan hij van deze derde persoon een signalement opgeven.

In het proces-verbaal van aangifte relateert aangever bovendien dat hij heeft gehoord 'van een man uit de buurt' dat deze een auto met drie inzittenden heeft zien aankomen. Ik citeer (pagina 9):

'Ik begreep van deze man dat er een auto met drie mannen aan kwam en dat er twee mannen uitstapten. Ik begreep dat er een Marokkaans uitziende man achter het stuur bleef zitten wachten. Dit vond de man verdacht en had het kenteken opgeschreven van de auto'.

Edelgrootachtbaar college, de verdediging vraagt zich oprecht af wie deze getuige is. Bedoelt aangever hiermee getuige [getuige 1] ? Hij noteert immers het kenteken, doch hij verklaart enkel een auto met drie personen te zien vertrekken. Blijkens de aangifte is er aldus nog een andere getuige die niet door de politie is gehoord, doch die eveneens een kenteken heeft genoteerd en die een auto heeft zien komen aanrijden. Deze getuige kan bovendien een signalement geven van de derde persoon in de auto, nu hij volgens aangever heeft verklaard dat een derde Marokkaans uitziende man in de auto bleef zitten.

Nogmaals wenst de verdediging te benadrukken dat cliënt noch een getinte huidskleur heeft, noch kan worden aangemerkt als een Marokkaans ogende man.

Er is dus van alle drie de personen die op of nabij de plaats delict waren een signalement. In alle gevallen betreft dit getinte personen met een Marokkaans uiterlijk. Ik verzoek uw edelgrootachtbaar college met mij vast te stellen dat cliënt niet voldoet aan enig signalement van die personen die op of nabij de plaats delict zijn geweest.

Gelet op deze verklaring is de verdediging dan ook van mening dat niet kan worden vastgesteld dat cliënt bij het woonwagenkamp de derde persoon in de auto was.

(...)

Conclusie

Primair is de verdediging, al het voorgaande overziende, van mening dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging verzoekt uw edelgrootachtbaar college dan ook om cliënt van het hem tenlastegelegde vrij te spreken.

Voor zover uw edelgrootachtbaar college echter zou willen aannemen dat cliënt weldegelijk bij de inbraak aanwezig was, verzoekt de verdediging u subsidiair het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de getuige, genoemd door aangever op pagina 8 van de doornummering van het procesdossier, met toepassing van artikel 177 van het Wetboek van Strafvordering te doen opsporen en te (doen) horen. Immers, deze getuige neemt volgens aangever waar dat er een auto komt aanrijden en ziet dat een derde getinte persoon in de auto achterblijft. Deze getuige is gedurende het onderzoek niet door de politie gehoord. Het door deze getuige de auditu opgegeven signalement sluit de betrokkenheid van cliënt bij het strafbare feit uit. In dat geval is het aldus noodzakelijk deze getuige alsnog te horen."

3.3.

Het onder 3.2 weergegeven verzoek is een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Dat geldt ook voor zover het verzoek voorwaardelijk is gedaan, nu de daaraan gestelde voorwaarde - inhoudende dat het Hof zou aannemen dat de verdachte bij de inbraak en dus op of nabij de plaats van het delict aanwezig was - is vervuld. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016.