Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1175

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/02622
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:477, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Opgelegde betalingsverplichting aan het Land Aruba t.b.v. de b.p. en verandering in de regels van sanctierecht, art. 1:78 SrA en art. 1:1.2 SrA. De invoering van art. 1:78 SrA houdt een wijziging van wetgeving in t.a.v. de toepasselijke regels van het Arubaanse sanctierecht. In zo een geval dient de rechter o.g.v. art. 1:1.2 SrA bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor verdachte gunstigste bepalingen toe te passen. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat ex art. 1:78.6 SrA de bepalingen van vervangende hechtenis en vervangende jeugddetentie van toepassing zijn, heeft het Hof miskend dat de voor verdachte minder gunstige bepalingen van art. 1:78 SrA buiten toepassing dienen te blijven. HR doet de zaak zelf af en vernietigt de aan verdachte opgelegde betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/741
SR-Updates.nl 2016-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/02622 A

ABO/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 16 maart 2015, nummer H 6/15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.G. Kock, advocaat te Oranjestad, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft G. de Hoogd, advocaat te Oranjestad, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot oplegging aan de verdachte van de verplichting tot betaling aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van AWG 1.400,-, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte aan de verdachte de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan het Land Aruba van een som geld ten behoeve van de benadeelde partij, als bedoeld in art. 1:78 Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA).

2.2.

Het Hof, dat heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich op 29 november 2013 heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling, heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf en tot betaling van een bedrag van Afl. 1.400,- aan de benadeelde partij [betrokkene] . Voorts heeft het Hof onder aanhaling van art. 1:78 SrA aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan het Land Aruba van een bedrag van Afl. 1.400,- ten behoeve van de benadeelde partij met de bepaling dat, bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast van 28 dagen.

2.3.1.

Art. 1:78 SrA is ingevoerd bij Landsverordening van 27 april 2012 (houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba, AB 2012, 24) en in werking getreden op 15 februari 2014. Dit artikel luidt:

"1. Bij een rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van het Gerecht wordt gebracht kan hem de verplichting worden opgelegd tot betaling aan het Land van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. (...)

2. De rechter kan de maatregel opleggen voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

3. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.

4. (...)

5. (...)

6. De artikelen 1:58 en 1:168, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft."

2.3.2.

De geschiedenis van de totstandkoming van art. 1:78 SrA houdt onder meer in:

"Art. 1.78 (schadevergoedingsmaatregel)

In navolging van artikel 36f NSr wordt voorgesteld om ook in Aruba de schadevergoedingsmaatregel in te voeren. Deze maatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. De schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd als de verdachte wegens het schadeveroorzakende feit wordt veroordeeld of waarbij de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van het Gerecht wordt gebracht.

(...)

Ten overvloede zij opgemerkt dat deze regeling die van de benadeelde partij uit het Wetboek van Strafvordering van Aruba (artikel 374 en volgende) onverlet laat."

(memorie van toelichting, in Wetboek van Strafrecht Aruba , 2014, blz. 372-373).

2.3.3.

Blijkens de memorie van toelichting is met art. 1:78 SrA beoogd een met art. 36f van het (Nederlandse) Wetboek van Strafrecht vergelijkbare regeling in het leven te roepen. Het ten tijde van het begaan van het feit geldende Wetboek van Strafrecht van Aruba bevatte geen regeling voor het opleggen van schadevergoedingsmaatregelen. De Landsverordening van 27 april 2012 bevat ter zake van art. 1:78 SrA niet een overgangsbepaling.

2.3.4.

Art. 1:1, tweede lid, SrA is bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Aruba niet gewijzigd. Het luidt:

"Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast."

2.4.1.

De invoering van art. 1:78 SrA houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van het Arubaanse sanctierecht (vgl. HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3437, NJ 2016/21 ten aanzien van art. 36f Sr). In zo een geval dient de rechter op grond van art. 1:1, tweede lid, SrA bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toe te passen.

2.4.2.

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat ingevolge art. 1:78, zesde lid, SrA de bepalingen van vervangende hechtenis (art. 1:58 SrA) en vervangende jeugddetentie (art. 1:168, tweede tot en met zesde lid, SrA) van toepassing zijn, heeft het Hof miskend dat de voor de verdachte minder gunstige bepalingen van art. 1:78 SrA buiten toepassing dienen te blijven (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78).

2.4.3.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de aan de verdachte opgelegde betalingsverplichting aan het Land Aruba vernietigen.

3 Beoordeling van de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur

Voor onderzoek door de cassatierechter komen wat de benadeelde partij betreft, alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437, derde lid, Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot oplegging aan de verdachte van de betalingsverplichting aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van Afl. 1.400,-, subsidiair 28 dagen hechtenis;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016.