Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:1011

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/01915
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:375, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:83, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Training voor terrorisme ex art. 134a Sr. Verhouding 134a en 46.1 Sr. Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Dat verband komt reeds tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. T.a.v. de overige in art. 134a Sr strafbaar gestelde gedragingen, te weten: het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, moet worden aangenomen dat kwalificatie onder art. 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder in overeenstemming met de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis in ruime zin te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme ontbreekt. De opvatting dat in art. 134a Sr uitsluitend gedragingen strafbaar zijn gesteld die voorafgaan aan de strafbare voorbereiding van de in deze bepaling bedoelde misdrijven, en de opvatting dat deze gedragingen moeten duiden op het volgen van instructies waarbij specifieke vaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, zijn onjuist. Kwalificatie van gedragingen als het misdrijf van art. 134a Sr is niet uitgesloten ingeval deze gedragingen tevens kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46.1 Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46
Wetboek van Strafrecht 134a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0236
RvdW 2016/664
NJB 2016/1186
NJ 2016/435 met annotatie van N. Keijzer
NBSTRAF 2016/162
Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/100, UDH:IR/13447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2016

Strafkamer

nr. S 15/01915

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 januari 2015, nummer 22/004770-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 1A onder A en B vermelde gedragingen kunnen worden aangemerkt als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden als bedoeld in art. 134a Sr.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"A.

hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2012 tot en met 13 maart 2012 en in of omstreeks de periode van 25 mei 2012 tot en met 13 juni 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk

- zich middelen heeft verschaft; en

- kennis en vaardigheden heeft verworven;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf te weten:

- opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen met een terroristisch oogmerk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, en/of

- moord met een terroristisch oogmerk en/of

- doodslag met een terroristisch oogmerk en/of

- opzettelijk een gebouw of getimmerte vernielen en/of beschadigen met een terroristisch oogmerk, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is,

immers heeft verdachte

A - websites bezocht en (vervolgens) zoekvragen gesteld over 'homemade bombs and explosives' (te weten www. bombshock .com, en www. pyronfo .com) en over 'action man detonator' (te weten www.Ebay.com) en over 'how to make flashpowder' (te weten www. metacafe .com en www. instructables .com);

B - tien (10) meter lont en één (1) kilogram aluminiumpoeder en een gasflesje aangeschaft, en voornoemde voorwerpen laten afleveren op zijn, verdachtes, verblijfplaats; en

D - websites bezocht waarop informatie over de Jihad en martelaarschap en de gewapende strijd wordt gedeeld (te weten www. islamicawakening .com en http:// behind-bars .net) en

E - (vervolgens) op voornoemde website films geplaatst (inhoudende het plegen van aanslagen) en (vervolgens) een discussie gestart op het forum van die website over de Jihad;

F - websites bezocht waarop informatie wordt gedeeld over reizen naar en visumaanvragen voor Jemen en Saudi-Arabië en Syrië;

G - een reisvisum voor Saudi-Arabië en een ticket voor Turkije verkregen;

H - zich geuit over zijn wens zich te begeven naar voornoemde landen en gevraagd hoe hij in contact kan treden met onbekend gebleven personen als hij is aangekomen;

I - informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en martelaarschap (o.a. 10 DVD's);

J - zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië.

en

B.

hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2012 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk ter voorbereiding van het te plegen misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten:

- opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

A - websites bezocht en (vervolgens) zoekvragen gesteld over 'homemade bombs and explosives' (te weten www. bombshock .com, en www. pyronfo .com) en over 'action man detonator' (te weten www.Ebay.com) en over 'how to make flashpowder' (te weten www. metacafe .com en/of www. instructables .com);

B - tien (10) meter lont en een (1) kilogram aluminiumpoeder en een gasflesje aangeschaft, en voornoemde voorwerpen laten afleveren op zijn, verdachtes, verblijfplaats;

welke voorwerpen en stoffen, al dan niet in combinatie met elkaar, bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf."

2.2.2.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Strafbaarheid van het onder 1A bewezenverklaarde feit" het volgende in:

"(...)

8.2.

Juridisch kader inzake art. 134a Sr

8.2.1.

Algemene opmerkingen

1. Het bewezenverklaarde onder IA is toegesneden op art. 134a Sr, waarin deelneming aan en het verlenen van medewerking aan training van terrorisme strafbaar is gesteld. Aan de orde is de vraag of de onder IA ten laste gelegde en door het hof bewezenverklaarde gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als het delict strafbaar gesteld in art. 134a Sr.

2. Art. 134a Sr luidt als volgt: (...)

3. Art. 134a Sr geeft uitvoering aan art. 7 van het Verdrag ter voorkoming van terrorisme van de Raad van Europa, (verder: het Verdrag van Warschau). Art. 134a Sr is op 1 april 2010 in werking getreden.

4. Art. 7 van het Verdrag van Warschau luidt (in de Nederlandse vertaling) als volgt:

'1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „training voor terrorisme", het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten.

2. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om training voor terrorisme, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht.'

5. Daarnaast heeft art. 3 van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, na de wijziging op 28 november 2008 (verder: gewijzigde Kaderbesluit), mede aanleiding gegeven tot invoering van art. 134a Sr. In het gewijzigde Kaderbesluit wordt op grond van de constatering dat er een verhoogde dreiging is van een aantal terroristische misdrijven, terwijl naast reguliere trainingskampen ook het internet inmiddels als virtueel trainingskamp functioneert, de lidstaten opgeroepen om onder andere training voor terrorisme strafbaar te stellen. De in art. 3 opgenomen definitie van training voor terrorisme in het gewijzigde Kaderbesluit is gelijkluidend aan de definitie zoals vermeld in art. 7 van het Verdrag van Warschau.

6. Voorts is de Nederlandse regering bij motie verzocht onderzoek te doen naar het strafbaar stellen van 'het bezoeken van en deelnemen aan een opleidingskamp voor terroristen'. Hieraan is met de introductie van art. 134a Sr gehoor gegeven.

7. Tot slot heeft ook de behoefte en - gelet op de internationale verplichtingen - de noodzaak om in mogelijke lacunes in de wetgeving op het terrein van strafbare voorbereidingshandelingen te voorzien, mede aanleiding gegeven tot introductie van art. 134a Sr. Het tot dan toe beschikbare arsenaal van strafbepalingen werd niet toereikend bevonden om te voldoen aan de eisen van het hiervoor genoemde Verdrag van Warschau en het gewijzigde Kaderbesluit. Het bestaande art. 46 Sr vereist dat voorwerpen, stoffen, informatiedragers etc. opzettelijk worden verworven, wil er sprake zijn van strafbare voorbereiding. Wanneer daaraan niet is voldaan, is er geen sprake van een strafbaar feit. Ten aanzien van art. 96 Sr geldt dat volgens de Minister van Justitie art. 96 lid 2 sub 2 Sr niet alle denkbare strafwaardige gedragingen in verband met training voor terrorisme omvat. Met andere woorden, het was volgens de Minister van Justitie noodzakelijk om een aparte strafbaarstelling in het leven te roepen, aangezien het bestaande instrumentarium aan strafbare voorbereidingshandelingen niet toereikend was voor alle mogelijke gevallen waarin sprake zou kunnen zijn van training voor terrorisme.

8. Het definitieve art. 134a Sr zoals dat in de wet terecht is gekomen, is een vorm van strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen zoals het Wetboek van Strafrecht ook andere vormen van voorbereiding strafbaar stelt bij het voorkomen van onder andere (terroristische) misdrijven (bijvoorbeeld art. 46 Sr en art. 96 Sr). Het hof merkt daarbij echter op dat art. 134a Sr een zelfstandig strafbaar gesteld voorbereidingsdelict is. In tegenstelling tot de artikelen 46, 48 en 96 Sr ontbreekt in art. 134a Sr het accessoriteitsvereiste.

8.2.2.

Het begrip training

9. In de wetsgeschiedenis wordt de inhoud van de strafbaarstelling van art. 134a Sr samengevat als het verbod op deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme.

In de strafbaarstelling van art. 134a Sr wordt het begrip 'training' echter niet gebruikt. Dit is een welbewuste keuze van de wetgever geweest. De wetgever heeft ervoor gekozen aansluiting te zoeken bij de gebruikelijke Nederlandse terminologie en wetstechnische systematiek in het Wetboek van Strafrecht.

Art. 134a Sr stelt strafbaar het meewerken (als trainer) en het deelnemen (als getrainde) aan trainingen voor terrorisme. Het is derhalve een gecombineerde strafbaarstelling met een actieve en een passieve variant. De wetgever heeft gekozen voor een meer alomvattende strafbaarstelling dan neergelegd in art. 7 Verdrag van Warschau, waarin staten zich alleen verplichten tot het strafbaar stellen van meewerken aan training voor terrorisme.

10. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip 'training' is ontleend aan de opsomming van gedragingen die wordt afgesloten met 'or other specific methods or techniques' in art. 7, eerste lid, van het Verdrag van Warschau.

De Minister van Justitie stelt dat met het samenstel van gedragingen in de delictsomschrijving van art. 134a Sr de door het Verdrag van Warschau gehanteerde ruime omschrijving van het begrip training wordt geduid. Hij omschrijft training als 'het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken.' De Minister van Justitie vervolgt: 'De in artikel 134a Sr voorgestelde delictsomschrijving beoogt alle strafwaardige gedragingen die uitdrukking geven aan het begrip 'training' te omvatten. Training is derhalve een verzamelbegrip dat in de delictsomschrijving met een aantal feitelijke begrippen wordt geduid.

11. Tijdens de parlementaire behandeling is aan de hand van een aantal voorbeelden meer duidelijkheid verschaft over wat er wel en niet onder het begrip 'training' kan vallen. Het kan trainingskampen omvatten, maar ook andere opleidingsvormen zijn denkbaar. De wetgever had hierbij niet alleen gedragingen in het buitenland op het oog, ook het in Nederland deelnemen aan een terroristisch trainingskamp moet onder alle omstandigheden strafbaar worden geacht.

12. Zoals hiervoor is overwogen, is in het gewijzigde Kaderbesluit nadrukkelijk opgenomen dat ook sprake van training kan zijn door middel van het internet (als virtueel trainingskamp).

13. Het is naar het oordeel van hof evident dat, als er sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd, het zaak is scherp aan de wind te zeilen om te voorkomen dat al te snel wordt aangenomen dat er sprake is van een gedraging die kan worden beschouwd als een training voor terrorisme in de terminologie zoals gebruikt in art. 134a Sr.

8.2.3.

Deelnemen aan training

14. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van het deelnemen in art. 134a Sr ziet op een persoon met een fascinatie voor terroristisch geweld die steeds verder radicaliseert, in dat kader plannen maakt met betrekking tot aanslagen en tegelijkertijd kennis en/of vaardigheden verwerft die zouden kunnen worden ingezet voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

15. De deelneming zoals bedoeld in art. 134a Sr omvat volgens de wetsgeschiedenis niet alleen het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp waarbij, de deelnemers deel uitmaken van een terroristische organisatie of zich schuldig maken aan samenspanning tot het plegen van een terroristisch misdrijf maar ook het geval dat iemand in het kader van een door hem zelf voorgenomen terroristische aanslag naar een terroristische training gaat. Ook kan onder training vallen 'het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport (...), wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf'. Het enkel volgen van een taalopleiding, ook al blijkt anderszins van mogelijke terroristische sympathieën, zal volgens de wetgever niet snel te kwalificeren zijn als deelneming aan een terroristische training. Dit kan bijvoorbeeld anders liggen wanneer kennis wordt verworven over termen die de luchtverkeersleiding hanteert, ter voorbereiding van een op een bepaalde luchthaven uit te voeren terroristische kaping.

16. De Minister van Justitie geeft voorts aan - in antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of ook het volgen van een cursus via internet onder de strafbaarstelling kan vallen - dat ook van deelneming aan training sprake kan zijn 'wanneer kennis of vaardigheden via het internet worden verworven'. Derhalve valt ook onder de reikwijdte van art. 134a Sr de eenling die zich via het internet op de hoogte stelt van kennis en wetenschap over de vervaardiging van een explosief waarmee hij of zij vervolgens het plegen van een terroristisch misdrijf door een derde wil vergemakkelijken.

17. Samenvattend omvat naar het oordeel van het hof gelet op de wetsgeschiedenis die tot art. 134a Sr heeft geleid en het Verdrag van Warschau het begrip training naast de setting van een 'trainingskamp' in Nederland of daarbuiten, ook andere opleidingsvormen via individuele lessen dan wel in groepsverband. Daarbij kan het gaan om de verwerving van zowel fysieke vaardigheden als het opdoen van intellectuele kennis. Voorts kan de training plaatsvinden via zowel persoonlijk contact als door raadpleging van het internet of ander 'lesmateriaal'. In dit laatste geval waarbij sprake is van een vorm van 'zelfstudie' zal het mede afhangen van de feitelijke vaststellingen ten aanzien van het type geraadpleegde materiaal en de eventuele samenhang van geraadpleegd materiaal en onder omstandigheden de frequentie van de raadpleging of gesproken kan worden van training in de zin van art. 134a Sr.

18. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de 'zelfstudie' merkt het hof op dat art. 134a Sr nadrukkelijk ook strafbaar stelt de verschaffing van inlichtingen, gelegenheid en middelen en de kennis- en vaardighedenverwerving ten behoeve van de dader en door de dader zelf. Verwezen zij naar de tekst van art. 134a Sr waar strafbaar wordt gesteld [onderstreping hof]:

'Hij die zich (...) opzettelijk [gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen] (...) dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft (...)'.

De wetgever heeft hiermee voorzien in een strafbaarstelling van de vorm van 'zelfstudie' in het kader van art. 134a Sr.

8.2.4.

Meewerken aan training

19. De hiervoor gemaakte opmerkingen over de uitleg en het bereik van de termen 'deelnemen aan training' zijn mutatis mutandis ook van toepassing op de termen 'meewerken aan training' gelet op de wetsgeschiedenis van de- totstandkoming van art. 134a Sr. Hierin wordt met betrekking tot de reikwijdte van deze bepaling opgemerkt:

'(Er) is voorts voor gekozen zowel het deelnemen als het meewerken aan training voor terrorisme in één delictsomschrijving onder te brengen. Daardoor krijgen beide gedragingen - deelnemen én meewerken - dezelfde reikwijdte. Dit verdient uit wetsystematisch oogpunt de voorkeur en wordt naar mijn oordeel ook gerechtvaardigd door het feit dat beide gedragingen nauwe verwantschap vertonen.

De deelneming en het meewerken aan training hebben derhalve dezelfde reikwijdte.

(...)

8.3.

Beoordeling van het onder 1A bewezenverklaarde feit

8.3.1.

Deelneming aan training

(...)

2. De verdachte heeft op 1, 2, 6, 8 en 27 februari 2012 op internet gericht gezocht naar methoden om met aluminiumpoeder een explosief te vervaardigen. Op 1 februari 2012 zocht hij op de volgende trefwoorden: Aluminium explosion, Home made explosives, flash powder kopen, flash powder formulas, black powder, action man/detonator. De verdachte wist dat een detonator een knopje was waarmee je een bom kon laten ontploffen. Hij heeft op YouTube gezien wat je met flash powder kon doen en is hierdoor verder gaan zoeken. Ook heeft hij gezocht of dit te koop was en, toen dit niet het geval bleek, is hij gaan zoeken hoe je dit poeder kon maken. Hij heeft ook de volgende webpagina's bezocht: www. bombshock .corn, www. pyronfo .com, www. pryoforum .nl, www.ebay.nl, www.google.nl en www. metacafe .com. Op 2 februari 2012 heeft de verdachte op de website www.instructables.com op de volgende zoekterm gezocht: hoe maak je flash powder. Op 6 februari 2012 zocht de verdachte naar Aluminiumpoeders op de website www.artsuppliesonweb.com. Op 8 februari 2012 heeft de verdachte de zoektermen zelfgemaakte explosieven, sodium nitrate en kaliumnitraat ingevoerd op de websites www.wikipedia.nl, www.naturalspices.eu en www.tuincentrumovervecht.nl. Op 27 februari 2012 heeft de verdachte gezocht op www.ebay.nl naar de volgende zoekopdrachten: aluminiumpowder, aluminium powder indian, sulphur, potassium nitrate (kno3) , magnesium en ferrocerium. Op deze pagina's wordt uiteengezet hoe explosieven kunnen worden vervaardigd van aluminiumpoeder door middel van instructievideo's, gedetailleerde handleidingen, FAQ's, tekst en uitleg over veelgebruikte explosieven, aanbevolen materialen en chemicaliën. Ook wordt ingegaan op risico's, veiligheidsvoorschriften en mogelijke juridische gevolgen.

3. De verdachte heeft via twee webpagina's, te weten bij www.viscolontkopen.nl en bij www.carbonwinkel.nl aankopen gedaan. Bij Viscolontkopen heeft verdachte op 21 januari 2012 10 meter lont en een gasflesje aangeschaft en betaald. De verdachte heeft op YouTube gezien hoe het lont kan verbranden en wat het doet. Bij de Carbonwinkel werd door de verdachte op 25 januari 2012 1 kilogram aluminiumpoeder aangeschaft en betaald. De verdachte liet de goederen bezorgen op het adres [a-straat 1] , het huis van zijn ouders, te Amsterdam.

4. Uit de bevindingen van het NFI volgt dat de onder de verdachte in beslaggenomen lont en aluminiumpoeder geschikte ingrediënten zijn voor het fabriceren van explosieven. Het onderzochte lont wordt geclassificeerd als viscolont, dit wordt onder andere toegepast in professioneel- en consumentenvuurwerk. Het aangetroffen aluminiumpoeder kan in beginsel worden toegepast in explosieve mengsels, maar kent ook andere toepassingen zoals in thermietladingen of verf. Het aluminiumpoeder is in elk geval geschikt om - indien in de juiste verhouding gemengd - als onderdeel van een pyrotechnisch mengsel te fungeren. Ook kan het aluminiumpoeder aan pyrotechnische mengsel of springstoffen worden toegevoegd, bijvoorbeeld om voor een grotere hitteproductie na ontsteking te zorgen.

5. Naar het oordeel van het hof zijn deze hierboven opgesomde en door de verdachte ontplooide activiteiten in hun onderlinge samenhang beschouwd - gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm - gericht op het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis tot het maken van explosieven en het zich bekwamen in deze vaardigheid door het op de bewezenverklaarde wijze opzoeken van informatie in combinatie met de aanschaf van grondstoffen voor de fabricage van een explosief. Het hof betrekt hierbij tevens dat de verdachte - kennelijk tegen beter weten in - geen aannemelijke verklaring heeft kunnen of willen geven over zijn gerichte zoekacties op internet noch over de aanwezigheid van de bij hem aangetroffen en door hem eerder aangeschafte voorwerpen, terwijl zulks wel op zijn weg had gelegen.

Weliswaar stelt de verdachte nog dat hij eerder heeft afgezien van het aankopen van een aluminiumpoeder dat explosiever van karakter is dan het door hem uiteindelijk aangeschafte - en volgens hem ongevaarlijke - aluminiumpoeder. Ook is, zo begrijpt het hof, het bij hem aangetroffen lont en de gasaansteker ongevaarlijk. Het voorgaande laat onverlet, naar het oordeel van het hof, dat de combinatie van lont en het aluminiumpoeder en het achterhalen van informatie via internet met betrekking tot het fabriceren van explosieven evenzeer als het zich verschaffen van middelen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en daartoe kennis en vaardigheden verwerven en/of voorbereidingshandelingen voor brandstichting danwel teweegbrengen van een ontploffing kan gelden, zulks mede gezien de conclusie van het rapport van 23 april 2013 van het NFI. Een en ander klemt temeer nu de verdachte, zoals hiervoor is overwogen, desgevraagd bij de politie noch ter terechtzitting opheldering over dan wel een aannemelijke verklaring heeft willen geven voor het voorgenomen gebruik van de door hem aangeschafte goederen.

6. De onder A en B bewezenverklaarde handelingen kunnen derhalve worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden (het deelnemen aan de training) in de zin van art. 134a Sr.

(...)

7. De verdediging heeft nog het verweer gevoerd dat sprake is van een te vergaande oprekking van het bepaalde in art. 134a Sr door ook het raadplegen van een internetpagina en daarmee dus ook het lezen van een tijdschriftartikel onder het bereik van deze bepaling te laten vallen. Deze vorm van door eigen inspanning, op individuele basis, zelfstandig vergaren van kennis of vaardigheden is in deze visie geen training. De verdediging verbindt hieraan de conclusie dat de verdachte - in geval van een bewezenverklaring - dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8. Het hof stelt vast onder verwijzing naar de vastgestelde feiten ten aanzien van het zoekgedrag van de verdachte internet hiervoor in rechtsoverweging 2 van deze paragraaf dat de verdachte op meerdere dagen gedurende de maand februari 2012 op een groot aantal trefwoorden heeft gezocht naar informatie (over onderdelen en grondstoffen) om explosieven te kunnen maken en daarvoor reeds tot aanschaf van de grondstoffen voor het maken van explosieven was overgegaan.

Die omstandigheden kunnen naar het oordeel van het hof worden geduid - zoals hiervoor reeds overwogen - als een vorm van training als bedoeld in de zin van art. 134a Sr. In dit geval is immers gelet op de vastgestelde feiten geen sprake van het enkel raadplegen van een pagina op het internet. De activiteiten van de verdachte op het internet dienen in hun onderlinge samenhang te worden beschouwd als te zijn gericht op het opdoen van kennis waarbij mede een rol speelt dat de verdachte tevens is overgegaan tot de aankoop van goederen die voor het maken van explosieven bestemd zijn en waarmee hij zich in de praktijk kon bekwamen in deze vaardigheden en technieken.

9. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

(...)

8.3.3.

Medeplichtigheid los van trainingselement?

29. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen onder verwijzing naar verschillende bronnen in de literatuur dat art. 134a Sr niet alleen het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme strafbaar stelt maar ook allerlei andere vormen van 'medeplichtigheid' tot terroristische misdrijven en misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van terroristische misdrijven los van het element van de training.

30. De verdediging heeft bepleit dat de zinsnede van gelegenheid, middelen of inlichtingen in art. 134a Sr een uitwerking is van het bepaalde in art. 7 van het Verdrag van Warschau en dat dit onderdeel van voornoemde bepaling geen zelfstandige betekenis heeft naast het begrip training.

31. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.

32. De tekst van art. 134a Sr laat grammaticaal gezien ruimte voor een interpretatie zoals door het openbaar ministerie wordt voorgestaan.

33. Gelet op de recente inwerkingtreding van deze bepaling komt naar het oordeel van het hof zwaarwegende betekenis toe aan de bedoeling van de wetgever zoals die uit de wetsgeschiedenis volgt die tot de totstandkoming van art. 134a Sr heeft geleid. Het Hof verwijst hiervoor naar hetgeen hiervoor is overwogen in paragraaf 8.2.7.

De slotsom op basis van de wetsgeschiedenis is dat art. 134a Sr ziet op gedragingen die een relatie hebben tot een (terroristische) training.

34. Het openbaar ministerie heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de literatuur waarin een passage uit de kamerstukken is aangehaald die het volgende antwoord van de Minister van Justitie inhoudt: 'Deze leden vroegen wat precies onder het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen moet worden verstaan. Graag merk ik op dat deze begrippen reeds voorkomen in bestaande bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Zij hebben dezelfde betekenis als in art. 48, onder 2°, Sr. Daarbij gaat het om middelen waardoor het «mogelijk of gemakkelijker wordt gemaakt het feit te plegen» (HR 17 juni 1940, NJ 1940, 82)

35. Het onder 34. aangehaalde antwoord van de Minister van Justitie gaat terug op de navolgende vraag van de leden van de SP-fractie: 'Wat is precies het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf?' Het hof begrijpt het antwoord van de Minister van Justitie in dit verband aldus dat hij aangeeft dat de betekenis van de termen 'het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen' in art. 134a Sr niet afwijkt van de betekenis zoals die in art. 48, onder 2, Sr wordt gebezigd met inachtneming van de vaste rechtspraak. Dit antwoord van de Minister van Justitie heeft geen betrekking op de vraag of in art. 134a Sr een vorm van strafbare medeplichtigheid is opgenomen los van de eis dat sprake zou moeten zijn van een (vorm van) terroristische training.

36. Gelet op het voorgaande deelt het hof derhalve het standpunt van het openbaar ministerie niet.

(...)

8.3.4.

Geen deelname aan training (bewezenverklaarde handelingen D t/m J)

37. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
D - websites bezocht waarop informatie over de Jihad en martelaarschap en de gewapende strijd wordt gedeeld (te weten www. islamicawakening .com en http:// behind-bars .net) en

E - (vervolgens) op voornoemde website films geplaatst (inhoudende het plegen van aanslagen) en (vervolgens) een discussie gestart op het forum van die website over de Jihad;

F - websites bezocht waarop informatie wordt gedeeld over reizen naar en visumaanvragen voor Jemen en Saudi-Arabië en Syrië;

G - een reisvisum voor Saudi-Arabië en een ticket voor Turkije verkregen;

H - zich geuit over zijn wens zich te begeven naar voornoemde landen en gevraagd hoe hij in contact kan treden met onbekend gebleven personen als hij is aangekomen;

I - informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en martelaarschap (o.a. 10 DVD's);

J - zich begeven op een reis (via Duitsland) naar Turkije met als eindbestemming Syrië.

38. Naar het oordeel van het hof ontbreekt in de hierboven genoemde handelingen ten enenmale het voor art. 134a Sr vereiste element van deelnemen aan een training tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

De (combinatie van de) onder D t/m J genoemde handelingen zijn echter wel van belang in het kader van het vaststellen van het opzet bij de verdachte op het verwerven van kennis en vaardigheden als bedoeld in art. 134a Sr.

(...)

8.3.6.

Slotsom ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde feit

43. De in de bewezenverklaring genoemde handelingen zoals die in de gedachtestreepjes A tot en met J zijn weergegeven, dienen in hun onderlinge verband en samenhang te worden bezien.

De onder A en B bewezenverklaarde handelingen vormen de handelingen die kunnen worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden (het deelnemen aan de training).

Hoewel de overige genoemde handelingen onder D tot en met J op zichzelf genomen geen training als bedoeld in art. 134a Sr vormen, kan uit de combinatie van deze bewezenverklaarde handelingen mede een nadere invulling van het opzet van de verdachte op het zich verschaffen van middelen en het zich verwerven van die kennis en vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf worden vastgesteld."

2.2.3.

Het Hof heeft onder aanhaling van art. 134a Sr het onder 1A bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijk zich middelen verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en zich daartoe kennis en vaardigheden verwerven".

2.3.1.

Art. 134a Sr luidt:

"Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie."

2.3.2.

De memorie van toelichting bij het ontwerp van deze bepaling houdt onder meer het volgende in:

"De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen is ook op een ander punt nog voor verbetering vatbaar. Dat betreft de strafbaarheid van het deelnemen en meewerken aan kort gezegd training voor terrorisme.

(...)

Strafbaarheid van het deelnemen aan training voor terrorisme, zoals het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp, zal dikwijls kunnen worden aangenomen op grond van de strafbaarstellingen van deelneming aan een terroristische organisatie, samenspanning en/of strafbare voorbereiding.

(...)

Tenslotte zullen veelal informatiedragers of voorwerpen (bijvoorbeeld houdende instructies) bij het volgen van een training worden verworven of voorhanden zijn. In dat geval kan sprake zijn van strafbare voorbereiding ingevolge artikel 46 Sr. Het is echter denkbaar dat iemand in het kader van een door hem zelf voorgenomen terroristische aanslag naar een terroristische training gaat. De vraag is of de bestaande strafbaarstellingen in een dergelijk geval toereikend zijn, althans ter zake voldoende duidelijkheid scheppen. Van een georganiseerd verband is dan geen sprake, van samenspanning evenmin en als betrokkene geen voorwerpen «bestemd tot het begaan» van de aanslag meeneemt van het trainingskamp lijkt ook strafbare voorbereiding niet te kunnen worden aangenomen. De voorbereiding heeft zich immers niet geconcretiseerd in het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen, informatiedragers, middelen etc, bestemd tot het begaan van het misdrijf.

(...)

Hetgeen hierboven met betrekking tot de toepasselijkheid van de bestaande strafbaarstellingen van het deelnemen aan een terroristisch opleidingskamp is opgemerkt, geldt grotendeels ook voor de mogelijkheden om het meewerken aan training voor terrorisme onder een vigerende delictsomschrijving te brengen. Artikel 7 van het eerdergenoemde Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme verplicht tot het strafbaar stellen van <het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten>.

(...) Voor de toepasselijkheid van artikel 46 Sr geldt, ik gaf dit eerder reeds aan, dat het geven van training alleen een strafbare voorbereidingshandeling oplevert als de voorbereiding zich in iets stoffelijks heeft geconcretiseerd."

(Kamerstukken II, 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5-7)

2.3.3.

De nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 7 van het eerdergenoemde Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme verplicht tot het strafbaar stellen van <het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten>. Het Verdrag gaat derhalve uit van een ruime omschrijving van het begrip <training voor terrorisme>, die – althans wat de actieve kant betreft – overeenkomt met hetgeen in normaal spraakgebruik onder training wordt verstaan; het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken. De in artikel 134a Sr voorgestelde delictsomschrijving beoogt alle strafwaardige gedragingen die uitdrukking geven aan het begrip <training> te omvatten. Training is derhalve een verzamelbegrip dat in de delictsomschrijving met een aantal feitelijke begrippen wordt geduid.

Het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport kan, wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar zijn op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr. Naar aanleiding van een aanverwante vraag van de leden van de fractie van het CDA merk ik op dat zulks ook het geval kan zijn wanneer kennis of vaardigheden via het internet worden verworven."

(Kamerstukken II, 2008/2009, 31 386, nr. 8 pag. 4)

2.4.1.

Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat art. 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Dat uitgangspunt is juist. Dat verband komt reeds tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Ten aanzien van de overige in art. 134a Sr strafbaar gestelde gedragingen, te weten: het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, moet worden aangenomen dat kwalificatie onder art 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder in overeenstemming met de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis in ruime zin te verstaan: 'het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken' – voor terrorisme ontbreekt.

2.4.2.

In het oordeel van het Hof dat de in 1A onder A en B bewezenverklaarde gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis en vaardigheden in de zin van art. 134a Sr ligt als oordeel van het Hof besloten dat die gedragingen een voldoende verband hebben met enige vorm van training voor terrorisme in voornoemde zin. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen zojuist is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof (in 8.3.1 onder 2) heeft overwogen dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte in hun onderlinge samenhang beschouwd - gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm - gericht zijn op het zich verschaffen van middelen en het verwerven van kennis tot het maken van explosieven en het zich bekwamen in deze vaardigheid door het op de bewezenverklaarde wijze opzoeken van informatie in combinatie met de aanschaf van grondstoffen voor de fabricage van een explosief.

2.4.3.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat in art. 134a Sr uitsluitend gedragingen strafbaar zijn gesteld die voorafgaan aan de strafbare voorbereiding van de in deze bepaling bedoelde misdrijven, dan wel op de opvatting dat deze gedragingen moeten duiden op het volgen van instructies waarbij specifieke vaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, kan het middel niet tot cassatie leiden. Die opvattingen, waarvoor geen steun is te vinden in de tekst van art. 134a Sr, noch in de wetsgeschiedenis, zijn onjuist.

2.4.4.

Anders dan waarvan het middel voorts kennelijk uitgaat, is niet uitgesloten dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als het misdrijf van art. 134a Sr ingeval deze gedragingen tevens kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46, eerste lid, Sr.

2.4.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2016.