Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:87

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2015
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
14/02768
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1867, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissement. Uitoefening bevoegdheid curator op de voet van art. 58 lid 1 Fw tot termijnstelling, opeising en verkoop (artt. 101, 176 Fw). Misbruik van bevoegdheid? Omstandigheden van het geval; onevenredigheid van de betrokken belangen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 58
Faillissementswet 67
Faillissementswet 69
Faillissementswet 101
Faillissementswet 176
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/27
NJ 2015/58 met annotatie van
NJB 2015/213
RvdW 2015/169
RI 2015/33
JOR 2015/308 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2015

Eerste Kamer

14/02768

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

Jan Janowitsch VAN DER MOLEN q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker],
wonende te Groningen,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar;

a. de beschikking in de zaak F 12/86 van de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland van 2 april 2014;

b. de beschikking in de zaak C/18/147485/HA RK 14-91 van de rechtbank Noord-Nederland van 14 mei 2014;

De beschikking van de rechtbank van 14 mei 2014 is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 14 mei 2014 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 31 oktober 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [verzoeker] is op 4 april 2013 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.

(ii) Tot de failliete boedel van [verzoeker] behoort onder meer zijn woning te [woonplaats] (hierna: de woning). Ter financiering van de woning is [verzoeker] tezamen met zijn echtgenote een geldlening van € 318.250,-- aangegaan bij SNS Bank, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tot zekerheid voor de voldoening van deze geldlening is bij akte van 28 augustus 2003 een hypotheekrecht op de woning gevestigd ten gunste van SNS Bank.

(iii)De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 136.000,--.

(iv) [verzoeker] heeft aan de curator bericht dat aan de maandelijkse renteverplichtingen jegens SNS Bank wordt voldaan (door een derde) en te kennen gegeven in de woning te willen blijven wonen. SNS Bank heeft aan de curator laten weten geen aanleiding te hebben om tot executie over te gaan aangezien de renteverplichtingen worden nagekomen, er geen betalingsachterstanden zijn en er sprake is van onderwaarde.

( v) Bij brief van 15 januari 2014 heeft de curator SNS Bank op de voet van art. 58 Fw een termijn van zes maanden gesteld om tot executie van de woning over te gaan, bij gebreke waarvan hij als curator daartoe zal overgaan.

(vi) SNS Bank heeft vervolgens een aanvang gemaakt met de openbare verkoop van de woning en een executieveiling gepland op 15 mei 2014.

3.2

[verzoeker] heeft de rechter-commissaris verzocht om de door de curator aan SNS Bank gestelde termijn om tot executie van de woning over te gaan, ongedaan te maken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij door de termijnstelling ernstig wordt benadeeld, gelet op de executiekosten, de te verwachten restschuld en de niet-proportionele impact van de termijnstelling, aangezien hij bij gedwongen verkoop tezamen met zijn echtgenote, hun vijf kinderen en zijn moeder op straat komt te staan.

3.3

De rechter-commissaris heeft in de eerste plaats overwogen dat [verzoeker] strikt genomen heeft verzocht om ongedaanmaking van de termijnstelling door de curator. Nu echter niet kan worden gesteld dat die termijnstelling niet rechtsgeldig is, zodat ongedaanmaking daarvan niet tot de mogelijkheden van de rechter-commissaris behoort, en nu duidelijk is dat het verzoek is ingegeven door de wens van [verzoeker] om in de woning te mogen blijven wonen, heeft de rechter-commissaris zijn verzoek zo begrepen dat wordt verzocht de curator te bevelen om na te laten de woning na afloop van de aan SNS Bank gestelde termijn op te eisen en met toepassing van de art. 101 of 176 Fw te verkopen.

De rechter-commissaris heeft vervolgens beoordeeld of de eventuele verkoop van de woning door de curator in het belang van de boedel is of kan zijn. Naar haar oordeel is, gelet op de omstandigheden van het geval en hetgeen door de curator is aangevoerd, in redelijkheid niet te verwachten dat verkoop door de curator op enigerlei wijze enig boedelactief voor de gezamenlijke crediteuren zal kunnen opleveren. Nu [verzoeker] een in redelijkheid te respecteren belang heeft dat SNS Bank alsnog kan afzien van executie van de woning zonder te hoeven vrezen dat de curator de woning opeist, is het verzoek toewijsbaar. De rechter-commissaris heeft op die gronden bevolen dat de curator nalaat om de woning van [verzoeker] na afloop van de gestelde termijn op te eisen en met toepassing van de art. 101 of 176 Fw te verkopen, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4

De rechtbank heeft de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd voor zover daarin het zojuist genoemde bevel is gegeven. De rechtbank heeft de curator toegestaan de woning na afloop van de gestelde termijn op te eisen en op de voet van art. 176 Fw te verkopen, en heeft de genoemde beschikking voor het overige bekrachtigd.

Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank, na in rov. 2.6 te hebben vastgesteld dat SNS Bank op 4 april 2014 heeft laten weten dat zij de veiling heeft ingetrokken, haar beslissing als volgt gemotiveerd.

Indien SNS Bank niet binnen de daarvoor gestelde termijn tot verkoop overgaat, is de curator bevoegd om de woning op te eisen en met toepassing van de art. 101 of 176 Fw te verkopen (art. 58 lid 1 Fw). De uitoefening van deze bevoegdheid dient het belang van de boedel dan wel de gezamenlijke schuldeisers te dienen. Het belang van de boedel wordt onder meer gediend “indien en voor zover de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding der kosten van het faillissement” (art. 101 lid 1 Fw). (rov. 4.5)

De curator heeft gesteld dat de verkoop van de woning noodzakelijk is ter bestrijding van de kosten van het faillissement, omdat de boedel thans negatief is en de verkoop van de woning door de curator zal leiden tot dekking van de faillissementskosten. De stelling dat de boedel thans negatief is, is voldoende onderbouwd.
(rov. 4.6)

Indien de curator op de voet van art. 58 Fw zelf tot verkoop overgaat, wordt SNS Bank in de omslag van de algemene faillissementskosten betrokken in die zin dat die kosten eerst uit de verkoopopbrengst worden voldaan, alvorens SNS Bank haar vordering hieruit voldaan krijgt. Gelet op de negatieve boedel is de verkoop noodzakelijk ter bestrijding van de faillissementskosten en aldus in overeenstemming met art. 101 Fw. Daarom is de curator op grond van de art. 58 lid 1 en 101 lid 1 Fw bevoegd tot verkoop over te gaan en heeft hij ook een redelijk te respecteren belang bij de uitoefening van deze bevoegdheid. Daaraan doet niet af dat [verzoeker] en zijn echtgenote met een restschuld blijven zitten, de woning verlaten zal moeten worden, dat geen achterstand in de betaling van de hypotheeklasten bestaat en dat nieuwe woonkosten gemaakt zullen moeten worden. Het systeem van de Faillissementswet brengt mee dat de betaling van de algemene faillissementskosten voorgaat. (rov. 4.7)

Met betrekking tot het verzoek van de curator tot afwijzing van het oorspronkelijke verzoek van [verzoeker] om de termijnstelling aan SNS Bank ongedaan te maken, wordt overwogen dat de rechter-commissaris in de bestreden beschikking dit oorspronkelijke verzoek reeds heeft afgewezen, en dat, nu [verzoeker] tegen die afwijzing geen bezwaar heeft gericht, de beslissing op dit punt in stand kan blijven (rov. 4.10).

3.5

Het middel klaagt in de onderdelen 4.1 – 4.3, naar de kern genomen, dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op de vaststaande feiten en hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, de boedel geen rechtens te respecteren belang heeft bij de termijnstelling door de curator en daarop voortbouwend bij de verkoop door hem op grond van de art. 58 en 101 Fw. Daartoe wordt aangevoerd (1) dat vaststaat dat de woning geen overwaarde heeft, zodat de verkoop ertoe leidt dat [verzoeker] en zijn vrouw met een restschuld blijven zitten, (2) dat SNS Bank een aanvang heeft gemaakt met de openbare verkoop van de woning, en (3) dat SNS Bank te kennen heeft gegeven tot openbare verkoop te zullen overgaan indien de termijnstelling onverkort in stand blijft en dat zij in geval van een veiling geen boedelbijdrage zal leveren.

3.6

In dit geding dient tot uitgangspunt, zoals de rechter-commissaris heeft vastgesteld, dat SNS Bank de haar gestelde termijn niet ongebruikt zal laten verlopen. De curator heeft in zijn beroepschrift voor de rechtbank erkend dat de verwachting is dat SNS Bank de ingezette executieveiling zal voortzetten, en dat hij daarvan ook uitgaat.

Voorts dient in cassatie veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dat, zoals [verzoeker] in zijn verweerschrift in hoger beroep onder verwijzing naar een overgelegde e-mail van SNS Bank van 23 april 2014 heeft betoogd, bij executie van de woning door SNS Bank geen uitkering aan de boedel te verwachten is.

3.7

Hoewel vaststaat dat SNS Bank eigener beweging niet wilde overgaan tot executie van de woning (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)), heeft zij naar aanleiding van de termijnstelling van de curator een executieveiling voorbereid. Dit laatste deed zij kennelijk – mede gelet op haar intrekking van de veiling nadat de mogelijkheid van verkoop door de curator op dat moment van de baan was vanwege het hiervoor in 3.3 vermelde bevel van de rechter-commissaris – uitsluitend om te voorkomen dat de curator zou overgaan tot de verkoop en dat ten gevolge daarvan een deel van de opbrengst zou worden aangewend voor een bijdrage in de algemene faillissementskosten. Ondanks de intrekking door SNS Bank van de geplande veiling, diende derhalve ook de rechtbank in hoger beroep ervan uit te gaan dat SNS Bank de door de curator gestelde termijn niet zou laten verlopen, gelet op het daaromtrent door de curator in hoger beroep ingenomen standpunt (zie hiervoor in 3.6), de houding en handelingen van SNS Bank, en de omstandigheid dat de door de curator gestelde termijn van zes maanden ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 25 april 2014 nog lang niet was verstreken.

3.8.1

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 en 3.7 is overwogen, is onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank dat uitoefening door de curator van zijn in art. 58 Fw gegeven bevoegdheden zal leiden tot dekking van de faillissementskosten en dat de curator derhalve een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de uitoefening van die bevoegdheden. De daarop gerichte klachten van de onderdelen 4.1 – 4.3 zijn gegrond.

3.8.2

Hieraan doet niet af hetgeen de rechtbank in rov. 4.10 heeft overwogen omtrent de afwijzing door de rechter-commissaris van het “oorspronkelijke” verzoek van [verzoeker] om de termijnstelling aan SNS Bank “ongedaan te maken”, waartegen [verzoeker] in hoger beroep niet is opgekomen. Ook in hoger beroep hield het betoog van [verzoeker] met betrekking tot de uitoefening door de curator van zijn bevoegdheden ingevolge art. 58 Fw – het stellen van een termijn en in het verlengde daarvan het opeisen en vervolgens verkopen van de woning – immers onmiskenbaar in (a) dat die uitoefening gelet op de omstandigheden van het geval niet tot het door de curator beoogde doel (bestrijding van de faillissementskosten) zou leiden omdat SNS Bank, gelet op haar eigen belangen, in geen geval de haar gestelde termijn ongebruikt voorbij zou laten gaan, en (b) dat die uitoefening daarentegen uitsluitend zou leiden tot ingrijpende nadelige gevolgen voor [verzoeker] en zijn gezin (en tevens tot nadeel voor SNS Bank). Ook indien de termijnstelling door de curator als zodanig niet “ongedaan kan worden gemaakt”, zoals de rechter-commissaris heeft geoordeeld en de rechtbank in appel tot uitgangspunt heeft genomen, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat de (verdere) uitoefening door de curator van zijn uit art. 58 Fw voortvloeiende bevoegdheden, in aanmerking nemende de onevenredigheid van de betrokken belangen, misbruik van bevoegdheid oplevert, hetgeen een bevel als door de rechter-commissaris uitgesproken kan rechtvaardigen.

3.9

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 14 mei 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 januari 2015.