Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:928

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
13/04047
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:419, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Medeplegen. 2. Vordering benadeelde partij. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. medeplegen uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat het verweer dat de verdachte zich op zijn hoogst aan medeplichtigheid heeft schuldig gemaakt moet worden verworpen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het “medeplegen” van diefstal en poging tot diefstal, kennelijk vooral betekenis toegekend aan de omstandigheden dat de verdachte de twee medeverdachten, die als passagier in de door hem bestuurde auto zaten, naar de plaats delict heeft gebracht, met draaiende motor in de auto is blijven wachten nadat de medeverdachten de auto daar hadden verlaten, de bestuurder van een andere auto, die vóór hem wilde parkeren, heeft gemaand weg te gaan, de beide achterportieren van de auto heeft opengehouden en een vrije vluchtweg heeft willen creëren voor de medeverdachten. Nu deze door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en het Hof uit die omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering “voorafgaand aan” en “na afloop van” de beroving, is ’s Hofs oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de beroving, ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting behoeft ’s Hofs beslissing dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen nadere motivering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 48
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/820
RvdW 2015/568
NJ 2015/393 met annotatie van P. Mevis
NBSTRAF 2015/155
SR-Updates.nl 2015-0191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 april 2015

Strafkamer

nr. 13/04047

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 26 juli 2013, nummer 21/003850-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

2.1.

De middelen klagen onder meer over de motivering van de bewezenverklaring wat betreft het "medeplegen" van de tenlastegelegde diefstal (feit 1) onderscheidenlijk poging tot diefstal (feit 2). Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"Feit 1 primair

hij op 12 november 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (bevattende [onder andere] een hoeveelheid geld en een paspoort), toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [betrokkene 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat zijn mededader met kracht heeft getrokken aan die tas (welke tas door [betrokkene 1] over haar schouder werd gedragen en onder haar arm werd geklemd terwijl zij over straat liep);

Feit 2 primair

hij 12 november 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas, toebehorende aan [betrokkene 3], tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld:

hebbende zijn mededader met kracht getrokken aan de tas van [betrokkene 3], (welke tas [betrokkene 3] aan haar arm droeg terwijl zij over straat liep) zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0910 2012253514-1, gedateerd 12 november 2012, dossierpagina 29-32, voor zover inhoudende als aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012 liep ik samen met mijn vriendin [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) het schoolterrein af aan de Vondellaan te Utrecht. Wij liepen het park in. Over mijn linkerschouder en geklemd in mijn linkerarm droeg ik mijn schoudertas. Ik had op dat moment in de tas diverse goederen, zoals mijn rode portemonnee, mijn OV-chipkaart, mijn paspoort en een bankpasje van de Rabobank. Tevens zat in deze tas in een plastic zak een geldbedrag van € 13.750,-. Dit geldbedrag had ik ontvangen op verzoek van mijn vader. Het was de bedoeling dat ik met een gedeelte van dit geld voor mijn vader rekeningen zou gaan betalen.

Mijn vriendin liep naast mij in het Vondelpark. Ook zij droeg een schoudertas aan haar linkerzijde. Plotseling hoorde ik achter mij dat er iemand rennend naderde. Ik zag dat er mij twee onbekende jongens dicht genaderd waren. Ik zag dat beide jongens zwarte panty's of iets dergelijks over hun hoofd hadden, zodat ik hun gezichten niet kon zien. Ik zag dat één van de jongens direct op mij af kwam lopen en aan mijn tas begon te trekken. Ik moest uiteindelijk de tas loslaten. De andere jongen die erbij was, was meer gefocust op mijn vriendin. Ik zag hem later wegrennen.

Toen ik de tas moest loslaten, zag ik dat een zwarte Volkswagen Polo iets verderop midden op de straat stil stond met draaiende motor. Ik zag dat achter het stuur een vermoedelijk Marokkaanse jongen zat, die in mijn richting keek. Ik zag dat hij een zwarte jas aan had en dat zijn zwarte haar opgeschoren was. Ik zag dat beide jongens, waarvan één mijn tas met geweld van mij had afgenomen, achter in deze auto stapten. Ik zag dat de auto met hoge snelheid wegreed.

2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL091A 2012253514-3, gedateerd 12 november 2012, dossierpagina 40-42, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012 hadden wij pauze op school. De school ligt aan de Vondellaan te Utrecht. Ik en mijn klasgenootje [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) liepen naar de Albert Heijn. Ik droeg mijn handtas in mijn armholte van mijn linkerarm. [betrokkene 1] had een zwarte tas. Achter onze school zit een park. Ik zag twee rennende mannen totaal in zwart gekleed. Ik zag dat ze beide iets pikzwarts over hun hoofd hadden. Ik zag dat ze op ons af kwamen rennen. Opeens voelde ik dat er aan mijn tas getrokken werd. Ik had mijn tas in mijn armholte van mijn linkerarm. Ik zag dat één persoon aan mijn tas trok. Opeens liet hij los. Ik zag dat de andere persoon in het zwart aan de tas van mijn vriendin aan het trekken was. Ik zag dat deze persoon de tas uit haar handen trok en dat ze hierdoor op de grond terecht kwam. Het volgende dat ik gezien heb, is dat ze samen wegrenden het park uit. Ik zag dat ze naar een auto renden die daar geparkeerd stond. Ik zag dat het een zwarte auto was. Ik zag dat het een Volkswagen was. Volgens mij stond deze auto nog aan toen ze naar hun auto renden. Ze stapten erin. Volgens mij stapten ze achterin en zat er iemand in de auto achter het stuur. Ik hoorde dat de auto weg reed. Ik zag dat hij heel snel weg reed.

De tas van mijn vriendin is weg. Nu achteraf hoor ik van haar dat er duizenden euro's in zaten.

3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0910 2012253551-10, gedateerd 12 november 2012, dossierpagina 35-36, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4], zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012, omstreeks 14.05 uur, bevond ik mij op de Croesestraat te Utrecht. Vanaf daar heb ik vrij zicht op de Jacob Westerbaenstraat. Ik hoorde tumult vanaf de hoek tussen de Croesestraat en de Jacob Westerbaenstraat. Ik zag twee meisjes staan en twee jongens die een schermutseling hadden. Ik zag dat de jongens, vanaf nu: de verdachten, zwarte sokken of bivakmutsen over hun hoofd hadden. De meisjes hadden allebei een handtas bij zich. Ik zag dat er een schermutseling was tussen de verdachten en de meisjes. Ik zag dat de verdachten er enkele seconden later rennend vandoor gingen in de richting van de Jutfaseweg. Ik zag dat één van de verdachten een tas bij zich had, die hij kennelijk van één van de meisjes had afgenomen. Ik zag dat de verdachten instapten in een zwarte personenauto van het merk Volkswagen. Ik zag dat het kenteken van deze personenauto [AA-00-BB] was.

4. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0910 2012253551-15, gedateerd 13 november 2012, dossierpagina 36-39, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5], zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012, omstreeks 14.00 uur, bevond ik mij in mijn woning in Utrecht. Ik zag omstreeks dit tijdstip een zwarte Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [AA-00-BB], de Croesestraat in rijden. Ik zag dat dit voertuig stopte. Ik zag dat er twee personen uit dit voertuig stapten. Kort hierop zag ik dat deze twee mannen samen wegliepen het Vondelpark in. De bestuurder van de Volkswagen Polo bleef in de auto zitten. Ik zag dat hij een paar keer voor- en achteruit reed in de Croesestraat. Kort hierop kwam er vanuit de Amaliadwarsstraat een Peugeot aangereden. Dit voertuig stopte ter hoogte van de kruising Amaliadwarsstraat met de Croesestraat. Ik zag hierop dat de bestuurder van de Volkswagen Polo met snelle handgebaren duidelijk maakte aan de bestuurder van de Peugeot dat hij weg moest gaan. Ik zag dat de Peugeot weg reed. Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen Polo vervolgens vanaf de bestuurdersstoel achterin dit voertuig 'hing' en dat hij beide achterportieren open zette. Kort hierop hoorde ik hard gegil vanuit het Vondelpark klinken. Daarop zag ik de twee eerder omschreven mannen, welke uit de Volkswagen Polo gestapt waren, de Croesestraat in rennen vanuit het Vondelpark. Ik zag dat één van de twee mannen een tas onder zijn arm vasthield. Ik zag dat deze twee mannen nu beiden hun capuchon van hun jas op hadden gezet en beiden een donkerkleurig stoffen masker voor hun gezicht droegen. Ik zag dat deze twee mannen naar de gereedstaande Volkswagen Polo renden en beiden plaatsnamen op de achterbank van de Volkswagen Polo. Ik zag hierop dat deze Volkswagen Polo hard weg reed. Ik zag en hoorde hierop een mij onbekend meisje vanuit het Vondelpark de Croesestraat in rennen. Ik hoorde dat zij tegen mij riep dat deze jongens haar tas hadden gestolen. Toen de Volkswagen aan het eind van de Croesestraat reed, zag ik hem rechtsaf de Jutfaseweg op draaien.

5. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], hoofdagenten van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0910 2012253551-3, gedateerd 12 november 2012, dossierpagina 43-45, voorzover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012, omstreeks 14.07 uur, hoorden wij dat de centralist van de meldkamer het bericht verspreidde dat er zojuist een overval had plaatsgevonden op de Croesestraat te Utrecht. Wij hoorden dat de overval door drie daders was gepleegd en dat zij in een Volkswagen Polo, kenteken [AA-00-BB], waren weggereden in de richting van de Jutfaseweg. Hierop zijn wij direct in de richting van de Jutfaseweg gereden. De tenaamgestelde van de Volkswagen Polo zou woonachtig zijn op de [a-straat 1] te Utrecht.

Toen wij op voornoemde datum omstreeks 14.15 uur op de Eemstraat reden, zagen wij dat er een man over de Waalstraat liep, komende vanuit de richting Jutfaseweg en gaande in de richting van de woning [a-straat 1]. Wij zagen dat deze man inmiddels voor de woning van de [a-straat 1] stond. Wij hebben de verdachte staande gehouden. De man bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]. Bij navraag via de centralist van de meldkamer bleek dat de verdachte de tenaamgestelde was van de Volkswagen Polo voornoemd, waarin de daders waren weggereden.

Ik heb bij de verdachte een veiligheidsfouillering toegepast. Ik voelde in de jaszak van de verdachte een hard voorwerp. Ik zag dat het een autosleutel betrof. Wij zagen dat er een geel label aan bevestigd was. Wij zagen dat er op het label het kenteken [AA-00-BB] was geschreven.

6. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], respectievelijk brigadier en aspirant van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0910 2012253514-2, gedateerd 12 november 2012, dossierpagina 46-47, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Tussen 12 november 2012, omstreeks 14.10 uur, en 12 november 2012, omstreeks 14.25 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld. Wij hoorden via de portofoon de melding dat er zojuist twee dames waren beroofd op de Croesestraat te Utrecht. De daders zouden zijn weggereden in een zwarte Volkswagen Polo voorzien van kenteken [AA-00-BB], waarvan de tenaamgestelde zou wonen op de [a-straat 1] te Utrecht.

Wij zijn direct in de omgeving van de Waalstraat gaan zoeken naar genoemd voertuig. Wij troffen op de Eemstraat, een zijstraat van de Waalstraat, ter hoogte van perceel 31 bedoelde zwarte Volkswagen Polo met kenteken [AA-00-BB] aan.

Voorts spraken wij de bewoonster van de [b-straat 1]. Zij vertelde dat er een zwarte auto achteruit de stoep op werd gereden. Zij zag dat deze zwarte auto voor haar woning werd geparkeerd, voor haar raam. Ze vertelde ons dat dit omstreeks 14.00 uur was. Zij zag dat er één jongen uit de auto stapte en dat hij zijn portier sloot. Zij vertelde dat de jongen het achterportier sloot en wegrende in de richting van de Waalstraat.

7. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 9], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL091A 2012253551-41, gedateerd 4 december 2012, dossierpagina 103, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik heb middels de routeplanner van Google Maps onderzocht wat de reistijd en afstand was vanaf de Croesestraat ter hoogte van 88 (plaats delict) en de [b-straat 1] (aantreffen Volkswagen). Hieruit bleek dat de afstand 750 meter en de gemiddelde reistijd 2 minuten was. Hierbij bleek ook dat men dan vanuit de Croesestraat in de richting van de Jutfaseweg rijdt, zoals ook verklaard was door getuigen.

8. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 februari 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik reed die dag (het hof begrijpt: 12 november 2012) in de Volkswagen Polo met kenteken [AA-00-BB]. Nadat ik mijn auto had geparkeerd, liep ik naar huis. Toen werd ik aangehouden."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft medegepleegd, nu niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft - zo bewezen mocht zijn dat hij de auto bij dit feit heeft bestuurd - slechts een ondersteunende rol als chauffeur van de vluchtauto gehad. Niets wijst op betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding en uitvoering van het tenlastegelegde. In ieder geval heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de omstandigheid dat niet alleen de tas van [betrokkene 1] werd weggenomen, maar dat ook werd gepoogd de tas van [betrokkene 3] weg te nemen.

Het hof verwerpt deze verweren. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zijn twee mededaders, die als passagier in de door hem bestuurde auto zaten, naar de desbetreffende plaats delict heeft gebracht. Nadat zij de auto daar hadden verlaten, is verdachte met draaiende motor in de auto blijven wachten. Hij maande de bestuurder van een andere auto, die voor hem wilde parkeren, weg te gaan en hield de beide achterportieren van de auto open. Het hof leidt uit die omstandigheden af dat verdachte kennelijk een vrije vluchtweg wilde creëren voor hem en zijn mededaders. Toen zijn mededaders gemaskerd en in bezit van de tas van [betrokkene 1], waarin zich een aanzienlijk geldbedrag bevond (13.750,- euro), weer waren terug gerend naar de auto en vervolgens op de achterbank hadden plaatsgenomen, is verdachte met hoge snelheid weggereden.

Uit voornoemde feitelijkheden - in onderling verband en samenhang bezien - leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de het - kort gezegd - de bedoeling was iemand te beroven. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat verdachte hier geen alternatief scenario tegenover heeft gesteld, integendeel hij heeft iedere betrokkenheid bij dit feit ontkend. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van alle hierboven geschetste feiten en omstandigheden leidt het hof mede af, dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering voorafgaand aan de beroving en na afloop van de beroving, dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

Daarbij is het hof van oordeel dat verdachte -wederom in het bijzonder gelet op het feit dat hij geen alternatief scenario heeft aannemelijk gemaakt of zelfs maar heeft genoemd- bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededaders niet alleen één vrouw/meisje daadwerkelijk van een tas beroofden, maar dat ook is gepoogd een andere vrouw/ander meisje van haar tas te beroven, die in haar gezelschap verkeerde."

2.3.

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

2.4.

Het Hof heeft voor zijn oordeel dat het verweer dat de verdachte zich op zijn hoogst aan medeplichtigheid heeft schuldig gemaakt moet worden verworpen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het "medeplegen" van diefstal en poging tot diefstal, kennelijk vooral betekenis toegekend aan de omstandigheden dat de verdachte de twee medeverdachten, die als passagier in de door hem bestuurde auto zaten, naar de plaats delict heeft gebracht, met draaiende motor in de auto is blijven wachten nadat de medeverdachten de auto daar hadden verlaten, de bestuurder van een andere auto, die vóór hem wilde parkeren, heeft gemaand weg te gaan, de beide achterportieren van de auto heeft opengehouden en een vrije vluchtweg heeft willen creëren voor de medeverdachten. Nu deze door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden bestaan uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en het Hof uit die omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering "voorafgaand aan" en "na afloop van" de beroving, is 's Hofs oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de beroving, ontoereikend gemotiveerd. Daarbij heeft de Hoge Raad mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld en op het ontbreken van nadere vaststellingen en overwegingen met betrekking tot een nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering tijdens de beroving of met betrekking tot de onder 2.3 genoemde mogelijke aandachtspunten. De door het Hof genoemde omstandigheid dat de verdachte geen alternatief scenario heeft genoemd, maakt dit niet anders.

2.5.

In zoverre zijn de middelen terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.

3.2.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het volgende in:

"Mr. Bouwman wordt in de gelegenheid gesteld namens de benadeelde partij haar vordering toe te lichten. Hij voert daarbij aan - zakelijk weergegeven -:

De benadeelde partij handhaaft haar oorspronkelijke vordering in hoger beroep. Ik heb met mijn cliënten besproken hoe het kon dat zo een groot geldbedrag in een plastic zak zat en waar dit voor bestemd was. Het geld is in een auto in een plastic zak aan [betrokkene 1] overhandigd door haar oom. In de auto is het geld geteld. Van het bedrag is € 250,- afgehouden voor [betrokkene 1]. Het bedrag in de tas bedroeg € 13.750,-. Dit geld was bestemd voor de vader van [betrokkene 1], [betrokkene 2], voor de betaling van de huur van de bazaar. De bazaar zat op de rand van een faillissement. De oom had cash geld geleend. Het geldbedrag zou maandag naar de bank gebracht worden. [betrokkene 2] kon alleen bij familie geld lenen. Dit geld kwam bij zijn dochter terecht. Er bestond een geschil tussen [betrokkene 2] en zijn vrouw over de voortzetting van de bazaar. De verhouding tussen beiden was dusdanig slecht, voortkomende uit de ziekte van de vrouw van [betrokkene 2], dat zij niet op de hoogte gehouden werd van het reilen en zeilen van de bazaar.

De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:

(...)

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij merk ik op dat er een fors geldbedrag is ontvreemd. Dit is moeilijk met stukken te onderbouwen. De benadeelde partij heeft uitgelegd hoe het is gegaan. Er zijn meerdere personen geweest die het geld hebben gezien. De broer en dochter van [betrokkene 2] wisten van het geldbedrag af. De vordering kan echter niet nader onderbouwd worden. Dit betekent dat, hoe spijtig ik dat ook vind, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert en de benadeelde partij mijns inziens niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan het verkort proces-verbaal is gehecht."

3.3.

Blijkens voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de behandeling ervan, wegens onvoldoende onderbouwing, een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, en heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij in:

"Vordering benadeelde partij:

Niet-ontvankelijk, althans afwijzen: te belastend voor de strafzaak; mede gezien onwaarschijnlijkheid van het betreffende bedrag: niet, althans onvoldoende aannemelijk dat die schade is geleden. Bedrag zou op 9 november 2012 zijn afgegeven; contact van haar vader; moeder mocht er niets van afweten. Al 3 dagen in haar bezit...

Daarom in haar verklaring, blz. 90: "de benadeelde wil zich niet als benadeelde voegen in het strafproces." Later (blz. 92): wel, indien het 'niet volledig wordt vergoed'; sprake van verzekering? Geen enkele onderbouwing terzake van de omvang en het legale karakter van dit bedrag, temeer nu het een zakelijk bedrag, van de eenmanszaak, zou betreffen: geen rechtens te beschermen belang."

3.4.

Het bestreden arrest houdt omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.750. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen."

3.5.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 13.750,-. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting, zoals hiervoor weergegeven, behoeft die beslissing evenwel nadere motivering. Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2015.