Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1118

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
14/05921
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:397, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR herhaalt het uitgangspunt m.b.t. de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel indien er verscheidende daders zijn. De HR merkt op dat bij aansluiting bij de in de hoofdzaak opgelegde gevangenisstraffen bij het bepalen van een verdeelsleutel behoedzaamheid moet worden betracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/723
NJB 2016/1247
JOW 2016/17
NJ 2016/493 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
NBSTRAF 2016/150
SR-Updates.nl 2016-0262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juni 2016

Strafkamer

nr. S 14/05921 P

MD/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 november 2014, nummer 20/001110-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel bevat een motiveringsklacht met betrekking tot het oordeel van het Hof over de mate waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend.

2.2.1.

Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel uit "de verkoop van cocaïne", "de verkoop coffeeshop" en "verkoop marihuana en hasjiesj" geschat op in totaal € 1.157.373,70. Mede in aanmerking genomen de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, heeft het Hof de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd van € 457.949,-.

2.2.2.

De bestreden uitspraak houdt onder het hoofd "Verdeling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel" het volgende in:

"De verdediging is het niet eens met een verdeelsleutel zoals de rechtbank heeft vastgesteld, dat alle broers (hof: veroordeelde, [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2] ) zich evenveel verrijkt zouden hebben. Volgens de verdediging is de rol van veroordeelde in het geheel slechts marginaal geweest, waardoor aan hem minder voordeel is toegevloeid.

Het hof verwerpt dit verweer. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de rechtbank gehanteerde verdeelsleutel juist is en recht doet aan de rol die veroordeelde en zijn broers bij de handel in verdovende middelen hebben vervuld. De rechtbank heeft de verdeling gezet in de sleutel van de hoogte van de gevangenisstraffen, die elk van de broers hebben gekregen. Het komt het hof voor dat dit leidt tot een redelijke en evenredige verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Veroordeelde is in de strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. [veroordeelde 1] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en [veroordeelde 2] tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden.

In totaal is dat 17,5 jaren gevangenisstraf. Dit maakt dat aan veroordeelde 7 maal 1/17,5 van € 1.157.373,70, zijnde 7 x € 66.135,64 = € 462.949,- (afgerond) wordt toegerekend."

2.2.3

Het vonnis van de Rechtbank, dat door het Hof in zijn overwegingen wordt betrokken, houdt omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in:

"Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdeling in de toerekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel worden bepaald aan de hand van de straffen die aan de drie broeders [betrokkene en veroordeelden 1 en 2] zijn opgelegd. Uit de strafmaat kan immers worden afgeleid hoe de verhoudingen in de criminele organisatie zijn geweest. De rechtbank acht de daaruit blijkende verdeling aannemelijk, nu door [betrokkene], noch door een van zijn broers, een alternatieve verdeelsleutel is aangedragen. Bovendien geeft een verdeling aan de hand van de strafmaat naar het oordeel van de rechtbank een reëler beeld dan de berekeningen uit de vermogensvergelijking die het openbaar ministerie als uitgangspunt genomen heeft, maar waarvan het openbaar ministerie zelf te kennen heeft gegeven dat die berekening uit de vermogensvergelijking onvolledig is geweest.

[betrokkene] , is veroordeeld door de rechtbank tot 7 jaren gevangenisstraf. [veroordeelde 1] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren door het hof in 's-Hertogenbosch, de hoogste feitelijke instantie en [veroordeelde 2] door de rechtbank tot 5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf. In totaal is er derhalve 17,5 jaar gevangenisstraf opgelegd. Naar rato van ieders straf kan daarom 7 maal 1/17,5 van € 1.483.238,-, zijnde 7 maal € 84.7567,45 aan [betrokkene] worden opgelegd ter betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee komt de rechtbank tot de ontneming van een bedrag van € 593.295,19."

2.2.4.

Uit de stukken blijkt dat de betrokkene in de samenhangende strafzaak door de Rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren ter zake van

1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, met betrekking tot 477 gram van een materiaal bevattende amfetamine, in voortgezette handeling gepleegd met het onder 1 bewezenverklaarde feit, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 4. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 5. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl de schuldige een van de leiders was", 6. "medeplegen van gijzeling" en 7. "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht".

2.2.5.

Omtrent de opgelegde straf houdt het vonnis van de Rechtbank het volgende in:

"Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake bedreiging is veroordeeld;

- de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten onder 1, 2 en 5 zich over een lange periode hebben afgespeeld en dat verdachte bij het onder 5 bewezenverklaarde een leidinggevende rol heeft vervuld;

- de omstandigheid dat het bij de feiten onder 1, 2 en 3 gaat om grote hoeveelheden verdovende middelen;

- het gewelddadig karakter van het onder 6 primair en onder 7 bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend."

2.3.

In het geval er verscheidene daders zijn, zal de rechter niet altijd de omvang van het voordeel van ieder van die daders aanstonds kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld, het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen en de procesopstelling van de betrokkene, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan ieder van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten verschaffen voor een andere toerekening, kan aanleiding bestaan het voordeel pondspondsgewijs toe te rekenen.

2.4.1.

Het Hof heeft de toerekening aan de betrokkene van het door hem en zijn mededaders wederrechtelijk verkregen voordeel in het bijzonder gebaseerd op de rol die de betrokkene en zijn medeverdachten hebben gespeeld in de criminele organisatie die zich bezig hield met de handel in verdovende middelen. Daarbij heeft het Hof op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze hem uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken aan de betrokkene het hoogste bedrag toegerekend vanwege de aan hem toegekende leidinggevende positie.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof mede aan de hoogte van de aan de betrokkene opgelegde straf en de daartoe gegeven motivering heeft kunnen ontlenen dat de betrokkene een leidinggevende rol in de organisatie vervulde en daaruit in de gegeven omstandigheden, bij gebreke van door de betrokkene verschafte nadere gegevens, heeft kunnen afleiden dat hij bij de verdeling van de opbrengsten uit de feiten waaruit voordeel is verkregen daadwerkelijk de meeste opbrengst heeft ontvangen.

2.4.2.

Bij de bepaling van de mate waarin de rolverdeling binnen de criminele organisatie kan worden gerelateerd aan de opgelegde straf, past behoedzaamheid, omdat bij de strafoplegging ook andere omstandigheden een rol kunnen hebben gespeeld, zoals persoonlijke omstandigheden of de bewezenverklaring van andere feiten waaruit geen voordeel is verkregen. Toerekening louter aan de hand van de hoogte van de aan de betrokkene en zijn mededaders opgelegde straffen kan daaraan immers een schijn van exactheid verlenen die niet in overeenstemming is met een toerekening van voordeel op basis van alle bekende omstandigheden.

Het Hof heeft bij de vaststelling van het concrete aan de betrokkene toegerekende bedrag het vorenstaande niet miskend. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat door en namens de betrokkene geen toereikend onderbouwd verweer is gevoerd tegen de dienovereenkomstige, door het Hof als redelijk en evenredig betitelde, verdeling van de opbrengst uit de handel in verdovende middelen zoals de Rechtbank deze, mede op basis van het Rapport ter zake herberekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel reeds had bepaald.

2.4.3.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma, A.L.J. van Strien en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2016.