Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:771

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
13/05473
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:348, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. In aanmerking genomen hetgeen door de raadsman aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek niet dragen. Dat het Hof de stukken waarop het verzoek betrekking heeft - welke stukken op enig moment aan het dossier zijn toegevoegd - niet van belang acht en heeft aangekondigd op die stukken geen acht te slaan, sluit immers niet uit dat de verdediging belang kan hebben bij voldoende gelegenheid die stukken te bestuderen en in haar voorbereiding van de verdediging te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/525
NJB 2015/756
NJ 2015/201 met annotatie van
SR-Updates.nl 2015-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 maart 2015

Strafkamer

nr. 13/05473

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 oktober 2013, nummer 21/003642-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland, en te Liechtenstein en in Duitsland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote) geldbedrag(en), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

(...)

- een schriftelijke bescheid, opgemaakt door [verbalisant] namens Financial Intelligence Unit op 2 november 2009 te Liechtenstein;

(...)

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Ik weet niet meer of de reis met de trein rechtstreeks was of dat ik misschien ergens ben overgestapt. Dat herinner ik me niet meer. Het geld is in twee keer overgeboekt naar Liechtenstein. Er zat een dag of veertien tussen. Zodra het geld op de rekening in Liechtenstein stond, zou ik het opnemen en contant terugbrengen naar Nederland. Ik weet niet meer wat ik bij de bank in Liechtenstein heb gezegd over de reden dat ik het geld nodig had. Ik weet niet meer of ik gezegd heb dat het geld voor een huis in Spanje voor mijn moeder bestemd was. Ik kan me dat niet herinneren. Ik zal het wel gezegd hebben. Ze stellen daar vragen over de reden dat je geldbedragen contant opneemt. Ik heb maar een lulverhaal opgehangen. Ik hang hier geen lulverhaal op. Ik kan me voorstellen dat u het lastig vindt om te bepalen wat u nu moet geloven.

De voorzitter houdt mij voor dat er achtduizend euro is overgebleven op de rekening in Liechtenstein. Volgens mij heb ik de rekening leeggemaakt en is er niets overgebleven.

De voorzitter houdt mij voor dat ik op 5 augustus 2009 nog eens geld heb opgenomen in Liechtenstein.

De raadsman merkt op dat hij niet beschikt over de stukken die naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan Liechtenstein zijn toegevoegd aan het dossier van zijn cliënt.

De bode verstrekt de raadsman een kopie van de stukken.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor een halfuur, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om de stukken te bestuderen en te bespreken met zijn cliënt.

Na hervatting verzoekt de raadsman om de zaak aan te houden, zodat hij meer gelegenheid heeft om de nieuwe stukken te bestuderen en de verdediging voor te bereiden.

De voorzitter merkt op dat het hof sinds 22 maart 2013 beschikt over het dossier, dat de stukken betreffende het rechtshulpverzoek toen al deel uitmaakten van het dossier en dat de raadsman het dossier had kunnen inzien.

De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding. Er is door de voorzitter de inhoud van één stuk voorgehouden, welke inhoud simpel van inhoud is. De overige stukken zijn niet relevant voor het bewijs.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Tot op heden is alleen de inhoud van een stuk afkomstig van Financial Intelligence Unit van 2 november 2009 voorgehouden aan de verdachte. Dat stuk is opgesteld in de Duitse taal en de voorzitter heeft de inhoud in de Nederlandse taal voorgehouden. In het licht van de tenlastelegging en de door de verdachte afgelegde verklaring is er geen begin van aannemelijkheid dat de overige stukken die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan het dossier zijn toegevoegd, van belang zijn voor de beantwoording van enige vraag in het licht van de tenlastelegging. Het hof zal geen acht slaan op de overige stukken en zal een kopie van het hiervoor genoemde voorgehouden stuk aan het proces-verbaal van de zitting hechten.

Mocht het hof bij de beraadslaging in raadkamer menen dat de stukken alsnog van belang zijn, dan zal het onderzoek worden heropend en zullen de stukken alsnog aan de orde worden gesteld."

2.3.

In aanmerking genomen hetgeen door de raadsman aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het verzoek niet dragen. Dat het Hof de stukken waarop het verzoek betrekking heeft – welke stukken op enig moment aan het dossier zijn toegevoegd – niet van belang acht en heeft aangekondigd op die stukken geen acht te slaan, sluit immers niet uit dat de verdediging belang kan hebben bij voldoende gelegenheid die stukken te bestuderen en in haar voorbereiding van de verdediging te betrekken.

2.4.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2015.