Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:951

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
14/01173
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:434, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:382, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht opzet op het in vereniging plegen van diefstal met geweld. Uit de vastgestelde f&o - vanaf het begin betrokken bij het plan van de gewapende overval, ontvangst door verdachte van het slo in een voor de gelegenheid ingericht kantoor, het verlaten door verdachte van het kantoor om zijn mededaders hun gang te laten gaan in het besef dat er klappen zouden kunnen vallen en het niet anders kunnen zijn dan dat verdachte zich ervan bewust is geweest dat ingeval van verzet het geweld zou kunnen escaleren - heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het gezamenlijk en in vereniging plegen van diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2015/214 met annotatie van
RvdW 2015/570
SR-Updates.nl 2015-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 april 2015

Strafkamer

nr. S 14/01173

EC/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 februari 2014, nummer 20/004606-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. S.F.W. van 't Hullenaar en mr. C.H.W. Janssen, beiden advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal vaststellen dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.

Mr. S.F.W. van 't Hullenaar heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd wat betreft het opzet op het medeplegen van het toegepaste geweld.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte:

"op 28 januari 2010 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 100.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer] en anderen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] en anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders,

- die [slachtoffer] met een vuurwapen hebben beschoten en

- die [slachtoffer] en anderen hebben bespoten met pepperspray,

zulks terwijl voornoemd feit voor voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (schotwond in het hoofd en verlies van een oog) tot gevolg heeft gehad."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 ten laste het volgende aangevoerd.

(...)

B. zo al kan worden vastgesteld dat de groep Nederlanders de diefstal met geweld heeft gepleegd, kunnen het schieten en het gebruik van pepperspray niet aan de verdachte worden toegerekend, ook niet via een voorwaardelijk opzet-constructie.

Op basis van het hiervoor gestelde is er mitsdien onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen en moet verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 2] tegen betaling een kantoorruimte in een representatief pand verschaft. Er zou worden voorgewend dat daar een bedrijf was gevestigd met een normale, en ook solide, bedrijfsvoering. Daartoe werd een - onbekend gebleven - persoon ingeschakeld die zich voor secretaresse uitgaf, terwijl hij, verdachte, zich voordeed als ondernemer.

Hij onderhield de contacten met de latere slachtoffers, die werd wijsgemaakt dat zij een grote hoeveelheid koper konden inkopen tegen contante betaling van een - gelet op hetgeen werd aangeboden - betrekkelijk laag bedrag, te weten 100.000 euro. Het was de verdachte bekend dat er helemaal geen koper was en dat de latere slachtoffers hun geld zou worden ontfutseld. Dit is ook daadwerkelijk gebeurd.

De slachtoffers in deze zaak hebben zich met hun geld naar het vorengenoemde 'kantoor' begeven, waar zij door de 'secretaresse' werden binnengelaten en bij verdachte werden aangediend, die met hen over de transactie sprak en het meegebrachte geld telde. De slachtoffers zouden vervolgens naar het koper worden gebracht. Toen zij bij verdachte weggingen werden zij echter overvallen en het geld werd hen gewapenderhand ontfutseld. Er is met pepperspray gespoten en er is geschoten. Daarbij is een van de slachtoffers ernstig gewond geraakt.

De bewering van de verdachte dat hij deze afloop niet had voorzien acht het hof hoogst ongeloofwaardig. Hij heeft erkend te weten dat de slachtoffers hun geld zou worden ontfutseld. Hij wist ook dat er in werkelijkheid helemaal geen koper was. Het kan dan ook niet anders zijn geweest dan dat hij begreep dat het geld hen reeds bij het verlaten van het 'kantoor' zou worden afgenomen; op straat zou dat immers te veel aandacht trekken. Hij wist bovendien dat hij het 'kantoor' diende te verlaten om zijn mededaders hun gang te kunnen laten gaan. Het kan ook niet anders zijn geweest dan dat hij begreep dat een en ander - mede gelet op de grootte van het bedrag - op zijn minst met een bedreiging gepaard zou gaan; niemand laat zich immers zonder verzet een dergelijk bedrag afnemen. Hij heeft bij de politie verklaard dat er hoogstens wat klappen hadden moeten vallen bij het afhandig maken van het geld. Het kan echter niet anders dan dat hij zich er van bewust is geweest dat in geval van verzet grote kans zou bestaan op een escalatie van geweld. Het kan zijn dat de verdachte niet wist hoe een en ander precies in zijn werk zou gaan en dat hij dit aan zijn mededader [medeverdachte 2] heeft overgelaten, maar dit doet er niet aan af dat zijn opzet (maar wellicht in voorwaardelijke vorm) op een diefstal met geweld was gericht, zoals in de tenlastelegging omschreven.

Verdachte heeft het feit dusdoende bovendien in bewuste en nauwe samenwerking met zijn mededaders begaan, zodat het medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen."

2.3.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte van het begin af aan betrokken is geweest bij het plan om de kopers van een grote doch niet aanwezige partij koper door zijn mededaders te laten beroven van de koopsom van € 100.000,-, dat hij de kopers daartoe in een voor de gelegenheid ingericht kantoor zou ontvangen en na telling van het geldbedrag het kantoor zou verlaten om zijn mededaders hun gang te kunnen laten gaan, in het besef dat er klappen zouden kunnen vallen. Daarbij heeft het Hof - niet onbegrijpelijk - mede in aanmerking genomen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich ervan bewust is geweest dat ingeval van verzet het geweld zou kunnen escaleren, in welk oordeel besloten ligt dat de verdachte het aan zijn mededaders heeft overgelaten met welke vorm van geweld zij hun doel zouden trachten te bereiken. Aldus beschouwd heeft het Hof uit een en ander kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het gezamenlijk en in vereniging plegen van diefstal met geweld zoals is bewezenverklaard. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.3.

Het middel faalt derhalve.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2015.