Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2016
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
14/05057
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2014, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:2079, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Te late betaling griffierecht. Toepassing art. 127a lid 3 Rv (hardheidsclausule). Rechtsmiddelverbod, art. 127a lid 4 Rv; geen doorbrekingsgrond mogelijk. Devolutieve werking hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 127a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/265
RvdW 2016/191
NJ 2016/67
JWB 2016/39
Prg. 2016/85
RBP 2016/17
JBPR 2016/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2016

Eerste Kamer

14/05057

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AERDENBURGH HOLDING B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

1. [verweerder 1] ,

2. [verweerster 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Aerdenburgh en [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 468619 CV EXPL 10-7062 van de kantonrechter te Haarlem van 4 augustus 2010,
8 december 2010 en 4 mei 2011;

b. de arresten in de zaaknummers 200.085.686/01 en 200.088.734/01 van het gerechtshof Amsterdam van
14 juni 2011, 31 juli 2012 en 27 mei 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft Aerdenburgh beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Aerdenburgh mede door mr. T. Welschen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 14 juni 2011, 31 juli 2012 en 27 mei 2014 en tot verwijzing.

De advocaat van Aerdenburgh heeft bij brief van 6 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Aerdenburgh heeft in deze procedure primair vorderingen ingesteld die erop zijn gebaseerd dat tussen partijen in februari 2010 een huur- en koopovereenkomst is tot stand gekomen. Subsidiair heeft Aerdenburgh vorderingen ingesteld die zijn gebaseerd op afgebroken onderhandelingen.

3.1.2

De primaire vorderingen zijn door de kantonrechter goeddeels toegewezen. [verweerders] hebben tegen deze toewijzing hoger beroep ingesteld.

3.1.3

[verweerders] hebben in hoger beroep het griffierecht een dag te laat betaald. Het hof heeft evenwel art. 127a lid 2 Rv in hun geval buiten toepassing gelaten op de in art. 127a lid 3 Rv genoemde grond dat die toepassing zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.1.4

Bij eindarrest heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Aerdenburgh afgewezen.

3.2.1

Onderdeel 3 van het middel keert zich tegen de beslissing van het hof tot het buiten toepassing laten van art. 127a lid 2 Rv. Het voert aan dat de in art. 127a lid 4 Rv vervatte uitsluiting van hogere voorziening tegen deze beslissing in dit geval uitzondering lijdt omdat het hof buiten het toepassingsgebied van deze regeling is getreden, althans een fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd door Aerdenburgh niet te horen alvorens zijn beslissing te geven.

3.2.2

Het onderdeel faalt. De sanctie van art. 127a lid 2 Rv, inhoudende dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de eiser, de gedaagde van de instantie wordt ontslagen, is uitsluitend gegeven om de tijdige betaling van het griffierecht af te dwingen (Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 5, 7-8 en 17-18, en nr. 6, p. 17-18). Die sanctie strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van de gedaagde. De gedaagde komt daarom geen rechtsmiddel toe tegen de beslissing terzake, ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond. Hetzelfde geldt voor de geïntimeerde als het, zoals in dit geval, gaat om de vraag of art. 127a lid 2 Rv moet worden toegepast jegens de appellant.

3.3.1

Onderdeel 1 klaagt dat het hof slechts heeft beslist omtrent de primaire vorderingen en niet is ingegaan op de subsidiaire vorderingen van Aerdenburgh.

3.3.2

Dit onderdeel is gegrond. Nu het hof, anders dan de kantonrechter, de primaire vorderingen van Aerdenburgh niet toewijsbaar achtte, diende het alsnog in te gaan op de subsidiaire vorderingen van Aerdenburgh, aan de behandeling waarvan de kantonrechter niet was toegekomen. Door dat onderzoek achterwege te laten, heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend, zoals het onderdeel met juistheid aanvoert.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aerdenburgh begroot op € 928,70 aan verschotten en
€ 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 januari 2016.