Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:116

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2016
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
15/01892
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2019, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:2043, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 10ed Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Arbeidsovereenkomst met nieuwe werkgever gesloten meer dan drie maanden na vertrek bij vorige werkgever: geen voortzetting 30%-regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/7.19 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/223
FED 2016/41 met annotatie van Dr. J.W.J. de Kort
Belastingadvies 2016/8.6
BNB 2016/104 met annotatie van A.L. Mertens
FutD 2016-0263 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/647 met annotatie van Dr. F.M. Werger
XpertHR.nl 2016-415076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2016

nr. 15/01892

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2015, nr. 14/00586, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/7548) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 10ei, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 29 september 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is in India geboren [in] 1976 en heeft de Indiase nationaliteit. Vanaf 2009 is hij werkzaam bij [A] B.V. (hierna: [A]). In dat jaar is hij in Nederland komen wonen.

2.1.2.

Bij beschikking van 27 september 2010 heeft de Inspecteur het verzoek van belanghebbende en [A] om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling ingewilligd voor de tewerkstelling door [A] voor de periode 1 juli 2010 tot en met 31 mei 2019.

2.1.3.

Per 31 december 2012 is belanghebbende uit dienst getreden bij [A].

2.1.4.

Op 26 februari 2013 heeft belanghebbende gesolliciteerd naar een functie bij [B] B.V. (hierna: [B]). Op 23 april 2013 is een arbeidsovereenkomst tussen [B] en belanghebbende tot stand gekomen en op 2 mei 2013 heeft belanghebbende zijn werkzaamheden bij [B] aangevangen.

2.1.5.

Op 8 augustus 2013 hebben belanghebbende en [B] verzocht om (voortzetting van de) toepassing van de 30%-regeling. Dit verzoek heeft de Inspecteur bij beschikking van 11 oktober 2013 afgewezen.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling voor zijn werkzaamheden voor [B] ondanks overschrijding van de termijn van drie maanden (hierna: driemaandstermijn) tussen het einde van zijn tewerkstelling bij [A] en de totstandkoming van zijn arbeidsovereenkomst bij [B], een en ander als bedoeld in artikel 10ed, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2013).

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor voortzetting van de toepassing van de 30%-regeling. Het Hof overwoog daartoe dat de regeling geen ruimte laat om bij overschrijding van de driemaandstermijn op andere wijze aannemelijk te maken dat de belanghebbende over schaarse specifieke deskundigheid beschikt en derhalve toch in aanmerking blijft komen voor toepassing van de 30%-regeling, en evenmin ruimte laat voor een zelfgekozen periode van niet-beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Voorts overwoog het Hof dat de driemaandstermijn niet zo moet worden uitgelegd dat deze pas is overschreden wanneer meer dan drie maanden naar een functie is gezocht.

2.3.1.

Tegen deze oordelen komen de klachten op met het betoog dat de in artikel 10ed, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit opgenomen driemaandstermijn slechts een indicatie is en dat de 30%-regeling kan worden voortgezet indien anderszins van schaarse en specifieke deskundigheid van de werknemer blijkt, en subsidiair dat de driemaandstermijn eerst kan worden geacht te zijn overschreden indien langer dan drie maanden naar een nieuwe functie is gezocht.

2.3.2.

Artikel 10ed, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2013) bepaalt dat indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd van de 30%regeling een andere inhoudingsplichtige krijgt de regeling op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige gedurende de resterende looptijd van toepassing blijft, mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden.

Het bepaalde in artikel 10ed, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit is voor zover hier van belang gelijkluidend aan hetgeen vóór 1 januari 2011 was bepaald in artikel 9c, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit.

Blijkens de nota van toelichting bij laatstvermelde bepaling (Stb. 2000, 640, blz. 23) strekt het slot van – thans – artikel 10ed, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit ertoe buiten discussie te stellen dat aan het vereiste van schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer niet meer kan worden voldaan bij overschrijding van een termijn van drie maanden tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 13/02163, ECLI:NL:HR:2014:634, BNB 2014/156).

2.3.3.

Hetgeen onder 2.3.2 is overwogen betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op voortzetting van de 30%-regeling. De klachten falen derhalve.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.