Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:555

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
14/02992
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1680, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 16, lid 4, AWR. Eis van voortvarend handelen. Vaststellingsovereenkomst. Moment verzending navorderingsaanslag blijft bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2015/15.7 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2015/523
BNB 2015/182 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
FutD 2015-0625
NTFR 2015/1054 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
NTFR 2016/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 maart 2015

nr. 14/02992

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2014, nr. BK‑13/01227, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/282) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in november 2009 een ondertekende “Verklaring Vrijwillige verbetering Buitenlands vermogen” naar de Inspecteur gezonden. Naar aanleiding hiervan wenste de Inspecteur over de jaren 1997 tot en met 2007 na te vorderen.

2.1.2.

Belanghebbende heeft, na correspondentie, met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten die zij bij brief van 10 december 2010 ondertekend aan de Inspecteur heeft geretourneerd. De vaststellingsovereenkomst vermeldt onder meer het volgende:

“Partijen geven, uitsluitend uit praktische overweging, de voorkeur aan het opleggen (...) van één navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 t.b.v. € 31.868 in plaats van diverse belastingaanslagen met heffingsrente over de periode 1997 tot en met 2007. Uit bijlagen A en B blijkt de samenstelling van de op te leggen navorderingsaanslag op zodanige wijze dat voor partijen duidelijk is hoe het bedrag van die navorderingsaanslag tot stand is gekomen.”

2.1.3.

De ten name van belanghebbende gestelde navorderingsaanslag bedraagt € 31.868 en heeft als dagtekening 10 januari 2011. Met dagtekening 22 november 2011 is aan belanghebbende met betrekking tot de navorderingsaanslag een betalingsherinnering gestuurd.

2.1.4.

In geschil is of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld. Tussen partijen staat vast dat indien de Inspecteur niet voldoende voortvarend heeft gehandeld, de navorderingsaanslag moet worden verminderd met de daarin begrepen bedragen die betrekking hebben op de jaren vóór 2006.

2.2.

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat uit de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199 en nr. 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, BNB 2010/200 (hierna: de arresten van 26 februari 2010) volgt dat moet worden beoordeeld of tussen het moment waarop de Inspecteur kennis krijgt van de feiten die grond opleveren voor navordering en het moment waarop de Inspecteur aan belanghebbende zekerheid heeft verschaft over het van haar na te vorderen bedrag, een langere periode is verstreken dan de tijd die noodzakelijkerwijs is gemoeid met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag. Belanghebbende kreeg voormelde zekerheid op het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst en niet pas bij ontvangst van de betalingsherinnering, waardoor de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld, aldus nog steeds het Hof. Tegen deze oordelen richten zich de klachten.

2.3.1.

Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

Ingevolge de arresten van 26 februari 2010 geldt voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR in gevallen waarin het VWEU van toepassing is de voorwaarde dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

2.3.2.

Van het vaststellen van een belastingaanslag is in het algemeen pas sprake indien die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De bewijslast met betrekking tot (het tijdstip van) de bekendmaking van de belastingaanslag rust bij de inspecteur. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan – behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen - ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden (vgl. HR 18 april 2014, nr. 13/04796, ECLI:NL:HR:2014:930, BNB 2014/182). Er is geen goede grond om bij de toepassing van de in 2.3.1 geformuleerde voorwaarde een andere betekenis toe te kennen aan het begrip vaststellen van een belastingaanslag. Daarom kan niet worden gezegd dat een navorderingsaanslag reeds is vastgesteld in de hiervoor in 2.3.1 bedoelde zin op het tijdstip waarop een vaststellingsovereenkomst is gesloten.

2.3.3.

De in de arresten van 26 februari 2010 voorgeschreven redelijke voortvarendheid is ingegeven door de eis dat de beperking van het vrije verkeer binnen de EU die het gevolg is van de toepassing van de verlengde navorderingstermijn, niet langer duurt dan noodzakelijk is. Voor die termijn is niet bepalend het tijdstip waarop de belastingplichtige bekend raakt met de omvang van de belastingschuld die voortvloeit uit de aanvankelijk verzwegen gegevens, maar het tijdsverloop dat verstrijkt totdat de navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn is vastgesteld.

2.3.4.

Voor zover ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld berust op de opvatting dat belanghebbende bij het uitblijven van de navorderingsaanslag de Inspecteur daarop opmerkzaam had moeten maken, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder volgt een zodanige verplichting niet uit de artikelen 6:248 en 7:901, lid 2, BW waarop het Hof zich baseert.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen treffen de klachten doel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

2.5.

Het hiervoor overwogene betekent het volgende voor de behandeling na verwijzing.

De voorwaarde dat de Inspecteur redelijk voortvarend heeft gehandeld brengt mee dat bij diens handelen geen sprake mag zijn van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Aangezien de laatste door het Hof vastgestelde handeling is de (interne) vaststelling van de navorderingsaanslag met dagtekening 11 januari 2011, houdt die zesmaandeneis in dat de navorderingsaanslag binnen zes maanden na die datum op de voorgeschreven wijze moet zijn bekendgemaakt (vgl. onderdeel 2.3.2 hiervoor).

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1960 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.