Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/03509
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:437, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex. art. 94a Sv. Gegronde klacht. De ongegrondverklaring van het beklag berust onder meer op het oordeel van de Rb dat de klager door het hof "is veroordeeld wegens overtreding van artikel 3 onder B juncto artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, zijnde een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd". Daartoe heeft de Rb overwogen dat zij de omstandigheden dat "het gerechtshof in de bewezenverklaring 'een grote hoeveelheid' heeft uitgestreept (...) en in de kwalificatie niet de zinsnede 'terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel' heeft opgenomen (...)" beschouwt "als een kennelijke misslag, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en de strafmotivering expliciet blijkt dat het gerechtshof klager heeft veroordeeld wegens het meermalen vervoeren van hoeveelheden van meer dan 500 gram hennep". Het oordeel dat die misslag in dit geval evident is, is, gelet op de door de Rb in de bestreden beschikking weergegeven (gedeelten van de) bewezenverklaring en de daarop betrekking hebbende kwalificatie, niet begrijpelijk ook niet als daarbij de door de Rb in aanmerking genomen bewijsmiddelen en strafmotivering worden betrokken. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0246
RvdW 2016/666
NJ 2016/403 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2016

Strafkamer

nr. S 15/03509 B

KD/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 22 juli 2015, nummer RK 15/1335, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.L.F. Groenhuijsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift van de klager en in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de klager door het Hof is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

2.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

"Bij inbeslagneming met toepassing van artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen ontnemingsmaatregel.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter te onderzoeken

a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of

a) klager is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Klager is bij arrest van 2 juli 2014 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld. Voor zover in deze procedure relevant bevat dit arrest onder meer de volgende overwegingen en conclusies:

1. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 5 oktober 2010 tot en met 24 oktober 2011 te Noordwijkerhout en/of Lisse en/of Den Haag en/of Lisserbroek (gemeente Haarlemmermeer) althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid hennep en/of een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, te weten (onder meer)

- in uit een pand aan de [a-straat 1] te Noordwijkerhout in totaal (ongeveer) 7200 gram hennep, althans (ongeveer) 6500 gram hennep (zaaksdossier 5) en/of

- in een pand aan.de [b-straat 1] te Den Haag in totaal (ongeveer) 188 hennepplanten (zaaksdossier 7) en/of

- in een pand aan de [c-straat 1] te Lisse in totaal (ongeveer) 48 hennepplanten (zaaksdossier 13),

althans (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II.

2. Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op: 'opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd'.

3. Bewijsmiddelen

(het proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, verklaring van de verdachte)

Ten aanzien van de verklaring van [betrokkene] merk ik op dat hij mij heeft gevraagd of ik wat voor hem wilde wegbrengen. Ik heb daarvoor € 700,- of € 800,- van hem gekregen. Ik heb als bemiddelaar gehandeld. Ik heb van [betrokkene] € 100,- per kilo gekregen.

(het proces-verbaal van verhoor verdachte, verklaring van [betrokkene]):

Ik heb al ruim een jaar een kwekerij of meerdere kwekerijen gehad in mijn pand aan de [a-straat 1] te Noordwijkerhout. [klager] heeft hennep bij mij afgenomen. Hij heeft vijf oogsten van me gekocht. (...) [klager] heeft in totaal afgenomen: één keer vier kilo uit de kleine ruimte, (...), de derde oogst in het sporthok was een kilo en de vierde kweek was goed, tweeënhalve kilo uit dat sporthok. Daarnaast heeft hij nog tweeënhalve kilo uit de caravan meegenomen en de hennep die jullie in beslag hebben genomen was aan hem verkocht. Ik gaf [klager] 100,- per kilo voor het wegbrengen.

4. Strafmotivering

De verdachte heeft als tussenpersoon bij de handel in hennep enkele malen tegen betaling meerdere kilo's hennep bij een kweker opgehaald en vervoerd.

De rechtbank overweegt dat het gerechtshof bewijsmiddelen heeft gebezigd inhoudende het vervoeren van enkele kilo's hennep (zie onder 3), en daarnaast in de strafmotivering heeft overwogen dat klager meerdere kilo's hennep heeft vervoerd (zie onder 4). Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet anders worden gelezen dan dat het gerechtshof klager heeft veroordeeld wegens het meermalen vervoeren van grote hoeveelheden hennep in de zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit is een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet - voor zover hier van belang - een hoeveelheid van 500 gram (of meer).

Dat het gerechtshof in de bewezenverklaring 'een grote hoeveelheid' heeft uitgestreept (zie onder 1) en in de kwalificatie niet de zinsnede 'terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel' heeft opgenomen (zie onder 2), maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke misslag, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en de strafmotivering expliciet blijkt dat het gerechtshof klager heeft veroordeeld wegens het meermalen vervoeren van hoeveelheden van meer dan 500 gram hennep.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat klager is veroordeeld wegens overtreding van artikel 3 onder B juncto artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, zijnde een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dat betekent dat het conservatoir beslag in zoverre (nog steeds) rechtmatig is.

De rechtbank dient voorts vast te stellen of b) zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit geval zich niet voor. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen.

(...)

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beklag ongegrond verklaren."

2.3.

De ongegrondverklaring van het beklag berust onder meer op het oordeel van de Rechtbank dat de klager door het Hof "is veroordeeld wegens overtreding van artikel 3 onder B juncto artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, zijnde een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd". Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat zij de omstandigheden dat "het gerechtshof in de bewezenverklaring 'een grote hoeveelheid' heeft uitgestreept (...) en in de kwalificatie niet de zinsnede 'terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel' heeft opgenomen (...)" beschouwt "als een kennelijke misslag, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en de strafmotivering expliciet blijkt dat het gerechtshof klager heeft veroordeeld wegens het meermalen vervoeren van hoeveelheden van meer dan 500 gram hennep". Het oordeel dat die misslag in dit geval evident is, is, gelet op de door de Rechtbank in de bestreden beschikking weergegeven (gedeelten van de) bewezenverklaring en de daarop betrekking hebbende kwalificatie, niet begrijpelijk, ook niet als daarbij de door de Rechtbank in aanmerking genomen bewijsmiddelen en strafmotivering worden betrokken. De beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag is in zoverre dan ook ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Den Haag, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2016.