Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:94

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
13/06374
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2689, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde OM-cassatie tegen n-o verklaring in de vervolging. De omstandigheid dat de inhoud van het p-v van het ottz. in e.a. niet aan de daaraan ex art. 326 Sv te stellen eisen voldoet, kan een verzuim zijn dat zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de op grond daarvan gedane uitspraak meebrengt. ’s Hofs oordeel dat i.c. dit verzuim dient te leiden tot n-o verklaring van het OM in de vervolging is onjuist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/260
RvdW 2015/214
NBSTRAF 2015/50
SR-Updates.nl 2015-0023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2015

Strafkamer

nr. 13/06374

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 november 2013, nummer 22/000301-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Hof, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet voldoet aan de in artikel 326 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Immers, in genoemd proces-verbaal ontbreekt de verklaring van de ter terechtzitting verschenen verdachte en blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ontbreekt eveneens de verklaring van de ter terechtzitting verschenen getuige [getuige]. Het verhoor van de genoemde getuige is zelfs niet gemeld in het proces-verbaal. Daarnaast ontbreekt volgens de raadsman in het proces-verbaal een deel van de door de verdediging gevoerde verweren.

Het hof acht dit, nu de verdediging niet meer in een gelijke rechtspositie kan worden gebracht als in eerste aanleg, een onherstelbaar verzuim dat dusdanig ernstig is dat, hoewel dit niet te wijten is aan het openbaar ministerie, dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte."

2.3.

De omstandigheid dat de inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet aan de daaraan ingevolge art. 326 Sv te stellen eisen voldoet, kan een verzuim zijn dat zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de op grond daarvan gedane uitspraak meebrengt. Het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2015.