Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1124

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
15/04352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4:17 Awb. Aan een schriftelijke ingebrekestelling ter activering van de dwangsom te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/31.10 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/1245
Belastingadvies 2016/13.2
Belastingblad 2016/341 met annotatie van J. Couperus
BNB 2016/179 met annotatie van E.B. PECHLER
AB 2016/322 met annotatie van R. Ortlep
FED 2016/120 met annotatie van A.C. Breuer
FutD 2016-1421 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/1624 met annotatie van Mr. W.E. Nent
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2016

nr. 15/04352

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2015, nr. 14/00096, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3414) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft op 6 juni 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Ter zake daarvan heeft hij op 22 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.

2.1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.

2.1.3.

Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.

2.2.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb. De Rechtbank heeft beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden.

3 Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen

4.1.

Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Awb, heeft verbeurd.

4.2.

Het Hof heeft overwogen dat, wanneer op 23 november 2011 en 15 december 2011 door de gemachtigde aan de Inspecteur gezonden brieven worden bezien in samenhang met latere uitlatingen van de gemachtigde, de Inspecteur redelijkerwijs moet hebben begrepen dat belanghebbende beoogde hem in gebreke te stellen. Op 13 april 2012 reageerde de gemachtigde bij brief op het verslag van de hoorzitting. Uit die reactie bleek dat niets meer in de weg stond aan het doen van uitspraak. Het Hof heeft deze reactie aangemerkt als ‘omslagpunt’ waarbij de ingebrekestelling ‘perfect’ werd. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1100.

4.3.

De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen.

4.4.

Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie ABRvS 24 december 2014, nr. 201402074/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4682, AB 2015/47, en CRvB 4 augustus 2015, nr. 14/3490 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2682, AB 2015/340).

4.5. ’

s Hofs oordeel houdt kennelijk in dat voormelde elementen van de ingebrekestelling kunnen zijn vervat in verschillende geschriften, waarbij van een ingebrekestelling sprake is – en de ingebrekestelling ‘perfect’ wordt – met het geschrift waarin het laatste ontbrekende element is opgenomen. Aldus berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dan dient het daartoe strekkende geschrift op zichzelf beschouwd voldoende duidelijk te zijn in die zin dat het alle constitutieve elementen, als hiervoor in 4.4 bedoeld, bevat.

4.6.

Aangezien de gedingstukken geen andere slotsom toestaan dan dat de brief van 13 april 2012 op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van het hiervoor onder 4.4 overwogene, en de voordien aan de Inspecteur gezonden brieven evenmin, kan ’s Hofs oordeel geen stand houden. De middelen slagen in zoverre.

4.7.

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor in 4.6 is overwogen volgt dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond is en ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur niet een geschrift van (de gemachtigde van) belanghebbende heeft ontvangen dat voldoet aan de hiervoor onder 4.4 vermelde aan een ingebrekestelling te stellen eisen. De uitspraak van de Rechtbank dient daarom te worden bevestigd.

6 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.