Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1029

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
15/02805
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2397, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:3507, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; art. 8, lid 1, Wet Vpb en art. 3.54 Wet IB 2001; geruisloze inbreng van onderneming in een vennootschap waarna onderneming bij bedrijfsfusie overgaat naar een werkmaatschappij, met uitzondering van het voormalige bedrijfspand dat leeg staat en te koop was aangeboden; kan voor boekwinst op verkoop een herinvesteringsreserve worden gevormd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1334 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2016/30.11 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/1177
BNB 2016/172 met annotatie van P.G.H. Albert
FED 2016/88 met annotatie van prof. mr. dr. R. Russo
mr.dr. C. Bruijsten annotatie in NTFR 2016/1452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2016

nr. 15/02805

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2015, nr. 14/00705, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/6300) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 3 december 2015 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Sinds 1992 hield [A] (hierna: [A]) apotheek in een aan haar in eigendom toebehorend pand (hierna: het eigen pand). Het eigen pand werd door [A] tot het ondernemingsvermogen van haar eenmanszaak (hierna: de eenmanszaak) gerekend.

2.1.2.

In 2006 heeft [A] ten behoeve van de apotheek geïnvesteerd in een door haar gehuurd pand (hierna: het huurpand).

2.1.3.

Vanaf 8 januari 2007 hield zij de apotheek in het huurpand. Vanaf dat moment stond het eigen pand leeg. Sinds 9 maart 2007 heeft zij het eigen pand te koop aangeboden.

2.1.4.

Op 29 mei 2007 heeft [A] belanghebbende opgericht. Als storting op de aan haar uit te reiken aandelen heeft [A] haar apothekersonderneming op de voet van artikel 3.65 van de Wet IB 2001 fiscaal geruisloos ingebracht. Daarbij zijn [A] en belanghebbende overeengekomen dat de apothekersonderneming vanaf 1 januari 2007 voor rekening en risico van belanghebbende wordt gedreven.

2.1.5.

Eveneens op 29 mei 2007 heeft [A] [B] B.V. opgericht. Belanghebbende en [B] B.V. zijn een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb) overeengekomen. Met gebruikmaking van de in laatstvermeld wetsartikel voorziene bedrijfsfusiefaciliteit heeft belanghebbende al haar activa en passiva, met uitzondering van het eigen pand, overgedragen aan [B] B.V.

2.1.6.

Op 16 maart 2009 hebben belanghebbende en [B] B.V. de Inspecteur verzocht om per 1 januari 2009 tezamen een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet Vpb te mogen vormen. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 19 maart 2009 ingewilligd.

2.1.7.

Op 30 januari 2009 heeft belanghebbende het eigen pand verkocht. Daarbij heeft zij een boekwinst behaald van € 260.959. Voor dit bedrag heeft belanghebbende een herinvesteringsreserve gevormd in de zin van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 8, lid 1, van de Wet Vpb.

2.1.8.

De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling voor het jaar 2009 de door belanghebbende gevormde herinvesteringsreserve gecorrigeerd en de hiervoor in 2.1.7 bedoelde boekwinst tot de belastbare winst van belanghebbende gerekend.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat na de herstructurering in 2007 de apothekersonderneming (vanaf 1 januari 2007) werd gedreven voor rekening en risico van [B] B.V. en dat het eigen pand bij belanghebbende is achtergebleven. Belanghebbende beschikte vanaf haar oprichting over het eigen pand dat leeg stond en te koop was, terwijl de apothekersonderneming was ondergebracht in [B] B.V. en vanuit het huurpand werd gedreven, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof kan het eigen pand onder deze omstandigheden voor belanghebbende niet worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel, omdat door de herstructurering het eigen pand niet meer (duurzaam) ter beschikking van de onderneming van belanghebbende stond.

Het Hof heeft het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 6 juli 2008, nr. 43515, ECLI:NL:HR:2008:BD3175, BNB 2008/213 (hierna: het arrest BNB 2008/213), verworpen, aangezien de apothekersonderneming en het eigen pand door de herstructurering van elkaar zijn gescheiden.

2.3.1.

Middel II is gericht tegen ’s Hofs oordeel dat voor de boekwinst op het eigen pand geen herinvesteringsreserve kan worden gevormd.

2.3.2.

Een zaak die de functie van bedrijfsmiddel heeft, verliest die functie pas als zij is verkocht of wordt aangewend voor een nieuwe ondernemingsactiviteit waarin die zaak fungeert als voor de omzet bestemde voorraad (zie het arrest BNB 2008/213, onderdeel 3.3). Aan de toepassing van deze regel wordt in het onderhavige geval evenwel niet toegekomen.

Door de overdracht van de apothekersonderneming op 29 mei 2007 aan [B] B.V. zijn de ondernemingsactiviteiten waarin het eigen pand als bedrijfsmiddel heeft gefungeerd, bij belanghebbende beëindigd. Het eigen pand is na de overdracht niet opnieuw een functie ten behoeve van eigen activiteiten van belanghebbende gaan vervullen, aangezien het nog slechts werd aangehouden met het oog op de verkoop ervan. De overdracht heeft derhalve een situatie doen ontstaan waarin een boekwinst die bij de vervreemding van het eigen pand in de toekomst wordt behaald, door belanghebbende niet meer kan worden aangewend voor de aanschaffing en/of verbetering van een bedrijfsmiddel dat voor haar eenzelfde economische functie zal vervullen als die welke het eigen pand heeft gehad.

De omstandigheid dat belanghebbende en [B] B.V. met ingang van 1 januari 2009 een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet Vpb vormen, maakt niet dat de band tussen het eigen pand en de ondernemingsactiviteiten die belanghebbende op 29 mei 2007 heeft overgedragen, is hersteld. Het pand is immers op of na 1 januari 2009 niet opnieuw een functie ten behoeve van die activiteiten gaan vervullen, aangezien het nog slechts werd aangehouden met het oog op de verkoop ervan.

2.3.3.

Het hiervoor in 2.3.2 overwogene brengt mee dat artikel 3.54 van de Wet IB 2001 niet toelaat dat belanghebbende voor de boekwinst die zij in 2009 bij de verkoop van het eigen pand heeft behaald een herinvesteringsreserve vormt. Middel II faalt derhalve.

2.3.4.

Middel I kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.